<?xml version="1.0" encoding="UTF-8"?>
<!DOCTYPE handeling SYSTEM "handeling.dtd">

<handeling>
<metadata>
<item attribuut="permalink"><![CDATA[http://resolver.kb.nl/resolve?urn=sgd:mpeg21:19851986:0000792]]></item>
<item attribuut="Afkomstig_van">Staten-Generaal digitaal</item>
<item attribuut="Record-identifier">sgd:mpeg21:19851986:0000792</item>
<item attribuut="SGDid">http://resolver.kb.nl/resolve?urn=sgd:mpeg21:19851986:0000792&amp;role=xml</item>
<item attribuut="Document-id">0000114252</item>
<item attribuut="Rechten">Tweede Kamer der Staten-Generaal</item>
<item attribuut="Titel">Handelingen Tweede Kamer 1985-1986 10 december 1985</item>
<item attribuut="Type">Handelingen</item>
<item attribuut="kamer">Tweede Kamer</item>
<item attribuut="Datum_vergadering">1985-12-10</item>
<item attribuut="Bibliografische_omschrijving">Handelingen Tweede Kamer 1985-1986 10 december 1985</item>
<item attribuut="Jaargang">1985_1986</item>
<item attribuut="Startpagina">2087</item>
<item attribuut="Eindpagina">2334</item>
<item attribuut="Omvang">82</item>
<item attribuut="leden">138</item>
</metadata>

<text>	
	
	
	
 33ste vergadering 
Dinsdag 10 december 1985 
Aanvang 14.00 uur   Voorzitter: Dolman

<onderwerp pagina="">

Tegenwoordig zijn 138 leden, te  weten: 
Aarts, Alders, Andela-Baur, Van 
Baars, Beckers-de Bruijn, Ter Beek, 
De Beer, Beinema, Van den Bergh, J . 
D. Blaauw, P. M. Blauw, De Boer, De 
Boois, Borgman, Bosman, Braams, 
Brouwer, Bruggeman, Van der Burg, 
Buurmeijer, Castricum, Cornelissen, 
Couprie, Dales, G. C. van Dam , M. P. 
A. van Dam, Dees, Van Dijk, Dijkman, 
Dijkstal, Van Dis, Van der Doef, 
Dolman, Engwirda, Ernsting, Van Erp, 
Van Es, Eshuis, Evenhuis, Eversdijk, 
Franssen, Frinking, Gerritse, Groen-
man, Gualthérie van Weezel, Haas-
Berger, Van Heemskerck Pillis-Duve-
kot, Hennekam, Herfkens, Hermans, 
Hermes, Hermsen, Hummel, Van 
lersel, Jabaaij, Jacobse, Janmaat, 
Janmaat-Abee, Joekes, Jorritsma-
Lebbink, Kamp, Keja, Knol, De Kok, 
Kombrink, Konings, Van der Kooij, 
De Korte, Korthals, Kosto, Kraaijeveld-
Wouters, Krajenbrink, Laning-Boerse-
ma, Lankhorst, Lansink, Lauxtermann, 
Leerling, Leijnse, Van der Linden, 
Linschoten, Lucassen-Stauttener, 
Meijer, Metz, Mik, Moor, Van 
Muiden, Müller-van Ast, Niessen, 
Van Nieuwenhoven, Nijhuis, Nijland, 
Nijpels, Van Noord, Nypels, Van 
Ooijen, Oomen-Ruijten, Den Ouden-
Dekkers, Paulis, Poppe, De Pree, 
Rempt-Halmmans de Jongh , Van 
Rey, Rienks, Van Rossum, Van der 
Sanden, Schartman, Scholten, 
Schutte, Van der Spek, Spieker, 
Stemerdink, Tazelaar, Terpstra, 
Tommei, Toussaint, Ubels-Veen, Den 
Uyl, Ter Veld, Veldhoen, Te Veldhuis, 
De Visser, Van der Vlies, Van 
Vlijmen, Voorhoeve, Vos, B. de Vries, 
K. G. de Vries, De Waart, Wagenaar, 
Wallage, Weijers, Weisglas, Wessel-
Tuinstra, Wiebenga, Willems, 
Wolters, Wöltgens en Worrell, 
en de heren Lubbers, minister-presi-
dent, minister van Algemene Zaken, 
Rietkerk, ministervan Binnenlandse 
Zaken, Van den Broek, ministervan
Buitenlandse Zaken, Deetman, 
minister van Onderwijs en Weten -
schappen, Winsemius, minister van 
Volkshuisvesting, Ruimtelijke 
Ordening en Milieubeheer, De 
Koning, ministervan Sociale Zaken 
en Werkgelegenheid, Van Amels-
voort, staatssecretaris van Binnen-
landse Zaken, Van Eekelen, staatsse-
cretaris van Buitenlandse Zaken, 
mevrouw Korte-van Hemel, staatsse-
cretaris van Justitie, de heer Van 
Leijenhorst, staatssecretaris van 
Onderwijs en Wetenschappen, 
mevrouw Ginjaar-Maas, staatssecre-
taris van Onderwijs en Wetenschap-
pen, de heren Brokx, staatssecretaris 
van Volkshuisvesting, Ruimtelijke 
Ordening en Milieubeheer, en De 
Graaf, staatssecretaris van Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid.  
<spreker pagina="" anker="112" naam="De voorzitter">
 Ik deel aan de Kamer 
mee, dat zijn ingekomen berichten  van verhindering van de leden: 
Stoffelen en De Kwaadsteniet, 
wegens verblijf buitenslands, ook 
morgen; 
Vermeend en De Grave, wegens 
verblijf buitenslands, de hele week; 
Van der Hek, wegens bezigheden 
elders; 
Van der Heijden, wegens bezigheden 
elders, ook morgen; 
Dolman en Meijer, alleen voor de 
avondvergadering, wegens bezighe-
den elders; 
Van der Toorn. 
Deze berichten worden voor kennis-
geving aangenomen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="113" naam="De voorzitter">
 De ingekomen 
stukken staan op een lijst, die op de 
tafel van de griffier ter inzage ligt. Op 
die lijst heb ik ook voorstellen gedaan 
over de wijze van behandeling. Als 
aan het einde van de vergadering 
daartegen geen bezwaren zijn 
ingekomen, neem ik aan, dat de 
Kamer zich met de voorstellen heeft 
verenigd. 
Op 6 december is de termijn verstre-
ken, waarbinnen de wens te kennen 
kon worden gegeven tot een wettelijke 
regeling ten aanzien van kamerstuk 
1 9 2 9 6 . 
Ik stel voor, dit stuk voor kennisgeving 
aan te nemen. 
Daartoe wordt besloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="114" naam="De voorzitter">
 Op verzoek van 
staatssecretaris De Graaf stel ik voor, 
de stemmingen over het wetsvoorstel 
tot wijziging van de Algemene 
Bijstandswet (18 813) één week uit 
te stellen. 
Ik stel voor, volgende week dinsdag 
ook te stemmen over de moties, 
ingediend, in de UCV van gisteren 
over de visserij. 
Overeenkomstig de voorstellen van 
de Voorzitter wordtbesloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="115" naam="De voorzitter">
 Bij agendapunt 22, 
de stemmingen over de moties over 
de stadsvernieuwing, wordt opening 
van de beraadslaging gevraagd. Ik 
stel voor, hiertoe gelegenheid te 
geven na de mondelinge vragen en 
de daaruit voortvloeiende stemmin-
gen dus de volgende week te 
houden. 
Daartoe wordt besloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="116" naam="De voorzitter">
 Ik geef het woord
aan de heer Dijkstal, die het heeft 
gevraagd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="117" partij="VVD" naam="Dijkstal">
 Voorzitter! 
Ik heb begrepen, dat het niet 
uitgesloten is dat de volgende week 
niet over de Defensiebegroting zal 
worden gesproken, afhankelijk van 
de belasting van de agenda. 
In de UCV over de toekomst van 
het politiebestel is gesproken over 
het voornemen van het kabinet om in 
het kader van de heroverwegingen te 
bezuinigen op de Koninklijke Mare-
chaussee, daar waar het de grensbe-
waking betreft, en de douane met 
meer personencontrole te belasten. 
De minister van Justitie heeft 
meegedeeld, dat het kabinet daarover 
een principebesluit heeft genomen. 
De VVD-fractie heeft daar nogal 
wat moeite mee en wil daarover op 
korte termijn met de regering overleg 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Ingekomen stukken 
2087 
 i voeren. De Defensiebegroting zou 
daartoe de gelegenheid kunnen 
bieden, maar als behandeling hiervan 
wordt uitgesteld, moeten wij naar 
een andere weg zoeken. Om die 
reden wilik u, mijnheer de Voorzitter, 
vragen om het kabinet te verzoeken 
op korte termijn een brief naar de 
Kamer te sturen waarin exact wordt
aangegeven wat de inhoud van die 
beslissing is, opdat de Kamer 
eventueel nog voor het kerstreces 
- zij het kort - over dat onderwerp 
met de regering van gedachten kan 
wisselen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="118" naam="De voorzitter">
 Dat zal ik doen! 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen in 
verband met de  begrotingvan het
 Gemeentefonds voor 1986 
 ( 1 9 2 0 0 - D ) . 
(Zie UCV 11 van 21 oktober 1985.)  
<spreker pagina="" anker="119" naam="De voorzitter">
 De heer Hummel 
heeft mij medegedeeld, dat hij zijn 
amendementen op stuk nr. 5 heeft 
ingetrokken. 
Ik constateer, dat het lid Scholten 
afwezig is. 
Arikel I wordtzonder stemming 
aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Hummel (stuk nr. 4, I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="120" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF 'en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
verworpen. 
Ik stel vast, dat door de verwerping 
van dit amendement het andere op 
stuk nr. 4 voorkomende amendement 
als verworpen kan worden be-
schouwd. 
In stemming komt het amendement-
Hummel (stuk nr. 6, I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="121" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat dit 
amendement is verworpen met 
dezelfde stemverhouding als het 
vorige. 
Ik stel vast, dat door de verwerping 
van dit amendement het andere op 
stuk nr. 6 voorkomende amendement 
als verworpen kan worden be-
schouwd. 
Artikel II wordtzonder stemming 
aangenomen. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
De artikelen III en IV, de staat 
bedoeld in artikel I en de beweegreden 
worden zonder stemming aangeno-
men. 
Het wetsvoorstel wordtzonder 
stemming aangenomen. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen in 
verband met de  begrotingvanhet 
 Provinciefondsvoor 1 9 8 6 
 ( 1 9 2 0 0 E). 
(Zie UCV 11 van 21 oktober 1985.) 
Dit wetsvoorstel wordt, na goedkeu-
ring van de onderdelen, zonder 
stemming aangenomen. 
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen 
 over drie moties , ingediend in de 
UCV over de Financi ën Binnen-
 lands Bestuur en de begrotingen
 van het Gemeentefonds en het 
 Provinciefondsvoor 1 9 8 6 , te  weten: 
- de motie-Van der Heijden/Hermans 
over vergoeding renteverlies aan 
lagere overheden (19 2 0 0 - V I I , D en 
E, nr. 17); 
- de motie-Schutte over verhoging 
gemeentelijke begraafrechten 
( 1 9 2 0 0 - V I I , Den E, nr. 18); 
- de motie-Hummel over compensa-
tie aan gemeenten bij eventueel 
wegvallen van inkomsten uit elektrici-
teitsbedrijven (19 2 0 0 - V I I , D en E, nr. 
19). 
(Zie UCV 11 van  21 oktober 1985.)  
<spreker pagina="" anker="122" naam="De voorzitter">
 Het is mij gebleken, 
dat deze moties voldoende worden 
ondersteund. 
In stemming komt de motie-Van der 
Heijden/Hermans (19 2 0 0 - V I I , D en 
E, nr. 17).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="123" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat 
deze motie met algemene stemmen 
is aangenomen. 
In stemming komt de motie-Schutte 
( 1 9 2 0 0 - V I I , Den E, nr. 18).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="124" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, D'66 en de CPN 
en het lid Janmaat tegen deze motie 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
verworpen. 
In stemming komt de motie-Hummel 
( 1 9 2 0 0 - V I I , D en E, nr. 19).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="125" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
Ingekomen stukken 
Gemeentefonds 
Provinciefonds 
Binnenlandse Zaken 
Minderhedenbeleid 
Justitie 
de PvdA, de CPN en de PSP voor 
deze motie hebben gestemd en die 
van de overige fracties ertegen, 
zodat zij is verworpen. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen 
 over drie moties , ingediend in de 
UCV over het Actieprogramma
 Minderhedenbeleid en het
 Onderzoeksprogramma minder-  heden 1 9 8 5 , te weten: 
- de motie-Jabaaij/Buurmeijer over 
de positie van allochtone bejaarden 
( 1 9 2 1 1 , nr. 5 ) ; 
- de motie-Buurmeijer c.s. over de 
uitgangspunten van het minderheden-
beleid (19 2 1 1 , nr. 6); 
- de motie-Mik over een hernieuwd 
onderzoek naar de positie van de 
minderheidsgroepen (19 2 1 1 , nr. 7). 
(Zie UCV 17 van 4 november 1985.)  
<spreker pagina="" anker="126" naam="De voorzitter">
 Het is mij gebleken, 
dat deze moties voldoende worden 
ondersteund. 
Ik constateer dat de heer Scholten 
nu wel aanwezig is. 
Op verzoek van de heer Buurmeijer 
stel ik voor, zijn motie (19 2 1 1 , nr. 6) 
van de agenda af te voeren. 
Daartoe wordtbesloten. 
In stemming komt de motie-Jabaaij/ 
Buurmeijer ( 1 9 2 1 1 , nr. 5).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="127" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD en het GPV en het 
lid Janmaat tegen deze motie 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
verworpen. 
In stemming komt de motie-Mik 
( 1 9 2 1 1 , nr. 7).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="128" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen deze motie hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ervoor, zodat zij is verworpen. 
Ik stel voor, de stukken 19 211 en 
16 102, nr. 121 voor kennisgeving 
aan te nemen. 
Daartoe wordtbesloten. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen 
over  hoofdstuk V I ( Justitie) van
 de rijksbegroting voor 1 9 8 6 
 (19 2 0 0 VI) 
2088 :::NLANK::: pagina="" :::en over: 
- de motie-Van der Spek c.s. over 
het aantal uit te nodigen vluchtelingen 
in 1986 (19 2 0 0 , nr. 25); 
- de motie-Kosto/Salomons over de 
kwaliteit van de bij de arrondisse-
mentsgriffies geregistreerde en 
feitelijk werkzame tolken (19 2 0 0 - V I , 
nr. 16); 
- de motie-Wiebenga over het 
vluchtelingenbeleid ( 1 9 2 0 0 - V I , nr. 
17), 
alsmede over twee moties, ingediend 
in de UCV over het deel Politie van 
de begrotingen van Justitie en van  Binnenlandse Zaken, te weten: 
- de motie-Stoffelen c.s. over de 
samenvoeging van de districten 
Roermond en Maastricht (19 200-VI 
en VII, nr. 2 0 ) ; 
- de motie-Gualthérie van Weezel/ 
Stoffelen over de politiesterkte in 
bepaalde steden (19 200-VI en VII, 
nr. 22). 
(Zie vergadering van 6 november 
1985 en UCV 22 van 14 november 
1985).  
<spreker pagina="" anker="129" naam="De voorzitter">
 Het is mij gebleken, 
dat de in de UCV voorgestelde 
moties voldoende worden onder-
steund. 
De wetsvoorstellen 19 2 0 0 - V I , nrs. 1 
en 4, worden, na goedkeuring van de 
onderdelen, zonder stemming 
aangenomen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="130" naam="De voorzitter">
 Door de heer 
Wiebenga wordtgevraagd, eerst te 
stemmen over zijn motie (19 2 0 0 - V I , 
nr. 17). 
Naar mij blijkt, bestaat daartegen 
geen bezwaar. 
In stemming komt de motie-Wiebenga 
(19 2 0 0 - V I , nr. 17).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="131" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de VVD, de PvdA, de SGP en de RPF 
en het lid Wagenaar voor deze motie 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ertegen, zodat zij is 
aangenomen. 
In stemming komt de motie-Van der 
Spek c.s. (19 2 0 0 , nr. 25).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="132" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de VVD en de RPF en het lid Janmaat 
tegen deze motie nebben gestemd 
en die van de overige fracties ervoor, 
zodat zij is aangenomen. 
In stemming komt de motie-Kosto/Sa-
lomons (19 2 0 0 - V I , nr. 16).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="133" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen deze motie hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ervoor, zodat zij is verworpen. 
In stemming komt de motie-Stoffelen 
c.s. ( 1 9 2 0 0 - V I en VII, nr. 20).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="134" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de SGP en het GPV tegen deze motie 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
aangenomen. 
In stemming komt de motie Gualthé-
rie van Weezel/Stoffelen (19 200-VI 
en VII, nr. 22).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="135" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de CPN en de PSP tegen deze motie 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
aangenomen. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen in 
verband met  hoofdstuk X V 
 ( Sociale Zaken en Werkgelegen -
 heid) vande rijksbegroting voor 
 1 9 8 6 ( 1 9 200 X V ) .  
<spreker pagina="" anker="136" naam="De voorzitter">
 Staatssecretaris De 
Graaf wil nog een korte verklaring 
afleggen. Ik stel voor, daartoe de 
gelegenheid te geven en niettemin 
daarna te stemmen. 
Daartoe wordt besloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="137" naam="Staatssecretaris De Graaf">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Het gaat om een 
toelichting op de discussie die ik heb 
gehad met het bestuur van AVO. Ik 
heb imiddels met dat bestuur 
overeenstemming bereikt over de 
verlaging van de subsidie voor het 
jaar 1986, niet metf 6 0 0 . 0 0 0 maar 
met f2 0 0 . 0 0 0 . Volgend jaar gaan wij 
een vervolggesprek met AVO voeren 
over de jaren daarna. Er bestaat dus 
volledige overeenstemming met het 
bestuur van AVO.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="138" partij="CDA" naam="Weijers">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik zou het op prijs stellen, 
een schriftelijke reactie van de 
staatssecretaris te krijgen, mede naar 
aanleiding van de brief die wij 
hedenmorgen van de AVO hebben 
mogen ontvangen. Zo kunnen wij 
inderdaad de controlerende taak van 
de Kamer geheel waarmaken.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="139" naam="De voorzitter">
 U hebt er niettemin 
geen bezwaar tegen om nu te 
stemmen?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="140" partij="CDA" naam="Weijers">
 Ik heb er 
bezwaar tegen, nu te stemmen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="141" naam="De voorzitter">
 Geldt dat voor de 
hele begroting?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="142" partij="CDA" naam="Weijers">
 Over alle 
stukken die daarop betrekking 
hebben, dus ook op een aantal 
andere punten. Mijn voorstel is 
derhalve, de stemmingen over de 
artikelen en de moties naar volgende 
week te verschuiven.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="143" naam="De voorzitter">
 Ook over alle 
moties?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="144" partij="CDA" naam="Weijers">
 Ja, mijnheer 
de Voorzitter, omdat er over een 
aantal punten nog nadere mededelin-
gen zullen worden gedaan.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="145" partij="PvdA" naam=" Ter Veld">
 Het is 
inderdaad zo dat over een ander 
amendement van de PvdA-fractie, 
over Werk en Welzijn, de minister 
ons schijnt te hebben verzocht, op 
korte termijn een mondeling overleg 
te mogen voeren. Ik wil dan wel 
graag enige reactie van de minister 
hebben op de vraag, of hij denkt 
daarmee tijdig genoeg te zijn om het 
voortbestaan van de projecten Werk 
en Welzijn na 1 januari in redelijke 
mate te kunnen toezeggen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="146" naam="Minister De Koning">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Dat lijkt mij mogelijk.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="147" naam="De voorzitter">
 Ik stel derhalve 
nader voor, alle stemmingen inzake 
Sociale Zaken en Werkgelegenheid 
tot volgende week uit te stellen. 
Daartoe wordt besloten. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen in 
 verband methetwetsvoorstel 
 Verlengingvande werkings -
 duur vande Tijdelijke Wet 
 normering inkomens vrije-be -
 roepsbeoefenaars ( 1 9 2 9 2 ) . 
(Zie vergadering van 3 december 
1985.)  
<spreker pagina="" anker="148" naam="De voorzitter">
 De heer Toussaint 
vraagt heropening van de beraadsla-
ging. Ik stel voor, aan dit verzoek te 
voldoen en niettemin onmiddellijk 
daarna te stemmen, vanwege de 
spoed. 
Daartoe wordt besloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="149" partij="PvdA" naam=" Toussaint">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik hebuvorige week, 
tijdens de plenaire behandeling van 
dit wetsontwerp, een motie aangebo-
den, die toen niet in behandeling kon 
worden genomen omdat zij niet 
voldoende werd ondersteund. De 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Justitie 
Sociale Zaken en Werkgelegenheid 
Vrije-beroepsbeoefenaars 
2 0 8 9 

	

motie gaat over de stagnatie in het 
overleg tussen de regering en de 
Koninklijke Notariële Broederschap. 
Dat is naar het oordeel van mijn 
fractie een dermate belangrijk 
onderwerp, dat ikudie motie 
inmiddels opnieuw heb voorgelegd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="150" naam="De voorzitter">
 Ik heb die motie 
reeds vorige week voorgelezen, maar 
ik zal het nog eens doen. 
Motie 
Door de leden Toussaint, Buurmeijer 
en Spieker wordt de volgende motie  voorgesteld: 
De Kamer, 
gehoord de beraadslaging; 
vastellende, dat het overleg tussen 
regering en Koninklijke Notariële 
Broederschap in het kader van het 
prijs- en inkomensbeleid voor de 
beoefenaren van de vrije beroepen 
stagneert; 
overwegende, dat het prijs- en 
inkomensbeleid voor de beoefenaren 
van vrije beroepen mede betrekking 
dient te hebben op de beroepsgroep 
van de notarissen; 
kennis genomen hebbende van de 
mededeling van de regering, dat 
vooralsnog geen voornemens 
bestaan, tussentijdse initiatieven te 
ontplooien tot hervatting van het 
overleg, nu dit door de KNB is 
opgeschort; 
dringt er bij de regering op aan, met 
spoed initiatieven tot hervatting van 
dit overleg te ontplooien, 
en gaat over tot de orde van de dag. 
Naar mij blijkt, wordt deze motie 
voldoende ondersteund. 
Zij krijgt nr. 7 (19 292). 
Ik stel voor, volgende week over deze 
motie te stemmen. 
Daartoe wordtbesloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="151" naam="Minister De Koning">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik zou graag even de tekst 
van de motie willen zien, want die 
heb ik niet bij de hand.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="152" naam="De voorzitter">
 De Kamer zal het 
ongetwijfeld op prijs stellen, een 
schriftelijk stemadvies te krijgen voor 
de stemming. 
De beraadslaging wordtgesloten. 
Artikel 1 wordtzonder stemming 
aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Toussaint (stuk nr. 6) tot invoeging 
van een artikel 1a.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="153" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF, 
en het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
verworpen. 
Artikel 2 en de beweegreden worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het wetsvoorstel.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="154" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat het 
wetsvoorstel met algemene stemmen 
is aangenomen. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de  eindstemming 
over het wetsvoorstel Regels
 betreffende de inlichtingen^ en 
 veiligheidsdiensten ( Wet op de 
 inlichtingen- en veiligheidsdien-
 sten) ( 1 7 3 6 3 ) . 
(Zie vergadering van 3 december 
1985.)  
<spreker pagina="" anker="155" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, de door 
de regering voorgestelde wijzigingen 
(stuk nr. 37) aan te brengen. 
Daartoe wordtbesloten. 
In stemming komt het wetsvoorstel.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="156" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de CPN en de PSP tegen dit wetsvoor 
stel hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
aangenomen. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen in 
verband met  hoofdstuk X I ( Volks -
 huisvesting . Ruimtelijke Orde-
 ning en Milieubeheer) vande 
 rijksbegrotingvoor 1 9 8 6 ( 1 9 2 0 0 -
 X I ) . 
(Zie vergadering van 3 december 
1985.)  
<spreker pagina="" anker="157" naam="De voorzitter">
 De heer Veldhoen 
heeft mij medegedeeld, dat hij zijn 
amendementen op stuk nr. 57 heeft 
ingetrokken. 
In stemming komt het wetsvoorstel 
19 2 0 0 XI, nr. 1. 
Het begin van artikel I en de artikelen 
1 t/m21 worden zonder stemming 
aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
De Beer (stuk nr. 48).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="158" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de VVD, de PPR, de CPN, de SGP, de 
RPF en de EVP en het lid Wagenaar 
voor dit amendement hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ertegen, zodat het is verwor-
pen. 
Artikel 22 wordtzonder stemming 
aangenomen. 
Artikel 23 wordtzonder stemming 
aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Nypels c.s. (stuk nr. 3 2 , I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="159" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de SGP, de RPF en het GPV 
en het lid Janmaat tegen dit amende-
ment hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
aangenomen. 
Ik stel vast, dat door de aanneming 
van dit amendement de amendemen-
ten op stuk nr. 3 2 , II en III als 
aangenomen kunnen worden 
beschouwd. 
Artikel 24, zoals het is gewijzigd door 
de aanneming van het amendement-
Nypels c.s. (stuk nr. 3 2 , I), wordt
zonder stemming aangenomen. 
Artikel 25, zoals het is gewijzigd door 
de aanneming van het amendement-
Nypels c.s. (stuk nr. 32, II), wordt
zonder stemming aangenomen. 
Artikel 26 wordtzonder stemming 
aangenomen. 
Artikel 27, zoals het is gewijzigd door 
de aanneming van het amendement-
Nypels c.s. (stuk nr. 32, III), wordt
zonder stemming aangenomen. 
De artikelen 2 8 en 29 worden zonder 
stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Nypels (stuk nr. 39, I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="160" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
verworpen. 
Artikel 30 wordtzonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 31 t/m33 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
De Pree/Vos (stuk nr. 3 3 , I). 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Vrije-beroepsbeoefenaars 
lnlichtingen- en veiligheidsdiensten 
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 
2090 :::NLANK::: pagina="" :::

</spreker>
<spreker pagina="" anker="161" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de PvdA, de 
PPR, de CPN, de PSP en de EVP en 
de leden Janmaat en Scholten voor 
dit amendement hebben gestemd en 
die van de overige fracties ertegen, 
zodat het is verworpen. 
Ik stel vast, dat door de verwerping 
van dit amendement het andere op 
stuk nr. 33 voorkomende amende-
ment als verworpen kan worden 
beschouwd. 
Artikel 34 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 35 en 3 6 worden zonder 
stemming aangenomen. 
In stemming komt het gewijzigde 
amendement-Nypels (stuk nr. 55).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="162" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
D'66, de PPR, de CPN, de PSP en de 
EVP voor dit amendement hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ertegen, zodat het is verwor-
pen. 
In stemming komt het amendement-
Nypels c.s. (stuk nr. 3 2 , IV).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="163" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
D'66, de PvdA, de PPR, de CPN, de 
PSP en de EVP en de leden Scholten 
en Wagenaar voor dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ertegen, zodat het is 
verworpen. 
Artikel 37 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 38 t/m 4 2 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Nypels (stuknr. 3 9 , II).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="164" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
verworpen. 
Artikel 43 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 4 4 t/m54 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Nypels (stuk nr. 39, III).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="165" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
D'66, de PvdA, de PPR, de CPN en 
de EVP en het lid Scholten voor dit 
amendement hebben gestemd en die 
van de overige fracties ertegen, 
zodat het is verworpen. 
Artikel 55 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 56 t/m 7 4 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het gewijzigde 
amendement-Veldhoen (stuk nr. 27, 
I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="166" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen dit gewijzigde 
amendement hebben gestemd en die 
van de overige fracties ervoor, zodat 
het is verworpen. 
Ik stel vast, dat door de verwerping 
van dit gewijzigde amendement het 
andere op stuk nr. 27 voorkomende 
amendement als verworpen kan 
worden beschouwd. 
Artikel 75 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 76 t/m81 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het gewijzigde 
amendement-Veldhoen (stuk nr. 28).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="167" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen dit gewijzigde 
amendement hebben gestemd en die 
van de overige fracties ervoor, zodat 
het is verworpen. 
Artikel 82 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 83 t/m1 13 worden 
zonder stemming aangenomen. 
Het gewijzigde artikelen I wordt 
zonder stemming aangenomen. 
De artikelen II en III en de beweegre-
den worden zonder stemming 
aangenomen. 
Het wetsvoorstel wordtzonder 
stemming aangenomen. 
In stemming komt het wetsvoorstel 
19 2 0 0 - X I , nr. 4. 
Het begin van artikel I en de artikelen 
1 t/m1 3 worden zonder stemming 
aangenomen. 
In stemming komt het gewijzigde 
amendement-Nypels (stuk nr. 56).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="168" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
D'66, de PPR, de CPN, de PSP en de 
EVP voor dit amendement hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ertegen, zodat het is verwor-
pen. 
Artikel 14 wordtzonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 1 5 t/m 3 0 worden 
zonder stemming aangenomen. 
Artikel I wordtzonder stemming 
aangenomen. 
Artikel II en de beweegreden worden 
zonder stemming aangenomen. 
Het wetsvoorstel wordtzonder 
stemming aangenomen. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen in 
verband met het wetsvoorstel 
 Wijziging vanhoofdstuk X I 
 ( Ministerievan Volkshuisvesting, 
 Ruimtelijke Ordeningen Milieu-
 beheer) vande begrotingvan
 uitgavenvanhet Rijk voor het 
 jaar 1 9 8 3 (slotwet; tweede 
 wijzigingsvoorstel) ( 1 8 9 5 1 ) . 
(Zie vergadering van 3 december 
1985.) 
Dit wetsvoorstel wordt, na goedkeu-
ring van de onderdelen, zonder 
stemming aangenomen. 
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen 
over  tien moties , ingediend bij de 
behandeling van de  begrotingvan
 Volkshuisvesting, Ruimtelijke 
 Ordeningen Milieubeheer,  te weten: 
- de motie- De Pree over de volkshuis-
vestingsprijs (18 6 0 0 - X I , nr. 116); 
- de motie- De Pree/Vos over de 
begrotingspost voor warmte-isolatie 
(19 2 0 0 - X I , nr. 4 2 ) ; 
- de motie- De Pree c.s. over de 
voorgenomen verhoging van de 
vergelijkingshuren (19 2 0 0 - X I , nr. 
4 3 ) ; 
- de motie- De Pree/Vos over de 
effecten van het normkostensysteem 
( 1 9 2 0 0 - X I , nr. 45); 
- de motie- De Pree c.s. over de 
extra ontvangsten, verkregen door 
versnelde aflossing van woningwetle-
ningen (19 2 0 0 - X I , nr. 4 7 ) ; 
- de motie- Wolters / De Beer over 
voortgangsrapportage met betrekking 
tot de woningnieuwbouw(1 9 2 0 0 - X I , 
nr. 4 9 ) ; 
- de motie- Wolters / De Beer over 
onderzoek naar een systematiek van 
subsidiëring ( 1 9 2 0 0 - X I , nr. 50); 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2091 - de motie-De Beer/Wolters over de 
waarneming van het aantal in 
aanbouw genomen woningen 
(19 2 0 0 - X I , nr. 5 1 ) ; 
- de motie-De Beer/Wolters over 
onderzoek naar de mogelijkheid van 
een intergemeentelijk garantiefonds 
(19 2 0 0 - X I , nr. 5 2 ) ; 
- de gewijzigde motie-Lankhorst 
over de vaststelling van de normen 
uit het normkostensysteem (19 2 0 0 -
XI, nr. 58). 
(Zie vergadering van 3 december 
1985.) 
In stemming komt de motie- De Pree 
(18 6 0 0 - X I , nr. 116)  
<spreker pagina="" anker="169" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, D'66, de SGP, de 
RPF en het GPV en het lid Wagenaar 
tegen deze motie hebben gestemd 
en die van de overige fracties ervoor, 
zodat zij is verworpen. 
In stemming komt de motie-De 
Pree/Vos (19 2 0 0 - X I , nr. 42).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="170" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA en de VVD en de leden 
Wagenaar en Janmaat tegen deze 
motie hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
verworpen. 
In stemming komt de motie-De Pree 
c.s. ( 1 9 2 0 0 - X I , nr. 43).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="171" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en het lid Wagenaar tegen 
deze motie hebben gestemd en die 
van de overige fracties ervoor, zodat 
zij is verworpen. 
In stemming komt de motie-De 
Pree/Vos (19 2 0 0 - X I , nr. 45).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="172" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat 
deze motie is verworpen met 
dezelfde stemverhouding als de 
vorige. 
In stemming komt de motie-De Pree 
c.s. ( 1 9 2 0 0 - X I , nr. 47).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="173" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de RPF en het GPV 
en het lid Wagenaar tegen deze 
motie hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
verworpen. 
In stemming komt de motie- Wolters / 
De Beer (19 2 0 0 - X I , nr. 49).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="174" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de PvdA en de CPN en het lid 
Scholten tegen deze motie hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ervoor, zodat zij is aangeno-
men. 
In stemming komt de motie- Wolters / 
De Beer (19 2 0 0 - X I , nr. 50).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="175" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat 
deze motie met algemene stemmen 
is aangenomen. 
In stemming komt de motie-De 
Beer/Wolters ( 1 9 2 0 0 - X I , nr. 51).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="176" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat 
deze motie met algemene stemmen 
is aangenomen. 
In stemming komt de motie-De 
Beer/Wolters (19 2 0 0 - X I , nr. 52).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="177" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de PvdA, de CPN en de PSP en het 
lid Scholten tegen deze motie heben 
gestemd en die van de overige 
fracties ervoor, zodat zij is aangeno-
men. 
In stemming komt de gewijzigde 
motie-Lankhorst (19 2 0 0 - X I , nr. 58).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="178" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen deze gewijzigde 
motie hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
verworpen. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen 
 overzes moties , ingediend in de 
UCV over het Indicatief Meerjaren -
 programma Milieubeheer 1 9 8 6 -
 1 9 9 0  te weten: 
- de motie-Tommei c.s. over natuur-
en milieu-educatie ( 1 9 2 0 4 , nr. 10); 
- de motie-Veldhoen over het 
vooralsnog niet afschaffen van 
heffingen op chemisch afval (19 2 0 4 , 
nr. 12); 
- de motie-Veldhoen over de 
meerjarenramingen voor bodemsane-
ring (19 2 0 4 , nr. 13); 
- de gewijzigde motie- Willems / Veld-
hoen over het voorschrijven van een 
rookgasontzwavelingspercentage van 
9 0 ( 1 9 2 0 4 , nr. 18); 
- de motie- Willems c.s. over 
stopzetting van de kernproeven van 
Frankrijk op het eiland Mururoa 
(19 2 0 4 , nr. 15); 
- de motie-Van der Vlies over meer 
afgiftepunten, waar het chemisch 
afval door de binnenscheepvaart kan 
worden afgegeven (19 2 0 4 , nr. 16). 
In stemming komt de motie-Tommei 
c.s. ( 1 9 2 0 4 , nr. 10).  
<spreker pagina="" anker="179" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat 
deze motie met algemene stemmen 
is aangenomen. 
In stemming komt de motie-Veldhoen 
( 1 9 2 0 4 , nr. 12).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="180" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de VVD, de SGP, de RPF en het GPV 
en het lid Wagenaar tegen deze 
motie hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
aangenomen. 
In stemming komt de motie-Veldhoen 
(19 2 0 4 , nr. 13).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="181" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de RPF en het GPV 
en het lid Wagenaar tegen deze 
motie hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
verworpen. 
In stemming komt de gewijzigde 
motie-Willems/Veldhoen (19 204, nr. 
18).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="182" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP en het 
GPV en het lid Wagenaar tegen deze 
gewijzigde motie hebben gestemd en 
die van de overige fracties ervoor, 
zodat zij is verworpen. 
In stemming komt de motie-Willems 
c.s. ( 1 9 2 0 4 , nr. 15).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="183" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen deze motie hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ervoor, zodat zij is verworpen. 
In stemming komt de motie-Van der 
Vlies (19 2 0 4 , nr. 16).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="184" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat 
deze motie met algemene stemmen 
is aangenomen. 
Ik stel voor, het Indicatief Meerjaren 
programma Milieubeheer 1 9 8 6 - 1 9 9 0 
( 1 9 2 0 4 ) en het Meerjarenplan 
Woningbouw(19 205) voor kennisge-
ving aan te nemen. 
Daartoe wordtbesloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="185" naam="De voorzitter">
 Er blijkt nog steeds 
een misverstand te bestaan met 
betrekking tot agendapunt nr. 22, de 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 
Milieubeheer 
2 0 9 2 

	

stemmingen over de moties inzake 
de stadsvernieuwing. Ik herinner 
eraan, dat de Kamer heeft besloten, 
de beraadslaging over deze moties te 
openen na de beantwoording van 
mondelinge vragen. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde zijn de  stemmingen in 
verband met  hoofdstuk V I I I 
 ( Onderwijs en Wetenschappen ) 
 van de rijksbegroting voor 1986 
 ( 1 9 2 0 0 - V I I I )  en over: 
- de motie-Konings over toepassing 
van de ARBO-wet in het onderwijs 
(19 2 0 0 - V I I I , nr. 38); 
- de motie-Konings over decentrali-
satie van bevoegdheden (19 2 0 0 - V I I I , 
nr. 3 9 ) ; 
- de motie-Janmaat-Abee c.s. over 
het deeltijd KMBO (19 2 0 0 - V I I I , nr. 
4 3 ) ; 
- de motie-Mik over een notitie 
betreffende deregulering en decentra-
lisatie (19 2 0 0 - V I I I , nr. 4 4 ) ; 
- de motie-Konings over het 
technisch beroepsonderwijs (19 2 0 0 -
VIII, nr. 4 7 ) ; 
- de motie-Konings over stimulering 
van de benoeming van meer vrouwen 
in de schoolleiding van basis- en 
voortgezet onderwijs (19 2 0 0 - V I I I , 
nr. 4 8 ) ; 
- de motie-Hermes c.s. over afzien 
van een tweede HOB-operatie 
(19 2 0 0 - V I I I , nr. 4 9 ) ; 
- de motie-Janmaat-Abee over de 
zelfstandige vormingsinstituten 
( 1 9 2 0 0 - V I I I , nr. 50); 
- de motie-Janmaat-Abee/Willems 
over maatregelen op onderwijsgebied 
ten behoeve van buitenlandse 
jongeren (19 2 0 0 - V I I I , nr. 51); 
- de motie-Evenhuis/Den Ouden-
Dekkers over de werkomstandigheden 
van onderwijsgevenden (19 2 0 0 - V I I I , 
nr. 52); 
- de motie-Den Ouden-Dekkers over 
bevoegdheidsregelingen voor de 
lessen informatica (19 2 0 0 - V I I I , nr. 
53). 
(Zie vergadering van 3 december 
1985.)  
<spreker pagina="" anker="186" naam="De voorzitter">
 Door mij zijn 
schriftelijke antwoorden ontvangen 
van de minister van Onderwijs en 
Wetenschappen op vragen, gesteld 
in eerste termijn. Deze antwoorden 
zijn abusievelijk niet opgenomen in 
weekeditie nr. 10. Zij zullen thans 
worden opgenomen in een bijvoegsel 
bij de Handelingen van deze vergade-
ring. 
[Het bijvoegsel is opgenomen aan 
het eind van deze weekeditie.]
1 
In stemming komt het wetsvoorstel 
19 200-VIII, nr. 25. 
Het begin van artikel I en de artikelen 
1 t/m5 worden zonder stemming 
aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Worrell/Konings (stuk nr. 28).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="187" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de PvdA, D'66, de PPR, de CPN, de 
PSP, de EVP en het lid Scholten voor 
dit amendement hebben gestemd en 
die van de overige fracties ertegen, 
zodat het is verworpen. 
Artikel 6 wordtzonder stemming 
aangenomen. 
De artikel 7 en 8 worden zonder 
stemming aangenomen. 
In stemming komt het gewijzigde 
amendement-Beinema c.s. (stuk nr. 
5 6 , I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="188" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fractie van 
de PSP tegen dit gewijzigde amende-
ment hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
aangenomen. 
Ik stel vast, dat door de aanneming 
van dit gewijzigde amendement het 
andere op stuk nr. 56 voorkomende 
amendement als aangenomen kan 
worden beschouwd. 
Artikel 9, zoals het is gewijzigd door 
de aanneming van het gewijzigde 
amendement Beinema c.s. (stuk nr. 
5 6 , I), wordtzonder stemming 
aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Konings/Wallage (stuk nr. 29).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="189" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF, 
het GPV en de CPN en de leden 
Wagenaar en Janmaat tegen dit 
amendement hebben gestemd en die 
van de overige fracties ervoor, zodat 
het is verworpen. 
Artikel 10 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 11 t/m14 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Worrell/Konings (stuk nr. 30).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="190" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
verworpen. 
Artikel 1 5 wordtzonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 16 t/m35 worden 
zonder stemming aangenomen. 
Artikel 3 6 , zoals het is gewijzigd door 
de aanneming van het gewijzigde 
amendement-Beinema c.s. (stuk nr. 
5 6 , II), wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 37 t/m57 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Wallage/Van Ooijen (stuk nr. 3 1 , I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="191" naam="De voorzitter">
 Ik constateer , dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
verworpen. 
Artikel 58 wordtzonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 59 en 60 worden zonder 
stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Janmaat-Abee/Franssen (stuk nr. 3 6 , 
I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="192" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat dit 
amendement met algemene stemmen 
is aangenomen. 
Artikel 6 1 , zoals het is gewijzigd door 
de aanneming van het amendement-
Janmaat-Abee/Franssen (stuk nr. 3 6 , 
I), wordtzonder stemming aangeno-
men. 
De artikelen 61A, 61 B, 62 en 63 
worden zonder stemming aangeno-
men . 
In stemming komt het amendement-
Konings c.s. (stuk nr. 3 2 , I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="193" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen dit amendement 
nebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
verworpen. 
Ik stel vast, dat door de verwerping 
van dit amendement de andere op 
stuk nr. 32 voorkomende amende 
menten als verworpen kunnen 
worden beschouwd. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Milieubeheer 
Onderwijs en Wetenschappen 
2093 Artikel 64 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 65 t/m67 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Evenhuis c.s. (stuk nr. 37, I) tot 
invoeging van een artikel 67a.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="194" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat dit 
amendement met algemene stemmen 
is aangenomen. 
De artikelen 68 t/m75 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Janmaat-Abee/Franssen (stuk nr. 3 6 , 
II).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="195" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat dit 
amendement met algemene stemmen 
is aangenomen. 
Artikel 76, zoals het is gewijzigd door 
de aanneming van het amendement-
Janmaat/Franssen (stuk nr. 3 6 , II), 
wordt zonder stemming aangenomen. 
Artikel 77 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Janmaat-Abee/Franssen (stuk nr. 3 6 , 
III).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="196" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat dit 
amendement met algemene stemmen 
is aangenomen. 
Artikel 78, zoals het is gewijzigd door 
de aanneming van het amendement-
Janmaat-Abee/Franssen (stuk nr. 3 6 , 
III), wordtzonder stemming aangeno-
men. 
Artikel 79 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Evenhuis c.s. (stuk nr. 37, II).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="197" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de VVD, het CDA, de SGP, de RPF, 
het GPV en de CPN en de leden 
Wagenaar en Janmaat voor dit 
amendement hebben gestemd en die 
van de overige fracties ertegen, 
zodat het is aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Janmaat-Abee (stuk nr. 36, IV).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="198" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat voor dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ertegen, zodat het is 
aangenomen. 
Artikel 80, zoals het is gewijzigd door 
de aanneming van het amendement-
Evenhuis c.s. (stuk nr. 3 7 , II) en het 
amendement-Janmaat-Abee/FranS&quot; 
sen (stuk nr. 36, IV), wordtzonder 
stemming aangemomen. 
De artikelen 81 t/m 8 9 , 89A en 9 0 
worden zonder stemming aangeno-
men. 
In stemming komt het amendement-
Worrell/Konings (stuk nr. 3 3 , I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="199" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
verworpen. 
Ik stel vast, dat door de verwerping 
van dit amendement het andere op 
stuk nr. 33 voorkomende amende-
ment als verworpen kan worden 
beschouwd. 
Artikel 91 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 92 t/m109 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement 
Niessen/Konings (stuk nr. 34).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="200" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat het is 
verworpen. 
Artikel 110 wordt zonder stemming 
aangenomen. 
De artikelen 111 t/m1 1 6 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement 
Den Ouden-Dekkers/Evenhuis (stuk 
nr. 5 4 , I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="201" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de VVD, de PvdA, D'66, de PPR en 
de EVP en de leden Scholten en 
Janmaat voor dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ertegen, zodat het is 
aangenomen. 
Artikel 117, zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 54, I), wordtzonder stem 
ming aangenomen. 
De artikelen 11 8 en 119 worden 
zonder stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Wallage-Van Ooijen (stuk nr. 3 1 , II).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="202" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de PvdA, D'66, de PPR en de EVP en 
het lid Scholten voor dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ertegen, zodat het is 
verworpen. 
In stemming komt het amendement-
Den Ouden-Dekkers/Evenhuis (stuk 
nr. 54, II).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="203" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de SGP, de RPF en het GPV 
en het lid Wagenaar tegen dit 
amendement hebben gestemd en die 
van de overige fracties ervoor, zodat 
het is aangenomen. 
Ik stel vast, dat door de aanneming 
van dit amendement de overige op 
stuk nr. 5 4 voorkomende amende-
menten als aangenomen kunnen 
worden beschouwd. 
In stemming komt het amendement-
Wallage/Konings (stuk nr. 3 5 , I).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="204" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de PvdA, D'66, de PPR en de EVP en 
het lid Scholten voor dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ertegen, zodat het is 
verworpen. 
Ik stel vast, dat door de verwerping 
van dit amendement de andere op 
stuk nr. 35 voorkomende amende-
menten als verworpen kunnen 
worden beschouwd. 
Artikel 120, zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 54, II), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
In stemming komt het amendement-
Wallage/Van Ooijen (stuk nr. 3 1 , III).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="205" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de PvdA, D'66, de PPR en de EVP en 
het lid Scholten voor dit amendement 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ertegen, zodat het is 
verworpen. 
Ik stel vast, dat door de verwerping 
van dit amendement de overige op 
stuk nr. 31 voorkomende amende-
menten als verworpen kunnen 
worden beschouwd. 
Artikel 1 2 1 , zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 5 4 , III), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Onderwijs en Wetenschappen 
2 0 9 4 Artikel 122, zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 5 4 , IV), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
Artikel 123, zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 54, V), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
Artikel 124, zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 54, VI), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
Artikel 125, zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 54, VII), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
Artikel 126, zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 54, VIM), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
Artikel 127, zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 54, IX), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
Artikel 128, zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 54, X), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
Artikel 129, zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 54, XI), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
Artikel 130, zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 54, XII), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
Artikel 1 3 1 , zoals het is gewijzigd 
door de aanneming van het amende-
ment-Den Ouden-Dekkers/Evenhuis 
(stuk nr. 5 4 , XIII), wordt zonder 
stemming aangenomen. 
De artikelen 132 t/m311 worden 
zonder stemming aangenomen. 
Het gewijzigde artikel I wordtzonder 
stemming aangenomen. 
De artikelen II t/mIV en de beweeg-
reden worden zonder stemming 
aangenomen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="206" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, de 
eindstemming volgende week te 
houden. 
Daartoe wordtbesloten. 
Het wetsvoorstel 19 2 0 0 - V I I I , nr. 4 
wordt, na goedkeuring van de 
onderdelen, zonder stemming 
aangenomen. 
In stemming komt de motie-Konings 
( 1 9 2 0 0 - V I I I , nr. 38).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="207" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Wagenaar en 
Janmaat tegen deze motie hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ervoor, zodat zij is verworpen. 
In stemming komt de motie-Konings 
( 1 9 2 0 0 - V I I I , nr. 39).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="208" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV, en de leden Wagenaar, 
Scholten en Janmaat tegen deze 
motie hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
verworpen. 
In stemming komt de motie-Janmaat-
Abeec .s. (19 200-VIII, nr. 43).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="209" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de PvdA en D'66 tegen deze motie 
hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
aangenomen. 
In stemming komt de motie-Mik 
( 1 9 2 0 0 - V I I I , nr. 44).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="210" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Janmaat en 
Wagenaar tegen deze motie hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ervoor, zodat zij is verworpen. 
In stemming komt de motie-Konings 
( 1 9 2 0 0 - V I I I , nr. 47).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="211" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA en de VVD en de leden 
Wagenaar en Janmaat tegen deze 
motie hebben gestemd en die van de 
overige fracties ervoor, zodat zij is 
verworpen. 
In stemming komt de motie-Konings 
( 1 9 2 0 0 - V I I I , nr. 48).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="212" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
het CDA, de VVD, de SGP, de RPF en 
het GPV en de leden Janmaat en 
Wagenaar tegen deze motie hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ervoor, zodat zij is verworpen. 
In stemming komt de motie-Hermes 
c.s. ( 1 9 2 0 0 - V I I I , nr. 49).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="213" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat 
deze motie met algemene stemmen 
is aangenomen. 
In stemming komt de motie-Janmaat-
Abee (19 2 0 0 - V I I I , nr. 50).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="214" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fractie van 
de VVD tegen deze motie hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ervoor, zodat zij is aangeno-
men. 
In stemming komt de motie-Janmaat-
Abee/Willems ( 1 9 2 0 0 - V I I I , nr. 51).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="215" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de VVD, de RPF en het GPV en de 
leden Wagenaar en Janmaat tegen 
deze motie hebben gestemd en die 
van de overige fracties ervoor, zodat 
zij is aangenomen. 
In stemming komt de motie-Evenhuis/ 
Den Ouden-Dekkers ( 1 9 2 0 0 - V I I I , nr. 
52).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="216" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat de 
aanwezige leden van de fracties van 
de VVD, D'66 en de SGP en het lid 
Janmaat voor deze motie hebben 
gestemd en die van de overige 
fracties ertegen, zodat zij is verwor-
pen. 
In stemming komt de motie-Den 
Ouden/Dekkers (19 200-VIII, nr. 53).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="217" naam="De voorzitter">
 Ik constateer, dat 
deze motie met algemene stemmen 
is aangenomen. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de  beantwoording
 van vragen , gesteld overeenkomstig 
artikel 122 van het Reglement van 
Orde door het lid Beckers-de Bruijn 
aan de minister-president,  over de 
 plaatsing van S S - 2 0 raketten .  
<spreker pagina="" anker="218" partij="PPR" naam="Beckers -de Bruijn">
 
Mijnheer de Voorzitter! Ik wil de 
volgende vragen aan de minister-pre-
sident stellen. 
1. Hebtukennis genomen van de 
berichten dat Kenneth Adelman, 
directeur van het bureau voor 
bewapeningscontrole en ontwape-
ning ACDA, heeft bevestigd, dat de 
Sovjet-Unie het aantal in de Europese 
zone opgestelde SS-20-raketten 
inmiddels met 5 4 heeft verminderd? 
2. Moet het aantal van 387 nu als 
het officiële aantal SS-20-raketten 
worden beschouwd, dat op 1 
november jongstleden operationeel 
was? 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Onderwijs en Wetenschappen 
Vragen 
2095 3. Op welke datum is deze 
reductie door Amerikaanse satellieten 
vastgesteld? 
4. Zijn de NAVO-landen al van 
deze nieuwe gegevens op de hoogte 
gesteld? Zo ja, wanneer bentu
daarover ingelicht? 
5. Is hetubekend, dat volgens 
andere Amerikaanse bronnen het 
totale aantal SS-20's niet 387 is 
maar 369? 
6. Bentubereid, deze Kamer 
ruimschoots voor het debat over de 
Goedkeuringswet (kamerstuk 
19 290) volstrekte helderheid te 
verschaffen over het precieze aantal 
SS-20's per 1 november 1985?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="219" naam="Minister Lubbers">
 Mijnheer de 
Voorzitter! De in de vraag van de 
geachte afgevaardigde vermelde 
berichtgeving is onjuist geciteerd. 
Ongetwijfeld is de vraag gebaseerd 
op bepaalde kranteberichten, maar 
zo geciteerd is de berichtgeving 
onjuist geciteerd. Het is volgens mij 
nuttig om hier op te merken dat in 
reactie op in sommige persberichten 
verschenen interpretaties van zijn 
uitspraken de heer Adelman op 3 
december jl . een verklaring heeft 
afgelegd, waarin hij heeft gepreci-
seerd dat een vermindering van de 
SS-20-bedreiging niet is waargeno-
men en waarin hij bevestigt dat het 
SS-20-arsenaal uit 4 4 1 raketten 
bestaat. Dat zijn dus raketten die in 
geval van crisis zouden kunnen 
worden ingezet. Ik citeer alsuhet 
goed vindt in het Engels wat de heer 
Adelman op 3 december heeft  verklaard: Wehave seen no such 
reduction of the SS 2 0 threat. I can 
confirm that the Soviet S S - 2 0 force 
consists of 4 4 1 launchers, all of 
which could be made available for 
use inacrisis. 
Het misverstand vloeit volgens mij 
voort uit het feit dat de heer Adelman 
in een interview heeft gezegd dat een 
beperkt aantal SS-20-systemen van 
hun stationaire installaties was 
verwijderd, maar dat wettigtnog niet 
de conclusie, zoals ook blijkt uit het 
citaat dat ik zoeven gaf, dat het 
aantal inzetbare SS-20's daarmee 
daadwerkelijk zou zijn gereduceerd. 
Ten overvloede, maar ten behoeve 
van de Nederlandse situatie en het 
1-junibesluit, voeg ik eraan toe dat in 
ieder geval vaststaat dat ook bij deze 
eventueel tijdelijk mobiel gemaakte 
systemen er meer dan 3 7 8 geplaatst 
waren en zijn. Ik verwijs naar blz. 2, 
onderaan van de zgn. 1-november-
brief, waar wordt gesproken over 
'hoger dan 3 7 8 ' . 
Het moment van inlichting is deels 
de periodieke informatie. Hier is in 
het bijzonder iets aan de orde 
geweest, nl. een interview met een 
nadere toelichting en precisering. 
In de vijfde vraag van de geachte 
afgevaardigde wordt gesproken van 
andere Amerikaanse bronnen, zoals 
Aviation Week. Ik zou het willen 
houden op de officiële mededelingen 
ter zake, mededelingen die periodiek 
gedaan worden. 
Ik kom op de laatste vraag, nl. of 
wij bereid zijn, eventueel verdergaan-
de informatie te verschaffen. Zeker, 
indien er ontwikkelingen zijn, zal die 
informatie zeker gegeven worden. 
Waaromniet, zou ik zo zeggen!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="220" partij="PPR" naam="Beckers -de Bruijn">
 
Voorzitter! Op 2 oktober schrijft de 
heer Gorbatsjov aan de heer Lubbers 
dat een geringe hoeveelheid SS 
20-raketten die na 1 juni 1984 als 
vergelding was geplaatst aan het 
gevechtsklare bestand is onttrokken 
en dat er in de Europese zone thans 
243 staan. Bij het 1-novemberbesluit 
is de regering uitgegaan van het 
getal dat al weken circuleerde, en 
vlak voor 1 november door de 
Amerikanen officieel bekend werd 
gemaakt, nl. 4 4 1 . Ook als men die 
4 4 1 verminderde met wat Gorbatjsov 
een geringe hoeveelheid SS-20's 
noemde, was de conclusie niet 
aanvechtbaar dat het totale aantal 
hoger was dan 378. 
Dat leidde voor regering en 
kamermeerderheid tot een plaatsings-
besluit en gaf ons geen aanleiding 
om dat aan te vechten. Twee weken 
na dat kamerdebat komt het Ameri-
kaanse bureau voor wapenbeheersing 
met een heel ander beleid. Ik houd 
dat staande, ik heb mijn informatie 
gecontroleerd. Het aantal van 243 
klopte, daarvoor waren 5 4 SS-20's 
weggehaald. Dat waren de opmerkin-
gen van de heer Adelman. Dat hij ze 
later op verzoek heeft herroepen, is 
een ander verhaal. Het totaal blijft 
3 8 7 , veel minder dan hier werd 
aangenomen. Een andere gezagheb-
bende Amerikaanse bron noemt een 
nog lager aantal. 
Voorzitter! Het gaat mij erom dat 
het kamerdebat, als deze informatie 
daarbij bekend was geweest, anders 
had kunnen aflopen, dat er dan 
wellicht wel reden tot uitstel zou zijn 
geweest om opheldering te verkrijgen, 
want ook van de basis weggehaalde 
SS-20's zijn geen operationele 
SS-20's, zo hebben wij hier vastge-
steld. 
Voorzitter! De regering heeft 1 
november als peildatum genomen 
voor het aantal geplaatste SS-20's, 
niet voor het bekend maken van het 
aantal raketten dat eerder was 
opgesteld. Ik vraag de minister 
nogmaals - hij doet dat te gemakkelijk 
af - om tijdig voor de goedkeuring 
van de overeenkomst bekend te 
maken, hoeveel SS-20's er op 1 
november officieel waren.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="221" naam="Minister Lubbers">
 Mijnheer de 
Voorzitter! De mogelijkheid dat een 
aantal SS-20-raketten weggehaald 
zou worden uit het westelijke deel 
van de Sovjet-Unie, was bekend ten 
tijde van het 1 novemberbesluit en 
het debat daarover. Dat moge ook 
blijken uit de gepubliceerde briefwis-
seling, die de overigens mondeling 
verstrekte informatie van de heer 
Gorbatsjov bevatte. Laat daarover 
geen misverstand bestaan. Het was 
dus mogelijk dat het aantal van 441 
verminderd zou worden. Dan bleef 
dus de vraag over, wat er met die 
systemen gedaan zou worden ; 
zouden ze worden verplaatst naar 
andere bases, verder weg gelegen? 
Daarover hoef ik niet te speculeren, 
ik kan me beperken tot de volgende 
vaststelling, denk ik. Zelfs met de 
meest ruime interpretatie van de 
mogelijkheid van vermindering van 
het aantal op enig moment fysiek 
geplaatste raketten - er vinden 
immers transporten van raketten 
plaats - was een vermindering van 
4 4 1 raketten tot een aantal onder 
3 7 8 eigenlijk ondenkbaar. 
Nu heeft mevrouw Beckers in haar 
aanvullende vraag een rekensom 
gemaakt, zich baserend op een getal 
van 54, dat genoemd zou zijn. Als ik 
dat van 441 aftrek, dan kom ik 
theoretisch, als ik het zo mag 
formuleren - het gaat daarbij niet om 
het aantal raketten dat snel inzetbaar 
is, maar om het aantal dat op een 
bepaald moment wellicht geplaatst 
was - op een getal van 3 8 7 . Als wij 
dat geweten hadden, dan zou dat 
een ander licht op het debat geworpen 
hebben, aldus mevrouw Beckers. Dat 
laatste bestrijd ik. Het gegeven dat 
het niet onmogelijk was dat dat getal 
van 441 met enige dozijnen vermin-
derd zou worden - zie ook de brief 
van de heer Gorbatsjov - dat was 'all 
in the game'. Het punt was in het 
debat - dat gold ook voor ons in onze 
laatste contacten met de Sovjet-Unie 
op dit ount - of dit zou kunnen leiden 
tot een aantal van 3 7 8 of minder. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Vragen 
2 0 9 6 

	

Daarop moest het antwoord in ieder 
geval 'neen' zijn. Dat is dat. 
Nu begrijp ik dat mevrouw Beckers 
vraagt, andermaal na te gaan of het 
mogelijk is, een preciezer cijfer te 
geven van het aantal raketten boven 
3 7 8 dat op 1 november geplaatst 
was. Wij hebben ons in de minister-
raad, gelet op de steeds binnenko-
mende informatie, beperkt tot de 
vaststelling dat het getal in ieder 
geval hoger was dan 3 7 8 , zelfs 
rekening houdend met de onzeker-
heid in verband met mogelijke 
verplaatsingen van raketten. En dat 
was het criterium uit het 1 -junibesluit. 
Wij hielden er wel rekening mee dat 
het niet onmogeljk was dat er althans 
in het westelijke deel van de Sovjet-
Unie minder raketten zouden 
overblijven - je moet je dan natuurlijk 
wel afvragen, of ze niet naar elders 
verplaatst worden - maar wij hebben 
dit toch geen punt van overweging 
gevonden. 
En ik geloof dat het ook met 
terugwerkende kracht geen punt is. 
Het aantal systemen dat op zeer 
korte termijn inzetbaar is, is 4 4 1 , 
zelfs als een aantal daarvan zich in 
de transportfase bevindt, als die 
raketten van de ene basis naar de 
andere overgebracht worden . Gelet 
op het patroon van de basis en 
afgaande op alle satellietwaarnemin-
gen waren het in ieder geval duidelijk 
meer dan 3 7 8 . Welnu , dat stond in 
het 1-junibesluit.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="222" partij="PSP" naam="Van der Spek">
 
Mijnheer de Voorzitter! Het 1 -junibe-
sluit van Nederland en de consequen-
tie die daaruit op 1 november is 
getrokken, richten zich op het aantal 
geplaatste, deployed, SS-20-raketten. 
Vandaar mijn vraag, of de minister 
erkent dat, wanneer de gegevens van 
Aviation Week juist zijn, namelijk een 
aantal van 369 geplaatste raketten, 
in dit geval op 1 november een 
andere consequentie zou zijn 
getrokken dan nu gebeurd is. 
De minister-president heeft zojuist 
gezegd dat de heer Adelman op 3 
december, als het ware bij nader 
inzien, heeft gezegd dat er geen 
sprake is van vermindering van de 
bedreiging en dat er 441 raketten zijn 
die in crisissituaties available, 
beschikbaar, zijn. Heeft de heer 
Adelman zijn eerdere mededeling, 
dat er 54 minder deployed, geplaatst, 
waren, ingetrokken? 
Kan de minister-president precies 
of anders bij benadering aangeven 
hoeveel, wanneer het NAVO-plaat-
singsprogramma van 572 long range 
tactical nuclear forces zou zijn 
voleindigd, meer van deze 
raketten (Pershings II en Tomahawks), 
dus bovenop de 5 7 2 , in de Verenigde 
Staten available zijn om snel over te 
vliegen naar West-Europa?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="223" naam="Minister Lubbers">
 Voorzitter! Het 
eerste deel van de laatste vraag van 
de heer Van der Spek, of er een 
pijplijn mogelijk is voor overvliegen 
vanuit de Verenigde Staten, denk ik 
met 'ja' te kunnen beantwoorden. Op 
het tweede deel van de vraag, 
hoeveel dat betreft, kan ik hier geen 
antwoord geven. 
De tweede vraag van de heer Van 
der Spek kan ik wel beantwoorden. In 
zijn persrelease van 3 december 
geeft de heer Adelman de volgende 
onderbouwing van zijn stelling met 
betrekking tot het aantal van 4 4 1 ; 
om geen problemen te krijgen door 
een te vrijmoedige vertaling geef ik  de letterlijke tekst: 'Due to the 
inherent mobility and transportability 
of these SS-20's, limitations and 
reductions of these missiles must be 
dealt with onaglobal basis. 
The threat the Soviet SS-20 force 
represents for the western democra-
cies cannot be measured by those 
missiles deployed solely in the 
western or eastern USSR; it can only 
be measured by the global number of 
S S - 2 0 launchers. That global 
approach has served, and will 
continue to serve, as the basis for 
NATO's efforts to limit, reduce and 
eventually eliminate this class of 
nuclear weapons'. 
De heer Adelman heeft ook nog  gezegd: er is misschien een aantal 
raketten die op een gegeven moment 
tijdelijk weggehaald zijn van een 
infrastructuur; die infrastructuur is 
echter behouden, dus kunnen de 
desbetreffende raketten daar zo weer 
geplaatst worden. In dit verband  maakt hij de volgende vergelijking: 
'So it is almost like unplugging some 
appliances that you have in your 
kitchen' - uitera^-ti laat ik deze 
woorden voor rekening van de heer 
Adelman - 'and say the number of 
appliances in use is down . You could 
go back and plug them in very 
quickly and have the number come 
up once again.' Tot zover de analyse 
van de heer Adelman. 
Wat de Nederlandse situatie 
betreft, wil ik niet verhelen dat wij 
een en ander hebben afgewogen 
naar aanleiding van de brief van de 
heer Gorbatsjov. Wij hebben die brief 
bestudeerd; wij hebben de inhoud 
daarvan ook ernstig genomen. 
Daarbij hebben wij ons afgevraagd 
wat de betekenis is van datgene wat 
in die brief wordt aangekondigd, dus 
als dat ook gebeurt. Als namelijk de 
bedoelde systemen worden wegge-
haald, zijn er ook minder geplaatst. 
Naar mijn vaste overtuiging 
behoorde dat tot de geest van de 
Nederlandse besluitvorming. Het 
werd immers beoogd. Er moest ook 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Vragen 
2097 

	

betekenis aan worden gehecht. Dat 
was de principiële, eerste vraag van 
de heer Van der Spek. 
Ik zal mij niet begeven in de 
speculatie van Aviation Week. Als 
dat het geval was geweest, waren wij 
in de situatie gekomen om een 
evaluatie te maken en de betekenis 
ervan te bezien. Het is, anders 
gezegd, toch wel iets anders of de 
heer Gorbatsjov zegt dat hij bereid is, 
het aantal tot 2 4 3 te verminderen, 
dan wel dat er in - ik noem maar wat 
- oost-Azië twaalf raketten van de 
ene basis naar de andere onderweg 
zijn. 
Ik moet dan ook herhalen watik in 
eerste termijn heb gezegd, namelijk 
dat ook in de meest strikte definitie 
van het aantal feitelijk, dus fysiek 
geplaatste SS-20-systemen - zelfs 
als men geen betekenis toekent aan 
systemen in transit; dit hangt erg af 
van de context - dit aantal groter 
was en is dan 3 7 8 . De heer Van der 
Spek vroeg of wijook de systemen 
meerekenen die in de Verenigde 
Staten zijn. Dat is een extremiteit. 
Een andere extremiteit is dat zij op 
een of twee kilometer van de basis 
zijn verwijderd. Wij behoefden niet in 
te gaan op al deze speculaties, 
omdat het feitelijk geplaatste aantal 
raketsystemen - op de bases - groter 
was en is dan 3 7 8 .  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="224" partij="PPR" naam="Lankhorst">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Eén ding staat in ieder 
geval vast. Dat is dat het kabinet, dat 
als toetsingsdatum 1 november 
hanteerde, op diezelfde eerste 
november niet precies kon weten 
hoeveel SS-20's er in de Sovjet Unie 
stonden opgesteld. Het kost immers 
drie, vier, vijf weken voordat men de 
satellietfoto's precies geanalyseerd 
heeft. Op de toetsingsdag, te weten 
1 november, kon de regering dus niet 
precies weten hoevel SS-20's er 
stonden opgesteld. 
Vandaar dat mijn fractie nog 
steeds van de minister-president de 
toezegging wil hebben dat hij nog 
vóór het debat over de goedkeurings-
wet officieel aan deze Kamer meldt 
hoeveel SS-20's er in de Sovjet-Unie 
stonden opgesteld op 1 november jl . 
Deze toezegging heeft de minister-
president nog steeds niet gedaan. 
Mijn fractie hoopt dat er geen 
kameruitspraak voor nodig is om de 
minister-president zo ver te krijgen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="225" naam="Minister Lubbers">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik wil graag bekijken 
welke gegevens wij hebben. Ik moet 
echter herhalen dat in de inleiding tot 
deze vraag de zaak onzuiver wordt
gesteld. Zij wekt de suggestie dat de 
regering eigenlijk niet wist wat er aan 
de hand was. De regering wist het 
echter exact. Wij wisten dat er meer 
waren dan 378. Dat wisten wij door 
een dubbele controle; door informatie 
die ons door de Verenigde Staten is 
verschaft, maar ook door informatie 
uit de Sovjet-Unie. De Sovjet-Unie 
heeft nooit ontkend dat er meer 
waren dan 378. De Sovjet-Unie zou 
ons anders wel degelijk duidelijk 
hebben gemaakt dat er maar 3 7 8 
waren. 
Blijft over de vraag, of wij met 
terugwerkende kracht met betrekking 
tot de aantallen boven 3 7 8 nog een 
catalogisering kunnen geven van de 
exacte momenten waarop alle 63 
systemen bovenop de 3 7 8 waren 
geplaatst, dan wel of er nog iets 
waarneembaar was van - wat ik 
noem - het Adelman-effect, dus dat 
er 18 of 27 raketten onderweg waren 
van de ene basis naar de andere. Ik 
weet werkelijk niet of ik deze 
informatie kan verkrijgen. Ik zal mij in 
ieder geval beraden op wat ik de 
heer Lankhorst kan berichten. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de  beantwoording
 van vragen , gesteld overeenkomstig 
artikel 122 van Reglement van Orde 
door het lid Willems aan de staatsse-
cretaris voor Onderwijs en Weten • 
schappen, de heer Van Leijenhorst, 
 over eenreis naar Marokko .  
<spreker pagina="" anker="226" partij="PSP" naam="Willems">
 Voorzitter! 
Mijn vragen luiden als volgt. 
1. Is het waar, dat op 1 5 december 
a.s. een delegatie van het ministerie 
van Onderwijs en Wetenschappen 
onder leiding van de staatssecretaris 
een bezoek brengt aan Marokko? 
2. Wat is het doel van dit bezoek? 
3. Wie maken deel uit van deze 
delegatie? Wat zijn de laatste 
gegevens over het tekort aan 
bevoegde leerkrachten voor de 
verzorging van onderwijs in de 
Marokkaanse taal en cultuur? Wat dit 
betreft verwijs ik naar de schriftelijke 
antwoorden op de vragen die zijn 
gesteld tijdens de behandeling van 
de begroting van Onderwijs en 
Wetenschappen voor 1986. 
5. Vormen deze cijfers de aanlei-
ding voor het bezoek aan Marokko? 
Zo nee, wat is dan de aanleiding om 
nu naar Marokko te vertrekken?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="227" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Mijnheer de Voorzitter! De antwoor-
den op de vragen 1 en 3 zijn als 
volgt. Op 15 december aanstaande 
vertrekken vier leden van de gemeng -
de commissie Nederland/Marokko 
voor een kort bezoek aan Marokko. 

Tweede Kamer 
10 december 1985 
Vragen 
2098 Deze delegatie bestaat uit één 
vertegenwoordiger namens de 
Vereniging van Nederlandse Gemeen-
ten, één vertegenwoordiger namens 
de bijzondere bestuurorganisaties en 
een tweetal ambtenaren van het 
ministerie van Onderwijs en Weten -
schappen. Ik zal zelf Marokko dus 
niet aandoen. De aanleiding tot dit 
bezoek is een eenvoudige. 
Evenals met andere landen waaruit 
etnische minderheden afkomstig zijn, 
wordt met Marokko periodiek overleg 
gevoerd over onderwerpen die de 
belangen betreffen van de leerlingen 
die hier onderwijs genieten. Dit 
overleg wordt, zoals ik al zei, gevoerd 
door een gemende commissie. Het 
laatst kwam deze gemengde commis-
sie bijeen in november 1984 in 
Nederland, ditmaal, een jaar later, in 
Marokko. 
Naar aanleiding van vraag 2 kan ik 
mededelen dat het doel van dit 
bezoek is om in overleg met de 
Marokkaanse delegatie in de gemeng-
de onderwijscommissie tot duidelijke 
afspraken te komen over, onder 
meer, de mogelijkheden van detache-
ring en/of buitengewoon verlof voor 
buitenlandse leerkrachten die vanuit 
Marokko in een zodanige functie zijn 
of worden benoemd. Voorts zal 
overlegd moeten worden op welke 
wijze voortgang kan worden gegeven 
aan de bijdrage van Nederlandse 
zijde aan de opleiding en deskundig-
heidsbevordering met betrekking tot 
de Marokkaanse visserij. 
Ook over de mogelijkheden tot 
samenwerking op overige terreinen 
van beroepsonderwijs zal van 
gedachten worden gewisseld. 
Bovendien wordt er gesproken over 
de organisatie van een gezamenlijke 
studieconferentie inzake de Neder-
lands/Marokkaanse relatie op het 
wetenschappelijk terrein, dat in het 
voorjaar in Marokko kan worden 
gehouden. 
Ten behoeve van aan de onderwijs 
attaché gerichte verzoeken van 
Nederlandse schoolbesturen om 
bemiddeling bij de werving van 
leerkrachten, zal worden nagegaan 
op welke wijze deze bemiddeling kan 
worden gecontinueerd en of hiervoor 
voldoende potentiële kandidaten 
aanwezig zijn. 
In antwoord op vraag 4 en 5 deel 
ik mede dat ik de Kamer, zoals ik 
reeds heb toegezegd, een prognose 
zal verstrekken van de actuele en te 
verwachten vraag naar Marokkaanse 
leerkrachten. Hoewel recentelijk 
daartoe verrichte peilingen hebben 
aangetoond dat er momenteel een 
groot aantal vacatures voor leerkrach-
ten in de Arabische taal en cultuur 
bestaat - het gaat hier om circa 80 
fulltime-formatieplaatsen - wil ik de 
werkelijke tekortcijfers pas vaststellen 
als de resultaten van de zogenaamde 
noodmaatregel bekend zijn. 
Op 4 december jongstleden heeft 
een groot aantal in ons land verblij-
vende Marokkanen deelgenomen aan 
een toets om na te gaan of zij 
gekwalificeerd zijn om via een korte 
opleiding de bevoegdheid voor het 
geven van onderwijs in eigen taal en 
cultuur te verwerven. De uitslag 
daarvan zal, naar het zich laat 
aanzien, aan het einde van deze 
maand bekend zijn.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="228" naam="De voorzitter">
 De heer Willems 
meent dat vraag 5 nog niet is 
beantwoord. 
De Staatssecretaris Van Leijen-  horst: Ik meen dat vraag 5 voldoende 
is beantwoord toen ik sprak over de 
aanleiding van het bezoek van deze 
gemengde commissie aan Marokko.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="229" partij="PSP" naam="Willems">
 Voorzitter! 
Het stemt mij in ieder geval tevreden, 
dat het geen bezoek van de staatsse-
cretaris zelf is maar dat het bezoek 
een min of meer technisch karakter 
heeft. De staatssecretaris zal zich 
namelijk herinneren, dat het cultureel 
akkoord met Marokko, in het kader 
waarvan dit bezoek zou plaatsvinden, 
zeer omstreden was. Bovendien komt 
het op zijn vroegst eerst de volgende 
week in de Eerste Kamer ter behan-
deling en het zou wat vroeg zijn om 
er nog meer status aan te geven dan 
het al heeft. 
Voorzitter! Mijn bezwaren richten 
zich op dit moment vooralop het feit, 
dat het er door dit bezoek en door de 
omschrijving die de staatssecretaris 
eraan geeft, toch naar uitziet dat de 
staatssecretaris meer aandacht 
wenst te besteden aan de werving 
van leerkrachten in Marokko dan aan 
de opleidingen en de aanvullende 
cursussen in Nederland. Als je alle 
energie stopt in het uitbreiden van de 
cursusmogelijkheden in Nederland, 
heb je naar mijn mening zeker zo snel 
een aantal bekwame Marokkaanse 
OETC-leerkrachten voor het volgende 
schooljaar als wanneer je de werving 
alsnog een stimulans geeft. Blijkens 
de omschrijving van het bezoek door 
de staatssecretaris staat het toch 
naar mijn mening een beetje in het 
kader van die werving, al zijn daarbij 
ook andere punten aan de orde. 
Voorzitter! Ik zou graag van de 
staatssecretaris willen weten of er 
ook sprake zal zijn van contacten met 
potentiële Marokkaanse leerkrachten 
in Marokko door de commissie 
- waardoor het feitelijk ook een soort 
wervingsbezoek is - en of hij bereid 
is om zo spoedig mogelijk prognoses 
over de volgende jaren aan de Kamer 
voor te leggen, omdat wij pas dan 
tijdig noodzakelijke en ander beleid 
daarop kunnen afstemmen. Daardoor 
kunnen in Nederland verblijvende 
Marokkaanse mensen in aanmerking 
komen voor de cursussen die de 
staatssecretaris voor hen wenst op te 
zetten. Daarin bestaat nog onvoldoen-
de inzicht. Nog maar pas geleden 
was het tekort 35, nu blijkt het al 
weer 8 0 te zijn. Het kan nog wel eens 
verder tegenvallen en daarom is het 
dringend nodig, dat wij zo spoedig 
mogelijk helderheid van de staatsse-
cretaris krijgen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="230" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Mijnheer de Voorzitter! Het is 
duidelijk, dat dit bezoek van de 
gemengde commissie een min of 
meer technisch karakter heeft. Dat is 
ook door de heer Willems onderkend 
en ik ben er blij om, dat hij in dit 
opzicht is gerust gesteld. 
Het bezoek vindt op een gunstig 
maar ook noodzakelijk tijdstip plaats. 
Ik heb zoeven al gezegd, dat de 
gemengde commissie al ruim een 
jaar geleden heeft vergaderd. Dat 
gebeurde in Nederland en de beurt is 
nu aan Marokko. Een aantal zaken 
behoeft dringend bespreking en een 
daarvan heeft de grootste belangstel-
ling van de heer Willems, namelijk de 
werving van Marokkaanse leerkrach-
ten in Marokko. Er zijn nog steeds 
schoolbesturen die op welke wijze 
dan ook trachten om via bemiddeling 
van de onderwijsattaché in Marokko 
leerkrachten voor hun school te 
vinden. Daarover is dus overleg 
noodzakelijk. 
De heer Willems heeft gevraagd 
naar prognoses voor meerdere jaren. 
Ik heb hem en de Kamer zoeven 
toegezegd bereid en voornemens te 
zijn zo spoedig mogelijk de cijfers 
daarover aan de Kamer te verstrekken, 
inbegrepen de resultaten van de 
deelnemers die opteerden voor de 
noodmaatregel. 
Voorzitter! In augustus heb ik al 
gezegd, dat de nadruk ligt op de 
opleiding van leerkrachten voor 
onderwijs in eigen taal en cultuur 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Vragen 
2099 hier. Aanvulling vanuit Marokko zal 
geschieden daar waar dat noodzake-
lijk is.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="231" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Voorzitter! 
Is het juist, dat er een zekere mate 
van tegenstrijdigheid zit in de 
aankondiging van de staatssecretaris, 
dat hij pas echt de behoefte aan 
leerkrachten in de Marokkaanse taal 
en cultuur kan vaststellen, als de 
resultaten van de noodmaatregel 
bekend zijn, aan het eind van deze 
maand? Hij gaat niet uit van het 
aantal vacatures op dit moment, 8 0 , 
maar hij neemt daarin de resultaten 
mee van die noodmaatregel. Tegelij-
kertijd wordtdoor de gemengde 
commissie al deze maand in elk geval 
onder andere gesproken over de 
werving van Marokkaanse leerkrach-
ten in Marokko, kennelijk zonder dat 
de definitieve vaststelling van de 
behoefte aan Marokkaanse leerkrach-
ten op dat moment bekend is. 
Overweegt de staatssecretaris, 
gelet op het grote aantal aanmeldin-
gen vóór de noodmaatregel, deze 
exercitie binnenkort over te doen?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="232" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Mijnheer de Voorzitter! Ik meen dat 
er geen strijdigheid in mijn opmerkin-
gen zit. Ik heb gezegd dat ik, juist om 
een goed inzicht te krijgen in het 
tekort aan het tekort aan Marokkaanse 
leerkrachten, in elk geval ook wil 
weten wat die zogenaamde nood-
maatregel aan leerkrachten oplevert. 
Dat is de ene kant. De andere kant is 
dat wij geconfronteerd worden met 
activiteiten van gemeentebesturen en 
besturen in het bijzonder onderwijs, 
waarbij getracht wordtom leerkrach-
ten in Marokko te werven. 
Daarom meen ik dat het heel goed 
is om , ook wat de voorlichting betreft 
aan de gemeenten en de schoolbe-
sturen, aan de hand van de prognose 
te weten over welk aantal leerkrachten 
wij hier kunnen beschikken, zodat dit 
ook zijn invloed kan hebben op 
hetgeen men eventueel van plan is 
met betrekking tot de werving. 
De tweede noodmaatregel is thans 
in werking. Dit heb ik in augustus 
jongstleden toegezegd, toen wijdit 
onderwerp bespraken. Ik meen dat 
de heer Ernsting daarin tevreden 
moet zijn gesteld.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="233" partij="RPF" naam=" Leerling">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ligt het nu in de bedoeling 
om in de toekomst de eventuele 
werving van de bijzondere scholen en 
de grote gemeenten, die nu buiten da 
gemengde commissie om geschiedt, 
te integreren in de procedure die via 
deze commissie verloopt? Heb ik dat 
geproefd in de woorden van de 
staatssecretaris?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="234" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Mijnheer de Voorzitter! De overheid 
heeft niet te maken met het aanstellen 
van buitenlandse leerkrachten in de 
scholen. De schoolbesturen en de 
gemeenten staat het vrij om de 
leerkrachten te zoeken zoals zij dat 
willen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="235" partij="VVD" naam="Dijkstal">
 Voorzitter! 
Aannemende dat niet zozeer na de 
toetsing, maar pas als de cursus 
doorlopen is, echt beoordeeld kan 
worden of in Nederland in de behoefte 
kan worden voorzien, begrijp ik het 
dan goed dat de staatssecretaris als 
het ware voor de zekerheid in 
Marokko de werving daar gaat 
bespreken indien dat nodig is?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="236" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Mijnheer de Voorzitter! Afgezien van 
het aantal leerkrachten dat beschik-
baar komt via die zogenaamde 
noodmaatregel, blijkt dat er school-
besturen zijn die thans tot werving 
overgaan in Marokko. De vraag is 
dan ook aan de orde, op welke wijze 
de onderwijsattaché kan bemiddelen 
om tegemoet te komen aan de 
wensen van die schoolbesturen en 
gemeenten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="237" partij="PvdA" naam="Van Ooijen">
 
Mijnheer de Voorzitter! Indien door 
bemiddeling van de onderwijsattaché 
leerkrachten in Marokko worden 
geworven door Nederlandse scholen, 
kunnen die leerkrachten dan ook 
aanspraken maken op de voorziening 
in het cultureel akkoord, dat zij naar 
Marokko kunnen terugkeren met de 
kans om opnieuw in het onderwijs te 
worden geplaatst?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="238" naam="Staatssecretaris Van Leijenhorst">
 
Mijnheer de Voorzitter! Dat is nu juist 
een van de punten waarover overleg 
gevoerd zal worden op 1 5 december 
aanstaande. Het geeft tevens het nut 
aan van het bezoek van de gemengde 
commissie aan Marokko. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de  beantwoording
 van vragen , gesteld overeenkomstig 
artikel 122 van het Reglement van 
Orde door het lid Ter Veld aan de 
staatssecretaris van Sociale Zaken en 
Werkgelegenheid,  over de verreke-
 ning vanvakantiebonnen .  
<spreker pagina="" anker="239" partij="PvdA" naam=" Ter Veld">
 Voorzitter! 
Ik wil de staatssecretaris van Sociale 
Zaken en Werkgelegenheid de 
volgende vragen stellen. 
1. Herinnert de staatssecretaris 
zich zijn toezegging, de gemeentebe-
sturen in te lichten over de handel-
wijze ten aanzien van de verrekening 
van vakantiebonnen voor werkloze 
bouwvakkers, waarbij de uitspraak 
van de Centrale Raad van Beroep als 
leidraad zou worden genomen? 
2. Wanneer zullen de gemeentebe-
sturen op de hoogte worden gesteld 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Vragen 
2 1 0 0 van de noodzaak, de vakantiebonnen 
niet in mindering te brengen op de 
uitkering? 
3. Zal de terugbetaling tevens 
plaatsvinden voor oude gevallen, ook 
voor hen die niet in beroep zijn 
gegaan tegen de verrekening van de 
vakantiebonnen met de werkloosheids-
uitkering? 
4. Zo ja, op welke wijze zal dan de 
voorlichting over de terugbetaling 
van ten onrechte verrekende vakan-
tiebonnen plaatsvinden?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="240" naam="Staatssecretaris De Graaf">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Het antwoord op vraag 
1 luidt bevestigend. 
Vraag 2 verdient het volgende 
antwoord. Ik heb heden aan de 
gemeenten een circulaire gestuurd, 
gedateerd 10 december 1985. Ik heb 
overigens ontdekt dat die circulaire al 
gisteren is verzonden. Zo snel wordt 
er dus op het departement technisch 
gewerkt. Die zaak is dus geregeld. 
Het antwoord op vraag 3 luidt, dat 
ook alle oude gevallen meegenomen 
worden. De regeling werkt dus 
volledig met terugwerkende kracht. 
Wat het antwoord op vraag 4 
betreft, zou ik willen citeren uit een 
persbericht dat onzerzijds over deze  zaak heden is uitgebracht: 'De 
staatssecretaris laat het aan de 
gemeenten over op welke wijze zij de 
uitkering van deze 'oude gevallen' 
herstellen. Om de gemeenten zo min 
mogelijk te belasten, suggereert hij 
dat uitkeringsgerechtigden zich 
hiervoor zelf bij de gemeenten 
kunnen melden. Aan deze mogelijk-
heid moet dan uiteraard wel ruime 
bekendheid worden gegeven'. 
Ik heb dat zelf gedaan door middel 
van dit persbericht. De gemeenten 
zullen dat ongetwijfeld ook zelf wel 
op een attente wijze ter hand nemen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="241" partij="PvdA" naam=" Ter Veld">
 Voorzitter! 
Ware het de eerste keer dat de 
staatssecretaris met terugwerkende 
kracht iets herstellen moet, wat hij 
eerst onjuist heeft gedaan, dan zou ik  zeggen: een kleine misser en ik ben 
nog nooit zo snel op mijn vragen 
bediend. Gisteren diende ik de 
vragen in en vandaag gaat alles uit, 
ja zelfs reeds gisterenavond! 
Wij zijn inderdaad over deze zaak 
van veel kanten benaderd. Al onze 
wethouders in de steden die te 
maken hebben met sociale zaken, 
wachten al vanaf medio oktober - dat 
was de datum, waarop de uitspraak 
van de Centrale Raad van Beroep 
heeft plaatsgevonden - op nadere 
regelgeving van de staatssecretaris. 
Wat mogen zij doen? 
Het is verheugend dat hier dezelfde 
systematiek is toegepast als destijds 
bij het overwerk, dat ten onrechte 
door de staatssecretaris niet werd 
meeverrekend in de WAO-dagloonbe-
rekening, namelijk met terugwerkende 
kracht voor alle gevallen. Ik wijs erop 
dat, toen de staatssecretaris de 
dertiende maand niet meeberekende 
in de W W V , hij dat niet voor alle 
oude gevallen had gedaan. Daarom 
heb ik deze vraag gesteld. 
Ik heb nog wat nadere vragen. Hoe 
groot acht de staatssecretaris het 
bedrag dat gemoeid zal zijn met de 
uitbetaling van deze ten onrechte in 
mindering gebrachte vakantiebon-
nen? Ik mag er toch vanuit gaan - ik 
zou graag een toezegging willen 
hebben van de staatssecretaris - dat 
hij deze inkomens, die rechtens en 
rechtmatig toekomen aan bouwvak-
kers, niet zal inboeken als een 
besparingsverlies en daarvoor niet 
alsnog de rekening naar andere 
groepen uitkeringsgerechtigden zal 
sturen? Ook daarop krijg ik graag een 
duidelijk antwoord. Hoeveel van dit 
soort zaken verwacht de staatssecre-
taris nog te krijgen naar aanleiding 
van de toekomstige stelselherziening?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="242" naam="Staatssecretaris De Graaf">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Mevrouw Ter Veld 
zegt, nog nooit zo snel bediend te 
zijn geweest. Ik denk dat die consta-
tering niet helemaal juist is. Ik 
hoorde heden, om plusminus twaalf 
uur, dat er mondelinge vragen 
gesteld zouden worden. Het kan best 
zijn dat de vragen gisteren al zijn 
afgedaan; ik acht dat niet uitgesloten 
Het besluit met betrekking tot deze 
zaak was al eerder dan vandaag en 
gisteren genomen. 
Mevrouw Ter Veld mag het dus 
niet zien als het haar nu bedienen 
vanwege het stellen van deze 
mondelinge vragen. Ik had er 
behoefte aan, dit te zeggen. Ik had 
eerlijk gezegd verwacht dat de 
vragen, nadat het mevrouw Ter Veld 
bekend was geworden dat de 
circulaire al was verstuurd, niet 
gesteld zouden worden. Ik kan mij de 
nadere vragen wel indenken en ik wil 
daarop wel ingaan. 
Allereerst wil ik ingaan op het 
bedrag dat met deze maatregel 
gemoeid zal zijn. Naar onze schatting 
is er een bedrag van 25a 3 0 min. 
gemoeid met de volledige herziening 
vanaf 1 mei 1983. Is dat een bespa-
ringsverlies? Niet in de termen die wij 
steeds gebruiken bij maatregelen die 
men treft met betrekking tot de 
bezuinigingen die men niet haalt. Dit 
is gewoon een uitkomst van een 
rechterlijke uitspraak over een 
bestaande wettelijke regeling die niet 
juist is. De consequenties daarvan 
worden door de regering genomen. 
Van een verdere verschuiving naar 
anderen is in dit opzicht geen sprake. 
Hoeveel zaken als deze zullenzch 
nog voordoen tot de invoering van de 
stelselwijzing? Deze vraag is mij niet 
helemaal duidelijk, maar ik verwacht 
dat dit soort zaken zich niet meer 
zullen voordoen. Mij is daaromtrent 

Tweede Kamer 
10 december 1985 
Vragen 
2101 althans niets bekend. Misschien dat 
het wel zal gebeuren, maar dat moet 
ik afwachten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="243" partij="PvdA" naam=" Dales">
 Mijnheer de 
Voorzitter! De staatssecretaris zei dat 
de financieel negatieve uitkomsten 
inzake de regeringsplannen, voor 
zover die het gevolg zijn van een 
rechterlijke uitspraak, niet tellen als 
besparingsverlies dan wel als 
verminderde bezuinigingen. Hoe 
komt het dan dat de staatssecreta-
ris, toen de gelijke behandeling met 
betrekking tot de W W V door de 
Europese Commissie niet geacht 
werd- dat bleek ook correct te zijn; 
daar is niet onderuit te komen - te 
voldoen aan de Europese richtlijn, 
een nieuw wetsontwerp indiende, 
waarin verhaald moest worden, en 
meer dan dat - daarover komen wij 
later nog te spreken - het besparings-
verlies?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="244" naam="Staatssecretaris De Graaf">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Dat was een gans 
andere zaak, omdat wij - dat weet 
mevrouw Dales ook heel goed -
aanvankelijk een voorstel tot gelijkbe-
rechtiging hadden gedaan dat 
goedkoper uitpakte en zelfs nog een 
voordeel opleverde. Dat was simpel-
weg de uitkomst van een politiek 
besluit en een wijziging in de 
wetgeving en niet vanwege de 
jurisprudentie. Dit is een gevolg van 
de jurisprudentie van de Centrale 
Raad van Beroep. Die vergelijking 
gaat daarom gans niet op.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="245" partij="PvdA" naam="W öltgens">
 Mijnheer 
de Voorzitter! De vergelijking gaat 
natuurlijk wel op voor de verwerking 
van de dertiende maand in de W W V , 
conform de uitspraak van de Centrale 
Raad van Beroep. Daar is een bedrag 
van 55 min. mee gemoeid. Dat is 
geen besparingsverlies.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="246" naam="Staatssecretaris De Graaf">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ook die vergelijking 
gaat niet geheel op. Het ging toen 
om de interpretatie van een bepaald 
besluit. In het kader van de dertiende 
maand in de W W V is er een hele 
ommezwaai geweest van de beroeps-
rechter, met name de Centrale Raad 
van Beroep, omtrent die interpretatie. 
Juist nadat er een nieuwe rechtspraak 
is gekomen, zijn daaruit de gevolgen 
getrokken voor dit onderdeel. Dat ligt 
anders. Het kan wel worden vergele-
ken - mevrouw Ter Veld sprak daar 
ook over - met de overwerkvergoe-
ding. De bedrijfsverenigingen hebben 
daar echter precies dezelfde conse-
quenties uit getrokkenals ik nu heb 
gedaan. 
Tweede Kamer 
10 december 1985  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="247" naam="De voorzitter">
 Ik geef gelegenheid 
tot het afleggen van  stemverklarin-
 gen over de onderwerpen, waarover 
zojuist is gestemd. 
 Gemeentefonds / Provinciefonds 

</spreker>
<spreker pagina="" anker="248" partij="CDA" naam="Hennekam">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Wij hebben gestemd 
tegen de motie-Schutte (stuk nr. 
19 2 0 0 - V I I , -D en -E, nr. 18). Het is 
inderdaad zo dat de kosten van 
begraven in een aantal gemeenten 
hoger zijn dan de kosten van creme-
ren. Wij vinden ook dat dat verschil 
zeker niet groter moet worden, maar 
het vaststellen van tarieven voor 
beide vormen is een specifiek 
gemeentelijke aangelegenheid. Wij 
vinden dat dat zo moet blijven. 
Regering noch parlement heeft zich 
daarin te mengen. Vandaar dat wij 
hebben gestemd tegen de motie van 
de heer Schutte.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="249" partij="PPR" naam="Lankhorst">
 
Mijnheer de Voorzitter! Mede 
namens de fractie van de EVP wil ik 
een stemverklaring afleggen over 
motie nr. 19 van de heer Hummel. 
De motie handelt over de verminderde 
inkomsten voor de gemeenten bij het 
wegvallen van inkomsten uit elektrici-
teitsbedrijven. Dit is inderdaad een 
belangrijke zaak. De motie ontziet 
echter alleen die gemeenten, die in 
het verleden winst hebben gemaakt, 
en andere gemeenten niet, die de 
burgers soms minder hebben belast. 
Wij vinden dit zeer onevenwichtig. 
Het gaat ook niet om een overgangs-
regeling. Al met al was dit voor ons 
voldoende reden om niet voor de 
motie te stemmen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="250" partij="VVD" naam="Lauxtermann">
 
Mijnheer de Voorzitter! Ik wil een 
stemverklaring afleggen over motie 
nr. 19 van de heer Hummel. De 
fractie van de VVD heeft tegen deze 
motie gestemd, omdat zij prematuur 
moet worden geacht. Wij menen dat 
de problemen van de gemeenten, als 
de voornemens van de regering 
worden uitgevoerd, niet moeten 
worden onderschat. Er zal te zijner tijd 
een modus moeten worden gevonden 
om de gemeenten in staat te stellen 
de schade op te vangen. Met dit 
voorbehoud hebben wij tegen de 
motie gestemd. 
 Justitie
De heer Wiebenga (VVD)' Mijnheer 
de Voorzitter! Mijn fractie heeft tegen 
de motie van de heer Van der Spek 
op nr. 25 gestemd, omdat wij het 
onjuist vinden om ons nu al vast te 
leggen op een verhoging van het 
quotumvan het aantal uit te nodigen 
vluchtelingen in ons land. Een 
verhoging van het quotum vinden wij 
op zich zelf niet inbespreekbaar, 
maar dan wel in samenhang met 
andere aspecten van het totale 
vluchtelingenbeleid. 
 Volkshuisvesting, Ruimtelijke 
 Ordeningen Milieubeheer 

</spreker>
<spreker pagina="" anker="251" partij="PvdA" naam="De Pree">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Mijn fractie heeft tegen 
het amendement van de heer Nypels 
op stuk nr. 56 gestemd, zij het niet 
omdat zij bezwaar heeft tegen een 
realistische raming voor het komende 
jaar. Het kenmerk van het volgend 
jaar is, dat de omvang van de 
vervroegde aflossing van de woning-
wetleningen nu nog niet bekend is. 
Om die reden hebben wij tegen die 
concrete invulling gestemd. Wij 
hebben op dit punt zelf een motie op 
stuk nr. 4 7 ingediend. 
Wij hebben tegen de motie van de 
leden Wolters en De Beer op stuk nr. 
49 gestemd. Daarin wordtnu al min 
of meer uitgesproken, dat bij een 
mislukkend nieuwbouwprogramma 
middelen overgeheveld moeten 
worden naar de stadsvernieuwing. 
Wij vinden dat prematuur. In juni 
komt er een voortgangsrapportage. 
Tegen die tijd zullen wij bezien, wat 
er dient te gebeuren. Wij gaan er 
voorlopig vanuit, dat het nieuwbouw-
programma wordt gerealiseerd. 
Wij hebben tegen de motie van de 
leden De Beer en Wolters op stuk nr. 
52 gestemd. De redenen hebben wij 
uiteengezet tijdens de behandeling 
van de Nota eigen woningbezit. Wij 
vrezen, dat de uitkomst is een 
inperking van de gemeentelijke 
autonomie op dit punt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="252" partij="D'66" naam="Nypels">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Ik wil een stemverklaring 
afleggen over de motie van de heer 
De Pree onder nr. 1 16. Deze motie is 
ingediend tijdens de behandeling van 
de begroting voor 1985. 
De motie handelt over de volkshuis-
vestingsprijs. De fractie van D'66 
heeft tegen deze motie gestemd, 
ondanks het feit, dat zij de wenselijk-
heid van het hanteren van een 
volkshuisvestingsprijs in het kader 
van het te voeren beleid onderstreept. 
Naar onze overtuiging heeft de 
staatssecretaris er terecht op 
gewezen dat de financiële consequen-
ties moeilijk te overzien zijn, zodat wij 
ervan zijn uitgegaan dat de motie 
moeilijk uitvoerbaar zou kunnen zijn. 
Op grond daarvan hebben wij onze 
stem aan deze motie onthouden. 
Vragen 
Gemeentefonds 
Provinciefonds 
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2 1 0 2 :::NLANK::: pagina="" :::

</spreker>
<spreker pagina="" anker="253" partij="CDA" naam="Wolters">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Wij hebben gestemd 
tegen motie nr. 4 2 , die handelt over 
de warmte-isolatie, omdat wij veel 
waarde hechten aan de toezegging 
van de staatssecretaris, gedaan op 
ons verzoek om in het jaar 1986 
creatief met deze post om te gaan en 
ervoor te zorgen dat er geen onder-
uitputting plaatsvindt. Hij zal er zelfs 
naar streven dat er wat méér wordt 
uitgegeven.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="254" partij="CDA" naam="Oomen - Ruijten">
 
Mijnheer de Voorzitter! Wij hebben 
tegen het amendement nr. 27 van de 
heer Veldhoen gestemd omdat er 
voor de handhaving van het milieu-
beleid in 1986 meer geld beschikbaar 
is dan voor 1985. Wij beschouwen 
het amendement derhalve als 
onnodig. 
Wij hebben tegen amendement nr. 
28 gestemd omdat de 50 min., die 
extra voor de bodemsanering wordt 
gevraagd, in het jaar 1986 niet 
gebruikt zou kunnen worden en 
omdat bovendien geen dekking is 
aangegeven. 
Wij hebben vóór de motie van de 
heer Veldhoen, voorkomend op stuk 
nr. 12, gestemd omdat wij van 
oordeel zijn dat, zolang het systeem 
van de financiering van het milieube-
leid nog niet rond is, de bestaande 
heffingen niet kunnen worden 
gemist. 
De motie, voorkomend op stuk nr. 
13, kwam ons bijzonder sympathiek 
voor. De tekst ervan komt rechtstreeks 
uit de inbreng, die door mijn fractie is 
geleverd. Het is echter geen goede 
zaak, nu vooruit te lopen op wat bij 
de komende formatieonderhandelin-
gen aan de orde komt. 
Wij hebben gestemd tegen de 
motie, voorkomend op stuk nr. 15. 
Het betreft hier het stopzetten van de 
kernproeven op Mururoa. Wij achten 
het bekend dat het CDA tegen het 
nemen van kernproeven is. Echter, 
deze zaak zal in internationaal 
verband geregeld moeten worden. 
 Onderwijs en Wetenschappen  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="255" partij="CDA" naam="Hermes">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Motie nr. 38 van de heer 
Konings handelt over de Arbeidsonv 
standighedenwet. Met de strekking 
van deze motie kunnen wij wel 
instemmen maar wij vragen anderzijds 
ook aandacht voor wat de minister 
tijdens de in deze Kamer gevoerde 
discussie heeft meegedeeld. Hij deed 
onder meer de toezegging, dat 
bepaalde maatregelen zouden 
worden getroffen. Wij vinden dat de 
motie in dit licht bezien als overbodig 
moeten worden beschouwd. Om 
deze reden hebben wij tegen deze 
motie gestemd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="256" partij="PSP" naam="Lankhorst">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Mijn stemverklaring 
heeft betrekking op de motie die 
handelt over 'goed onderwijs' en die 
werd ingediend door de leden 
Evenhuis en Den Ouden-Dekkers. Wij 
hebben daar tegen gestemd, niet 
omdat er geen mooie dingen in staan 
- daar barst het van - maar omdat 
die motie louter lucht is en over lucht 
wordt gestemd in het kader van de 
behandeling van het IMP-lucht.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="257" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Op het gevaar af van 
over-kill zeg ik ook nog maar iets 
over de motie op stuk nr. 5 2 . De 
vorige week, bij de heropening van 
de beraadslaging, heeft de minister al 
aangegeven dat die motie absoluut 
geen consequenties zou hebben voor 
het beleid. Wat in eerste instantie 
een papieren tijger leek was geen 
tijger, terwijl het papier niets toevoeg-
de aan het papier dat er lag.  Resteert: niets! Dat is eerlijk gezegd 
nog minder dan lucht. 
Wij vinden het sowieso al moeilijk, 
over niets te stemmen, laat staan 
ervoor. Dus hebben wij ertegen 
gestemd. 

</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de voortzetting van de 
behandeling van  11 moties , 
ingediend in de UCV over de delen 
 Bouwnijverheiden Stadsvernieu-
 wing en de nota Bouwprognoses   1 9 8 5 - 1 9 9 0 , te weten: 
- de gewijzigde motie-Vos/De Pree 
over de werkloosheid in de bouw en 
mogelijke spanningen op de arbeids-
markt (19 2 0 0 - X I , nr. 24); 
- de motie-Vos/De Pree over het 
belang van coördinerend minister-
schap voor de bouwnijverheid 
(19 2 0 0 - X I , nr. 23); 
- de gewijzigde motie-Vos/De Pree 
over stimulerende c.q. compenseren^ 
de maatregelen in de bouw (19 2 0 0 -
XI, nr. 59); 
- de motie-Van der Vlies/Vos over 
het risico van het verloren gaan van 
specifieke kennis en vaardigheden 
(19 2 0 0 - X I , nr. 26); 
- de motie-Vos/De Pree over 
verhoging van het bedrag voor 
stadsvernieuwing ( 1 9 2 0 2 , nr. 6); 
- de motie-Vos/De Pree over de 
voeding van het stadsvernieuwings-
fonds (19 2 0 2 , nr. 7); 
- de motie-Vos/De Pree over 
toepassing van de verbeteringsrege-
ling voor vooroorlogse woningwetwo-
ningen ( 1 9 2 0 2 , nr. 8); 
- de motie-Van Baars over de 
onderhoudsnormen voor woningcor-
poraties (19 2 0 2 , nr. 10); 
- de motie-Van Baars over het 
aantrekkelijker maken van investerin-
gen in verbetering c.q. groot onder-
houd ( 1 9 2 0 2 , nr. 11); 
- de motie-Nypels over een extra 
programma voor onderhoud en 
verbetering van naoorlogse woning -
wetwoningen (19 2 0 2 , nr. 12); 
- de motie-Nypels over een geïnte-
greerd Meerjarenplan Volkshuisves-
ting ( 1 9 2 0 2 , nr. 13), 
alsmede  eenmotie, ingediend bij 
de behandeling van de begroting van 
Volkshuisvesting, Ruimtelijke 
Ordening en Milieubeheer ca . , te  weten: 
- de motie-Vos/Paulis over de 
regeling inzake de winterschilder 
(19 2 0 0 - X I , nr. 60). 
(Zie vergadering van 3 december 
1985). 
De beraadslaging wordt heropend.  
<spreker pagina="" anker="258" partij="PvdA" naam="Vos">
 Mijnheer de 
Voorzitter! De vorige week heb ik 
motie nr. 25 gewijzigd. Zij staat nu 
op de agenda onder nr. 59. De 
minister heeft bij die gelegenheid 
gezegd, dat hij schriftelijk zou 
antwoorden en dat antwoord heeft 
ons bereikt. Hij zegt daarin, dat de 
overwegingen die in de motie zijn 
gebruikt deels onjuist zijn en deels 
prematuur. Ik zou er graag nog iets 
over zeggen. 
Ik begin met het onjuiste. Er is een 
bouwberaad geweest op 4 juli, 
waarbij een delegatie van het kabinet 
aanwezig was. In de overwegingen 
wordt het bouwberaad gereleveerd. 
Er wordt in gesteld, dat de minister 
zou hebben uitgesproken, dat 
eventuele baten voortkomende uit de 
tijdelijke verhoging van het huurwaar-
deforfait besteed zouden moeten 
worden ten behoeve van de stimule-
ring van de werkgelegenheid in de 
bouw. Mijns inziens kan niet van een 
onjuiste interpretatie worden 
gesproken, maar ik wil toegeven dat 
de overweging onvolledig was. 
De minister-president heeft 
namelijk bij die gelegenheid gezegd, 
dat er alleen gegevens over 1 983 
bekend waren omtrent het batig 
saldo van de tijdelijke verhoging. De 
cijfers over 1984 zouden in augustus 
bekend worden. Tot op dit moment 
hebben wij overigens over die 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 
Onderwijs 
Stadsvernieuwing c.a. 2103 

	

gegevens nog niets gehoord. Het 
kabinet zou er overigens ook in 
augustus verder over te spreken 
komen. Wat dat betreft, zou je 
kunnen zeggen dat de overweging 
onvolledig was. 
Ik vind overigens, dat de minister 
haar zelf volledig heeft gemaakt, in 
een interview voor de radio, onmid-
dellijk na afloop van het bouwberaad. 
Hij heeft toen, nadat hem werd 
gevraagd hoe hij de affaire verder  zou aanpakken, gezegd: 
'Ik kan niet op die 2 0 0 miljoen' 
- het batig saldo dat was genoemd -
'inhaken, dat getal is voor mij nieuw. 
De bedoeling was wel dat dat hogere 
huurwaardeforfait via bouwactivitei-
ten terug zou komen bij de eigenaar-
bewoners. Als dat niet gebeurd is, 
lijkt het mij alleszins redelijk dat het 
alsnog via een aangepaste regeling 
zou gebeuren.'  Voorts zegt hij nog: 
'Ik denk dat je heel bewust moet  kijken naar: wie heeft dat hogere 
huurwaardeforfait opgebracht. Dan is 
het de bedoeling dat het min of meer 
naar dezelfde mensen wordtterugge-
sluisd via die bouwactiviteiten. Als 
dat dan bij anderen terecht zou 
komen, dan is het een verkapte vorm 
van belastingheffing voor de een en 
een subsidieregeling voor de ander 
en dat is niet de bedoeling.' 
Dit punt was al eerder aan de orde 
geweest, in het mondeling overleg 
op 19 juni, waar gesproken werd 
over de overgangsproblematiek 
stadsvernieuwing. De staatssecretaris 
van VROM heeft zich daar in die zin  uitgelaten. Hij zei: 
'dat hij zich recentelijk tot zijn 
ambtgenoot van Financiën had 
gewend over de onderuitputting van 
de verhoging van het huurwaardefor
fait ten gunste van de aftrek van 
uitgaven voor groot onderhoud en 
schilderwerk. Hij zou zich kunnen 
voorstellen dat de betreffende 
middelen alsnog aangevoerd worden 
voor de werkgelegenheid in de 
bouwnijverheid, bij voorbeeld in de 
stadsvernieuwing.' 
Mijnheer de Voorzitter! Deze 
citaten lijken mij duidelijk. Als de 
minister van mening is dat de 
overwegingen onvolledig zijn - hij 
heeft dat inmiddels duideljjk ge-
maakt &quot; ben ik best bereid, de 
overwegingen aan te vullen als hij 
daar prijs op stelt. Dat zal overigens 
geen invloed hebben op het dictum. 
Ik wil daar graag zijn commentaar op 
horen, omdat dit van belang kan zijn 
op het moment dat de motie hier 
weer aan de orde komt. 
Ik ga nog even in op de opmerking 
dat deze motie een prematuur 
karakter zou hebben. De informatie 
over 1984 is nog steeds niet bekend. 
De informatie over 1985 zou wel 
verstrekt kunnen worden , maar dan 
zou dit na 1 januari gebeuren. Na 1 
januari 1986 is het begrotingsjaar 
gesloten. De ministervan Financiën 
kan dan besluiten dat deze gelden 
niet meer voor de bouwnijverheid 
besteed worden . Wij kunnen de 
informatie wel afwachten, maar dan 
moeten wij tegelijktijd de beslissing 
nemen dat dit geld in de bouwnijver-
heid besteed wordt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="259" partij="CDA" naam="Van Baars">
 Mijnheer 
de Voorzitter! het is mij gebleken dat 
het dictum van mijn motie op stuk nr. 
11 over het meerjarenplan stadsver-
nieuwing aanleiding tot een misver-
stand kan geven. Ik heb het dictum 
op twee onderdelen bijgesteld. 
Hierdoor is het naar mijn mening 
uitgesloten dat nog misverstand 
onstaat. Ik hoop dat mijn motie 
hierdoor ook een bredere steun van 
de Kamer zal krijgen. 
Motie  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="260" naam="De voorzitter">
 De motie-Van Baars 
(19 2 0 2 , nr. 11) is in die zin gewijzigd,  dat het dictum thans luidt: 
verzoekt de regering, in overleg met 
de koepels van woningcorporaties 
studie te doen verrichten naar de 
mogelijkheden om verbeterings- c.q. 
grootonderhoudsinvesteringen door 
de huurders voor dezen aantrekkelijk 
te maken, onverlet de normale 
verplichtingen van de kant van de 
verhuurders,. 
Naar mij blijkt, wordtdeze gewijzigde 
motie voldoende ondersteund. 
Zij krijgt nr. 15 (19 202).  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="261" naam="Minister Winsemius">
 Mijnheer de 
Voorzitter! De geachte afgevaardigde 
de heer Vos heeft een aantal buiten-
gewoon verstandige citaten van de 
staatssecretaris en mij gegeven. Ik 
was verheugd dit te horen. Als ik 
hem goed heb begrepen dan stelt hij 
voor de overweging in zijn motie op 
stuk 59 die begint met de woorden 
'kennisnemende van de opvatting' 
tussen haakjes te zette, zodat de 
essentie van zijn motie overblijft. Die 
wordt namelijk gevormd door de 
overweging dat deze regeling ook 
bedoeld was om de werkgelegenheid 
in de bouw te stimuleren door middel 
van een zweepslageffect en het 
verzoek aan de regering om zo 
spoedig mogelijk met voorstellen te 
komen voor compenserende maatre-
gelen. 
Mijn bezwaren richten zich op de 
onjuistheid in het stuk over de 
kennisneming. Van het dictum heb ik 
gezegd dat het prematuur was. Ik 
kan moeilijk nog iets toevoegen aan 
hetgeen ik eerder over deze motie 
heb gezegd. De minister-president 
heeft correct aangegeven dat wij 
deze zomer informatie over 1983 
hadden. Het inzicht in de situatie in 
de latere jaren verwachtten wij in 
augustus 1 9 8 4 te krijgen. 
Volgens de meeste recente 
mededelingen van mijn collega van 
Financiën is die informatie nog niet 
beschikbaar. Ik kan daar op dit 
moment niets aan veranderen. Als 
het stukje dat gaat over de kennisne-
ming tussen haakjes wordt gezet, 
dan kan ik mijn advies het gedeelte 
dat over onjuistheden gaat tussen 
haakjes zetten. Er blijft dus 'prema-
tuur' staan.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="262" naam="Staatssecretaris Brokx">
 Mijnheer de 
Voorzitter! De verduidelijking van het 
dictum van de motie van de heer 
Baars op stuk nr. 11 onderstreept 
nog eens hetgeen ik tijdens de UCV 
over deze motie heb gezegd. 
De beraadslaging wordt gesloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="263" naam="De voorzitter">
 Volgende week zal 
dus over de moties worden gestemd. 
Het Presidium heeft met eenparigheid 
van stemmen besloten, te stellen in  handen van: 
a. de vaste commissie voor Neder- lands-Antilliaanse Zaken: 
- het voorstel van rijkswet Wijziging 
van het Reglement voor de gouver-
neur van de Nederlandse Antillen en 
van het Reglement voor de gouveneur 
van Aruba ( 1 9 3 3 7 , R 1 3 0 2 ) ; 
b. de vaste commissie voor Binnen- landse Zaken: 
- het wetsvoorstel Verlenging van de 
zittingsduur van de raden van enige 
gemeenten in verband met de 
voorgenomen gemeentelijke herinde-
ling van de Bommelerwaard en de 
Midden-Betuwe ( 1 9 3 3 9 ) .  
</spreker>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de behandeling van: 
-  hoofdstukV ( Buitenlandse
 Zaken ) vande rijksbegroting 
 voor 1986 (metuitzondering van 
 de delen N A V O en Ontwikke
 lingssamenwerking ) ( 1 9 2 0 0 V ) ; 
 - hetwetsvoorstel Wijziging van
 hoofdstuk V ( Buitenlandse
 Zaken ) vande begrotingvan
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Stadsvernieuwing ca . 
Buitenlandse Zaken 
2 1 0 4 

	

 uitgavenvanhet Rijk voor het
 jaar 1983 (slotwet; tweede 
 wijzigingsvoorste ) ) ( 1 9 0 5 8 ) . 
De algemene beraadslaging wordt
geopend. 

<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="264" partij="PvdA" naam=" Ter Beek">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Elke keer opnieuw 
probeer ik bij de behandeling van de 
begroting van Buitenlandse Zaken te 
vermijden om aan een soort tocht
over de wereld te beginnen, maar 
elke keer opnieuw kom ik, meestal 20 
aan het eind van mijn betoog, toch 
tot de ontdekking dat ik weer menige 
plek op de aardbol heb aangedaan. Ik 
vrees dat dit ook vanmiddag weer 
het geval zal zijn. Ik wil echter ook 
enkele hoofdterreinen van beleid 
behandelen, met name het wapenbe-
heersings- en het mensenrechtenbe-
leid. 
Als men over het wapenbeheer-
singsbeleid spreekt, moet men dat 
natuurlijk doen in de context van de 
politieke verhoudingen, met name de 
Oost-Westverhouding. Nu heb ik al 
eens eerder geduid op de verschillen 
die er op dat punt bestaan tussen de 
zeventiger en de tachtiger jaren. 
Zonder er nu weer een uitvoerig 
betoog aan te wijden, wil ik vaststellen 
dat in ieder geval het klimaat van de 
zeventiger jaren heel wat gunstiger 
was voor wapenbeheersingsovereen-
komsten dan het klimaat van de 
tachtiger jaren. 
De feiten tonen dat ook aan; in de 
15 jaar na 1965 zijn er in totaal 12 
wapenbeheersingsovereenkomsten 
tot stand gekomen, de jaren tachtig 
hebben ons nog niet mogen verblijden 
met ook naar een enkele overeen-
komst. Met name tegen die achter-
grond moeten wij de betekenis van 
de topontmoeting in Genève tussen 
de heren Reagan en Gorbatsjov 
beschouwen. Die ontmoeting heeft in 
ieder geval een klimaatverbetering 
ingeluid. Het feit dat men ook heeft 
afgesproken om de ontwapeningsbe-
sprekingen, die gelukkig aan de gang 
zijn, te versnellen, is volgens mij ook 
van betekenis, zoals dat ook geldt 
voor een andere afspraak, nl. dat in 
1986 en 1987 nieuwe topontmoetin-
gen zullen plaatsvinden. Het lijkt mij 
dat zo ook een zekere druk op de 
ontwapeningsbesprekingen wordt
gezet, omdat men toch moeilijk elke 
keer opnieuw bijeen kan komen en 
dan kan volstaan met een intentiever-
klaring, een verklaring van goede wil. 
Maar dit alles is natuurlijk geen reden 
om gerustgesteld met de armen over 

elkaar af te wachten. Ik denk dat wij 
eigenlijk niet ongedurig genoeg 
kunnen zijn. 
Het is dan ook van het grootste 
belang dat de publieke opinie, de 
wereldpublieke opinie, zich laat 
blijven horen, zich laat gelden, zodat 
de druk op de ketel blijft. Want wat
er in Genève besproken wordt, gaat 
ons allen aan. Met name wij in 
Europa hebben onze eigen rol te 
spelen, onze eigen bijdrage te 
leveren om de betrekkingen tussen 
Oost en West te verbeteren. Voor 
ons is ontspanning een doel op 
zichzelf, omdat via die politieke 
ontspanning tegelijkertijd ook de 
onderbouw wordt geleverd voor 
wapenbeheersingsovereenkomsten. 
Mijnheer de Voorzitter! Wij leven in 
het jaar 4 0 van de nucleaire eeuw. 
Het is ook 4 0 jaar geleden dat de 
Verenigde Naties werden opgericht. 
In het Handvest van de Verenigde 
Naties is vastgelegd dat staten recht 
hebben op zelfverdediging. Maar de 
kernwapenvoorraad van de twee 
supermachten is veel en veel groter, 
reikt veel en veel verder dan met een 
beroep op zelfverdediging gerecht-
vaardigd kan worden . Ik denk dat dit 
al het eerste essentiële verschil is 
met het niet-nucleaire tijdperk. Er is 
nog een verschil, nl. dat geleerden 
ons hebben aangetoond dat de 
nucleaire winter, die intreedt na een 
nucleaire slagwisseling, geen leven 
op aarde meer mogelijk maakt. 
En dat betekent dat wij op deze 
wereld met elkaar niet alleen over 
ons eigen lot beslissen, maar ook 
over dat van toekomstige generaties. 
Om die twee redenen heeft de wereld 
het recht, zelfs de plicht om zich te 
bemoeien met de verhouding tussen 
de supermachten. Initiatieven, 
aansporingen blijven nodig, over een 
breed front. En dat is meteen mijn  kritiek op de minister: hij laat het 
afweten op het vlak van de wapenbe-
heersing. Ik zal dat toelichten aan de 
hand van een aantal voorbeelden, 
maar ik wil eerst nog een extra 
reden, een bijzondere reden geven 
waarom ik het betreur dat de 
minister op het vlak van de wapenbe-
heersing zo passief is. Dat heeft alles 
te maken met de binnenlandse 
politieke situatie. 
Ik zal het vandaag niet meer over 
de kruisraketten hebben, want ik vind 
niet dat we het debat over het 
1-novemberbesluit moeten herhalen, 
maar ik constateer wel dat het 
vraagstuk van de kruisraketten de 
Nederlandse bevolking tot op het bot 
verdeeld heeft. Nu wil ik niet zo ver 
gaan, te beweren dat alleen tegen-
standers van plaatsing voorstanders 
van wapenbeheersing zijn en dat 
voorstanders van plaatsing tegen 
wapenbeheersing zijn. Zo simpel is 
het allemaal niet en ik doe dan ook 
niet mee aan zo'n grove vertekening. 
Maar dan gaat het ook niet aan om 
de Partij van de Arbeid of de andere 
partijen in dit Huis die tegen plaatsing 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2105 zijn, te verwijten dat zij de consensus 
hebben verstoord, dat zij de consen-
sus hebben doorbroken. Wantwat 
heeft de minister dan gedaan om die 
consensus te bewaren of te herstel-
len? 
Ik heb het dan niet over de 
kruisraketten, maar over internationa-
le initiatieven ter beteugeling van de 
wapenwedloop. Die bijna vier miljoen 
Nederlanders die het volkspetitionne-
ment hebben getekend, hebben dat 
niet alleen gedaan in verband met de 
plaatsing van 4 8 kruisraketten in 
Nederland. Alsof we zonder die 48 
raketten in een veiliger land, in een 
veiliger wereld zouden leven! Zo is 
het niet. Neen, die bijna vier miljoen 
Nederlanders hebben met hun 
handtekening ook hun zorg, hun 
verontrusting over die voortgaande 
wapenwedloop tot uitdrukking 
gebracht, hun hoop, hun verlangen 
dat er werkelijk concrete stappen 
zullen worden gezet om die wapen-
wedloop te beteugelen. 
Mijn verwijt aan de minister is dat 
hij deze signalen uit de samenleving 
niet wenst te verstaan. Mijn verwijt 
aan de minister is dat hij geen 
pogingen onderneemt of ondernomen 
heeft om boven de verdeeldheid over 
de kruisraketten uit te stijgen met 
aansprekende initiatieven, met acties 
die zichtbaar gericht zijn op wapen-
beheersing. 
Laat ik daarvan nu eens voorbeelden 
geven. Waarom heeft de minister 
geen aansluiting gezocht bij het 
vredesinitiatief van de vijf continen-
ten? Waarom heeft hij de verklaring 
van Delhi, waarin Ghandi. Papandre-
ou, Palme, Alfonsin, De la Madrid en 
Nyerere oproepen tot bevriezing, tot 
een kernstopverdrag, tot het voorko-
men van een wapenwedloop in de 
ruimte, niet gesteund? Waaromheeft 
hij die slechts voor kennisgeving 
aangenomen? Goed, de Nederlandse 
regering neemt niet deel in het 
SDI-onderzoeksprogramma, maar 
van een politieke stellingname tegen 
het destabiliserende en wedloop-aan-
jagende concept achter SDI is geen 
sprake. 
Op de derde toetsingsconferentie 
van het non-proliferatieverdrag in 
september van dit jaar in Genève 
heeft Nederland zich niet uitgesproken 
vóór moties, ingediend door Mexico, 
inzake een comprehensive test ban, 
een algemeen kernstopverdrag, een 
bevriezing of een moratorium voor 
kernproeven. Ik denk overigens dat 
de minister en ik het grotendeels en 
misschien wel helemaal eens zijn 
over het belang van zo'n kernstopver-
drag, want dat zou een werkelijke 
barrière tegen de voortgaande 
wapenwedloop zijn. 
Het is ook een noodzakelijk 
complement van andere wapenbe-
heersingsverdragen. Ik zei zoeven al 
dat in 15 jaar 12 wapenbeheersings-
verdragen tot stand zijn gekomen. In 
dezelfde tijd is het aantal strategische 
kernkoppen echter wel verdrievou-
digd! Dat maakt ook de noodzaak 
duidelijk van zo'n kernstopverdrag. 
Datgene waar wij nu middenin zitten, 
heeft Harold Evans eens omschreven 
als het 'talk-test-build syndrome'. Dit 
moet doorbroken worden. 
Waarom heeft de minister zich niet 
uitgesproken voor zo'n moratorium 
op kernproeven, waarom legt hij 
voortdurend zoveel nadruk op 
verificatie? Verificatie is weliswaar 
belangrijk, maar ik leg de volgende  vraag aan de minister voor: welke 
risico's zijn groter, die van het 
onbeperkt doorgaan met de kernproe-
ven of die van clandestiene schending 
van een kernstopovereenkomst? 
Bovendien weten wij dat de seismi-
sche technologie zo is voortgeschre-
den dat het mogelijk is om met 
nationale middelen proeven boven de 
1 kiloton te ontdekken. Zoals de 
minister weet, betreffen de meeste 
proeven meer dan 1 kiloton. Wat de 
verificatie betreft, maakt het verschil 
uit of het om een moratorium dan 
wel om een algeheel kernstopverdrag 
gaat. Kortom, waarom is de minister 
geen voorstander van zo'n moratori-
um op kernproeven? 
Ik geef nog een voorbeeld. Thans 
worden in internationaal overleg de 
mogelijkheden onderzocht om via 
een amenderingsconferentie de 
limited test ban treaty, het beperkte 
kernstopverdrag, uit 1963 om te 
bouwen tot een comprehensive test 
ban, een algeheel, allesomvattend 
kernstopverdrag. Dat verdrag uit 
1963 is, zoals de minister ongetwijfeld 
weet, nog een produkt van de 
Kennedy-'administratie'. Het zijn 
trouwens ook de voormalige mede-
werkers van de Kennedy-'administra-
tie' die het idee van een amenderings-
conferentie van harte ondersteunen. 
Na 1 963 was de algehele verwachting 
dat een volgende stap, dus na het 
beperkte kernstopverdrag, een 
allesomvattend verdrag zou zijn. Wij 
weten dat het er nooit van is gekomen. 
Daarover is wel onderhandeld in de 
periode van 1 9 7 7 - 1 9 8 0 onder de 
Carter-'administratie'. Met de komst 
van president Reagan werden die 
onderhandelingen evenwel afgebro-
ken. 
Tot op de dag van vandaag wordt 
er niet onderhandeld over een 
algeheel kernstopverdrag! In het 
Amerikaanse congres zijn gelukkig 
resoluties ter zake in behandeling. Ik 
pleit echter voor het opbouwen van 
internationale druk om tot zo'n 
kernstopverdrag te komen. Dit kan 
verwezenlijkt worden door gebruikma-
king van de bepalingen uit het 
verdrag van 1963. In artikel 2 van dat 
verdrag staat namelijk dat het 
mogelijk is voor 'A van die landen die 
partij zijn bij het beperkte kernstop-
verdrag een conferentie bijeen te 
roepen. Daar zou een amendement 
kunnen worden ingediend met als 
doel dat beperkte kernstopverdrag 
om te bouwen tot een algeheel 
verdrag. Uiteraard weet ik dat 
daarvoor de medewerking nodig is 
van de kernwapenstaten. Een 
dergelijke conferentie biedt echter 
wel een internationaal forum, 
podium, platform, van waaruit druk 
kan worden uitgeoefend op de 
kernwapenstaten. 
Enkele weken geleden is in de 
eerste commissie, de ontwapenings-
commissie, van de Algemene 
Vergadering van de VN een heel 
voorzichtige resolutie over dit 
onderwerp, dit idee, in stemming 
geweest. Het was nog niet eens een 
resolutie waarin gezegd werd dat die 
conferentie, waarover ik het zojuist 
had, er moest komen. Neen, in deze 
resolutie werd alleen maar gevraagd 
om de mogelijkheden van een 
dergelijke amenderingsconferentie te 
onderzoeken. Het is voor mij mis-
schien niet onbegrijpelijk, maar wel 
teleurstellend dat Nederland niet 
voor die resolutie heeft gestemd. Het 
is dit soort stemgedrag, deze keuze, 
deze opstelling die ik kenmerkend 
acht voor het beleid van deze  regering, van deze minister: geen 
eigen positie, geen eigen rol, geen 
eigen verantwoordelijkheid voor 
Nederland en vooral geen durf bij 
deze minister. 
Mijnheer de Voorzitter! Over het 
tweede hoofdterrein, namelijk dat 
van het mensenrechtenbeleid, kan 
- en moet, zie ik - ik wat korter zijn. 
Ik kan ook korter zijn, omdat ik 
aanneem dat de minister het commen -
taar van Amnesty International op 
zijn memorie van toelichting heeft 
gezien en, naar ik hoop, ook heeft 
gelezen. Ik kan bijna volstaan met de 
mededeling dat ik de kritiek van 
Amnesty International op het 
mensenrechtenbeleid van deze 
minister deel. Hierbij gaat het om de 
ondoorzichtigheid van het beleid, om 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2 1 0 6 de onduidelijke doorwerking ervan op 
andere beleidsterreinen en om het 
feit dat het nauwelijks mogelijk is om 
het mensenrechtenbeleid te toetsen. 
Het laatste is vooral het geval nu 
de specifieke landenrapportage 
goeddeels is weggevallen en nu een 
afzonderlijke landen- of regionota 
ook al niet meer tot het instrumenta-
rium van de minister schijnt te 
behoren. Amnesty International 
dringt aan op een evaluatie van het 
mensenrechtenbeleid dat is gevoerd 
sinds de totstandkoming van de 
mensenrechtennota in 1979. Ik steun 
dit pleidooi van harte. Laat er geen  misverstand over bestaan: mensen-
rechtenbeleid mag nooit versiering 
van beleid zijn! Het dient een 
wezenlijk bestanddeel van het beleid 
te zijn. Mensenrechtenbeleid mag 
ook nooit volgend en passief zijn. Het 
moet initiërend zijn. Wat dat betreft 
heb ik een zeer illustratief zinnetje 
gevonden in het antwoord op vraag 
68.  Er staat: 'Concrete initiatieven 
vinden veelal hun aanleiding in 
bepaalde gebeurtenissen of ontwikke-
lingen, die zich moeilijk laten 
voorspellen.' Ik kan echt geen 
fraaiere omschrijving bedenken van 
het begrip 'incidentenpolitiek'. Hier  staat immers eigenlijk: wij volgen, wij 
reageren op wat er gebeurt. Als het 
echter om mensenrechtenbeleid 
gaat, dan willen wij zelf toch ook 
wat? Dan hebben wij toch doelstellin-
gen? Dan willen wij toch wat bereiken? 
Dan willen wij toch wat bewerkstelli-
gen? Natuurlijk, er zal altijd iets 
selectiefs zitten in het mensenrech-
tenbeleid. Dat is namelijk bij de 
keuze van de toe te passen middelen 
het geval. Dat moet echter zichtbaar 
worden gemaakt. Het kabinet moet 
niet slechts volgen. Het moet iets 
doen. Dat houd ik de minister voor. 
Mijnheer de Voorzitter! Toch nog 
een paar territoriale uitstapjes. 
Allereerst naar Midden-Amerika. Het 
Contadora-proces lijkt vastgelopen te 
zijn. In juni van dit jaar leek het erop 
dat deze minister toch wel bereid 
was, een actievere rol in het Conta-
dora-proces te bepleiten. Drie weken  geleden zei hij echter: 'Het behoorde 
niet tot het mandaat van San José-2 
om bij het onderhandelingsproces 
betrokken te raken.' Betekent dit dat 
Europa met de handen over elkaar 
blijft aanzien hoe het Contadora-pro-
ces een zachte dood sterft? In de 
memorie van toelichting staat een 
heel cryptische zin.  Er staat: 'De visie vanuit Nederland 
op het westelijk halfrond wordt
gekleurd door het feit dat deze regio 
Nederlands belangrijkste bondgenoot 
herbergt'. Ik heb inderdaad de indruk 
dat het Nederlandse beleid - of beter  gezegd: de afwezigheid van Neder-
lands beleid - in hoge mate wordt 
gekleurd door Washington! Tekenend 
hiervoor is het stemgedrag van 
Nederland vorige week in de Algeme-
ne Vergadering van de Verenigde 
Naties. Daar werd een resolutie in 
stemming gebracht waarin de 
economische boycot van Nicaragua 
werd veroordeeld. 
In de tekst van die resolutie heb ik 
met de beste wil van de wereld geen 
woord kunnen vinden waar een 
fatsoenlijk mens tegen zou kunnen 
zijn. De Contadora-landen vóór de 
resolutie gestemd, evenals Frankrijk, 
Griekenland, Denemarken en Spanje. 
En wat heeft Nederland gedaan? 
Onthouding! De minister moet mij 
maar eens uitleggen wat hiervoor de 
diepere redenen zijn geweest, 
behalve het vermoeden dat ik zoeven 
heb uitgesproken. 
Hetzelfde geldt min of meer voor 
zuidelijk Afrika. Ook op dit punt voert 
Nederland niet een beleid dat 
werkelijk bemoedigend is voor zwart 
Afrika of voor de anti-apartheidsbe-
weging in Zuid-Afrika. 
Ten slotte nog twee korte opmer-
kingen over Turkije en Afghanistan. 
Wat Turkije betreft hebben wij uit de 
krant mogen vernemen dat er 
inmiddels een soort schikking schijnt 
te zijn getroffen met het Europese 
comité voor de mensenrechten. 
Ik wil graag weten op basis van 
welke voorwaarden dat is gebeurd. 
Gisteren vernam ik van een Deense 
collega dat het tot zo'n schikking zou 
komen. Het Deense parlement was 
daarover door de Deense regering 
geïnformeerd. Schriftelijke vragen 
van ons over deze kwestie worden 
door de minister beantwoord met de 
mededeling dat wij alstublieft begrip 
moeten hebben voor het feit dat er 
nu nog geen mededelingen over 
gedaan kunnen worden omdat er nog 
onderhandelingen over plaatsvinden. 
Dat vind ik merkwaardig. Het lijkt mij 
dat het parlement toch ook het recht 
heeft om te weten waar de minister 
in dit verband mee bezig is. Het gaat 
dan met name om de vraag op basis 
van welke voorwaarden Nederland 
zijn statenklacht tegen Turkije heeft 
ingetrokken.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="265" naam="Minister Van den Broek">
 Voorzitter! 
Ik begrijp uit de opmerking van de 
heer Ter Beek dat er een misverstand 
is ontstaan. Ter vermijding hiervan 
kan ik mededelen dat ik gisterenavond 
of vanochtend alsnog een brief aan 
de Kamer heb gestuurd waarin ik van 
deze schikking melding heb gemaakt. 
Daarbij heb ik aangeboden om in 
mijn antwoord daarop een nadere 
toelichting te geven. Zoals men weet 
dateert deze schikking van sinter-
klaasdag.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="266" partij="PvdA" naam="Ter Beek">
 Daar ga ik 
mee akkoord. 
Voorzitter! Ik heb begrepen dat 
collega Voorhoeve de nodige 
aandacht aan Afghanistan wil 
besteden. Ik volsta met de opmerking 
dat ik de minister uitnodig om te 
proberen watmeer vorm en inhoud 
te geven aan een opwaardering van 
de betrekkingen met het Afghaanse 
verzet. 
Een alom bekend feit is dat 
Nederland het komende half jaar 
voorzitter zal zijn van de EG en dus 
ook voorzitter van de Europees 
politieke samenwerking. Wij hebben 
daarover een notitie ontvangen van 
de minister en de staatssecretaris. 
Uit die notitie leren wij echter nog 
niet zo veel over wat Nederland het 
komend half jaar van plan is, wat de 
prioriteiten zijn, waar men op aan wil 
koersen en wat de keuzes zijn die 
Nederland wil maken. Het is meer 
een opsomming en een beschrijving 
van wat ons feitelijk te wachten 
staat, zonder dat er echt richtlijnen 
worden uitgezet. Wat zijn precies de 
prioriteiten van de minister ten 
aanzien van de Europese samenwer-
king? Wat moet er vóór 1 juli 1 986 
gebeurd zijn, opdat de minister kan 
zeggen dat hij een succesvol voorzit-
terschap achter de rug heeft? 
Waarop koerst hij aan? 
Ik verduidelijk dit met één voor-
beeld, namelijk met het Midden-Oos-
ten. Is de minister van plan om op 
dat vlak initiatieven te ontwikkelen? 
Wil hij steun geven aan de akkoorden 
van Amman? Wil hij op pad? Een 
voorganger van hem is wel eens in 
dat gebied op reis geweest. Dat wil ik 
niet bepleiten, want dat was toen ook 
niet zo'n geweldig succes. Maar, wat 
wil de minister ten aanzien van het 
Midden-Oosten-beleid? In de notitie 
staat een nogal cryptisch zinnetje 
- dat hoeft nog niet onmiddellijk een 
diskwalificatie in te houden - over 
het Europees beleid dat complemen-
tair zou kunnen zijn ten aanzien van 
het Amerikaanse beleid voor het 
Midden-Oosten. Moet het Europees 
beleid complementair zijn? Wil de 
minister het complementair maken? 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2107 

	

Kan het misschien ten dele 
correctief zijn, omdat toch ook niet 
alle onderdelen van het Amerikaanse 
beleid voor het Midden-Oosten door 
Europa worden gesteund? Kortom, 
wat wil de minister hiermee? 
Mijnheer de Voorzitter! Bij het 
kunstrijden op de schaats wordteen 
dubbele jurering toegepast. De 
deelneemsters en deelnemers krijgen 
cijfers voor de inhoud en de techni-
sche uitvoering. Wat de technische 
uitvoering betreft zou ik de minister 
een 7 willen geven. Het is geen 
zwakke minister. Hij kent over het 
algemeen zijn zaakjes. Hij geeft goed 
leiding aan het departement. Wat de 
inhoud betreft moet ik toch jammer 
genoeg een dikke onvoldoende 
uitdelen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="267" partij="CDA" naam="De Boer">
 Mijnheer de 
Voorzitter! De beoordeling van 
politici - ministers zowel als kamerle-
den - vindt in laatste instantie plaats 
door de kiezer. Een voorlaatste 
instantie is het opstellen van de lijst 
door de partij waar betrokkenen lid 
van zijn. Ik verwijs daarnaar wat
betreft de beoordeling van het CDA 
over de minister. Ik moet er echter 
op wijzen, dat de lijst op dit moment 
nog in bewerking is! 
Mijnheer de Voorzitter! 'Het CDA 
streeft naar een internationale 
rechtsorde, in het kader van de VN. 
Daartoe is een hervorming nodig van 
politieke en economische verhoudin-
gen in de wereld , gericht op het 
vreedzaam naast elkaar bestaan van 
volkeren'. Dit staat in het CDA-pro-
gram van uitgangspunten. 
'Het beleid van de Regering is (...) 
gekenmerkt door het streven naar de 
bevordering van vrede, welvaart en 
meer rechtvaardige verhoudingen in 
de wereld. 'Naar de mening van 
ondergetekenden blijft de VN als 
belichaming van het doel van 
internationale samenwerking alle 
steun verdienen'. Dit staat in de 
memorie van toelichting. 
Mijnheer de Voorzitter! Dit waren 
een paar citaten over enkele hoofdlij-
nen van het buitenlands beleid, 
ontleend enerzijds aan het CDA-pro-
gram van uitgangspunten en ander-
zijds aan de memorie van toelichting. 
Waremijn tijd niet zo beperkt, dan 
had ik zo nog wel even kunnen 
doorgaan. Vergelijkbare citaten zijn 
verder te vinden in de programma's 
van de andere politieke partijen. 
Het probleem met Buitenlandse 
Zaken is niet zo zeer dat over de 
hoofddoeleinden van het Nederlandse 
buitenlandse beleid zo veel verschil 
van mening bestaat tussen bij 
voorbeeld de grote politieke partijen 
dan wel tussen opeenvolgende 
kabinetten, doch dat die doeleinden 
enerzijds zo algemeen c.q. vaag zijn 
en anderzijds ook in zekere zin in hun 
onderlinge samenhang een vierkante 
cirkel vormen. Het gevolg is, dat men 
met de feitelijke invulling van het 
beleid in vele gevallen vrijwel alle 
kanten op kan. Bij elke oplossing is 
wel een redelijk verhaal te houden, 
iets wat aan een beperkte 'incrowd' 
misschien nog wel is uit te leggen 
maar dat naar buiten toe al snel 
absoluut willekeurig lijkt. 
Mijnheer de Voorzitter! Als de 
laatste tijd geklaagd wordt over een 
zogenaamd gebrek aan consensus in 
ons land over het buitenlands beleid, 
moet de vraag worden gesteld of dit 
niet mede wordt veroorzaakt doordat 
wij - achtereenvolgende kabinetten 
èn grote politieke partijen - in wezen 
in een lange reeks van jaren en 
misschien onbewust maar desalniet-
temin eraan hebben meegewerkt om 
de verwachting te wekken alsof wij er 
ons slechts even mee hoefden te 
bemoeien om allerlei problemen in 
de wereld op te lossen. Nu dat 
allemaal in de praktijk niet eenvoudig 
blijkt te gaan, lijkt deze verwachting 
ons van achteren als een hekgolf op 
te lopen en dreigt deze ons te 
overspoelen. 
De vraag is overigens of hetgeen in 
de laatste tien jaren verloren is 
gegaan, eigenlijk niet slechts de 
voorheen min of meer met elkaar 
overeenstemmende opvattingen op 
buitenlands politiek en veiligheidsge-
bied betreffen tussen bij voorbeeld 
de drie grote partijen en de regering, 
en niet zo zeer de echte consensus in 
de publieke opinie. 
Over dit laatste zouden wij ons, 
zoals professor Russell in 'Nederland-
se Buitenlandse Politieke Aspecten 
en Achtergronden' 15 jaar geleden 
reeds deed, misschien moeten 
afvragen of eigenlijk in het verleden 
toch niet meestal beslissingen over 
de buitenlandse politiek waren 
voorbehouden aan elitegroepen die 
achter gesloten deuren vergaderden 
en akkoorden sloten, terwijl het 
publiek weinig op de hoogte was en 
een passieve rol speelde. Nu - zoals 
professor Russell toen reeds voorspel-
de - geeft het Nederlandse volk er de 
voorkeur aan, dat buitenlandse 
politiek wèl in het openbaar wordt
bepaald en heeft de gewone burger 
een rol bij haar vorming. 
Gezien het feit, dat deze voorspel-
lingen van 15 jaar geleden zijn uitge-
komen, is er misschien tevens reden 
om professor Russell te volgen in zijn 
analyse, dat het dan ook daar is waar 
de schoen wringt. Het is nu namelijk 
niet meer slechts een betrekkelijk 
kleine elite die zich in alle rust met de 
formulering en de goedkeuring 
- voor zover het de Kamer betreft -
bezighoudt, maar dat het nu zo niet 
de gehele dan toch wel een groot 
deel van de bevolking is, dat er een 
uitgesproken opvatting over allerlei 
buitenlandse zaken op na houdt, zich 
daarover uitspreekt en zich dus 
ermee bemoeit. 
Buitenlandse politiek is politiek 
geworden, namelijk iets dat alle 
burgers van de staat niet alleen 
aangaat, maar zelfs ook in niet 
onbelangrijke mate interesseert. Op 
zichzelf is dat goed, ook al ware te 
wensen dat die interesse misschien 
wat minder 'issue'-gericht zou zijn en 
met wat meer zicht op het beleid en 
de onderlinge samenhang tussen de 
verschillende onderdelen daarvan 
werd onderbouwd. Misschien is dat 
een reden voor meer aandacht voor 
voorlichting en presentatie, zowel 
van de kant van het departement als 
van de kant van de politieke partijen. 
Ook de gevolgen van een politise-
ring zoals wij die thans aan den lijve 
ervaren, werden indertijd door 
Russell voorzegd. Politisering van het 
Nederlands buitenlands beleid zou 
volgens hem waarschijnlijk twee 
effecten hebben. Ook die zijn, zoals 
wij inmiddels hebben kunnen zien, 
thans beide in zekere zin ingetreden. 
Het eerste is een beperking van de 
bewegingsvrijheid van de minister 
van Buitenlandse Zaken, uiteraard in 
overdrachtelijke zin en niet in fysieke 
zin, want daar heeft nog niemand 
zich mee beziggehouden. Het tweede 
effect is een neiging om ons als land 
af te wenden van de VS en de NAVO, 
misschien in de richting van neutra-
lisme, maar duidelijk in de richting 
van een vriendelijkere houding tot de 
Sovjet-Unie, plus meer belangstelling 
voor ontwapening en minder geld 
voor militaire doeleinden. Onzeker 
was Russell niet over de koers, maar 
slechts over de mate waarin een en 
ander zou optreden. 
Gelukkig liet hij het niet daarbij 
zitten en had hij naast een visie op 
wat er in dat geval zou kunnen 
gebeuren ook een oplossing. Wat 
zijns inziens zou kunnen gebeuren, 
was dat het Nederlandse volk gefrus-
treerd zou raken door de 'immoraliteit' 
van de internationale politiek en zo 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2 1 0 8 verzot zou raken op het nastreven 
van utopische doeleinden, dat 
Nederland een pseudo-buitenlands 
beleid zou gaan nastreven, gegrond 
op plechtige vermaningen aan de 
rest van de wereld; ofte wel een zijns 
inziens zinloze beoefening van 
internationale moraliteit, maar geen 
verantwoord buitenlands beleid. 
Bij wijze van onder die omstandig-
heden minder naïef en meer construc-
tief alternatief, stelde Russell toen 
voor dat wijons onder die omstan-
digheden moesten concentreren op 
twee gebieden. Beide waren zijns 
inziens in de lijn met de verwachtingen 
van het Nederlandse volk een overeen-
komstig onze positie van 'kleine' 
mogendheid in het internationale 
politieke systeem. Onze eerste zorg 
zou daarbij gericht moeten zijn op 
Europa en niet eens noodzakelijkerwijs 
in Atlantische zin. Nederland zou met 
andere 'kleinere' Europese bondgeno-
ten aan een Europees veiligheidsbe-
leid moeten werken. Het tweede 
logische concentratiegebied voor 
Nederland zou dan liggen in de 
economische betrekkingen met de 
landen waarmee wij speciale 
historische banden hebben. 
Anderhalve decade nadat Russell 
het bovenstaande signaleerde - hij 
was niet de enige - moeten wij 
constateren dat hij het in belangrijke 
mate bij het rechte eind heeft gehad. 
Dat zijn waarschuwingen over de 
dreigende politisering van het 
buitenlands beleid niet ter harte zijn 
genomen is jammer, maar geen man 
overboord, omdat die ontwikkeling 
toch niet te stuiten was geweest en 
ook nog gunstige kanten heeft. 
Betreurenswaardiger is dat ook het 
toen reeds door hem aangereikte 
recept weinig aandacht heeft 
gekregen. Van de nood van de 
politisering van het buitenlands 
beleid moest een deugd worden 
gemaakt. Nederland zou zich vopral 
moeten richten op herkenbaarder en 
op hun resultaten vanuit Nederland 
ook gemakkelijker te controleren 
doelen, zoals de Europese eenwor-
ding, de ontwikkeling van het 
Europees veiligheidsbeleid en, met 
een wat ruime interpretatie van 
Russel, de ontwikkeling van de voor 
ons land meest relevante bilaterale 
relaties. 
Zou immers de vervreemding die in 
de loop van de jaren toch tussen 
grote delen van de publieke opinie en 
ons buitenlands beleid is opgetreden 
niet aanzienlijk minder zijn geweest, 
als ons buitenlands beleid zich door 
de jaren heen in de feitelijke uitvoering 
meer had beziggehouden met de 
zaken die ons zelf rechtstreeks raken 
en minder met voor de man in de 
straat wat vage en ver wegliggende 
idealen als betere Noord-Zuid- en 
Oost-Westverhoudingen, verbetering 
van het functioneren van de Verenigde 
Naties en mensenrechten wereldwijd? 
Op zichzelf zijn dit allemaal 
behartigenswaardige dingen, maar zij 
zijn bepaald niet vanuit Nederland 
even gemakkelijk te regelen en, 
gelukkig, niet zozeer van invloed op 
ons eigen reilen en zeilen. Zaken die 
ons veel rechtstreekser raken, zijn er 
genoeg. In Europees verband noem 
ik het slaken van de binnengrenzen, 
de vorming van de Europese markt, 
de invoering van het monetaire 
stelsel, het afschaffen van grenscon-
troles en het werken aan een 
gemeenschappelijk Europees 
buitenlands beleid en veiligheidsbe-
leid. In de bilaterale sector noem ik 
de handhaving en versteviging van 
de betrekkingen met voor ons 
belangrijke landen. 
Wat Europa betreft merk ik het 
volgende op. Is het niet zo dat, 
zolang Europeanen intern niet in 
staat zijn orde op zaken te stellen, 
zij ook niet gek op moeten kijken dat 
Europa op het wijdere toneel van de 
hele wereld steeds meer in de rol 
komt van degene, bij wie, over wie 
en zonder wie door anderen gedeli-
bereerd wordt? Wat de politiek 
daarover ook aan verhullends moge 
mededelen, het publiek kijkt daar in 
toenemende mate doorheen. Men 
spreekt daar dan de eigen politieke 
leiders, de enigen tot wie men zich 
kan richten, op aan. Daarbij laat men 
zich in steeds mindere mate impone-
ren door het verhaal dat wijhet nu 
eenmaal niet zijn die aan het stuur 
zitten van de wereld, en dat wij dus 
voor zaken die voor ons wezenlijk 
zijn, vrijwel volledig van anderen 
afhankelijk zijn. 
Ik kom toe aan de bilaterale 
betrekkingen met onze buurlanden. 
Hebben wij - dat geldt ook onszelf 
als parlement en als partijen -
behoudens de hoogste wijsheid van 
het op de winkel passen, wel een 
eigen visie en een eigen beleid ten 
opzichte van de Bondsrepubliek, van 
België, het Verenigd Koninkrijk, 
Frankrijk, respectievelijk tegenover 
een aantal landen die om andere 
redenen sterk onze aandacht 
verdienen, zoals Indonesië, Suriname 
voor en na Bouterse, en Zuid-Afrika? 
In de memorie van toelichting is 
daarover nauwelijks iets te vinden, in 
het programma van mijn partij 
evenmin, en ik denk dat ook in de 
programma's van de andere partijen 
schraalhans keukenmeester is op dit 
punt. 
Toch is geen land voor ons land zo 
belangrijk als de Bondsrepubliek. Ik 
doel met name op punten als 
welvaart, handel, diensten en 
vervoer, technologische ontwikkelin-
gen, kunst en cultuur en wederzijds 
toerisme. Is er één kwestie meer 
vitaal voor onze veiligheid dan de 
verzekerde stabiliteit in de Duitse 
kwestie? Staan wij ooit als Nederlan-
ders stil bij de problematiek van dat 
land, dat als het ware zijn verleden 
maar liever tracht te vergeten, dat 
overdwars doormidden is gescheurd, 
met een breukveld dat dwars door 
steden, straten en families loopt en 
waarvan beide helften op zoek zijn 
naar een soort nieuwe identiteit, 
zonder de oude gezamenlijke te 
willen verraden, althans van de kant 
van de Bondsrepubliek? Hoe onbevan-
gen staan wij tegenover die proble-
men en de eventuele oplossingen 
daarvan? 
Is er behoudens België nog één 
ander land, dat zijn eigen verdediging 
zo volledig met die van een ander 
land, in dit geval de Bondsrepubliek, 
heeft geïntegreerd - namelijk door in 
een voorkomend geval ons hele 
legerkorps en onze hele luchtmacht 
derwaarts te zenden - als Nederland? 
Hoe zit het, naast deze grote factoren, 
met al de relatief kleinere factoren in 
onze wederzijdse betrekkingen met 
de Bondsrepubliek? Ik noem in dit 
verband Urenco, Reinheitsgebot, 
ritvergunningen, Rijnvervuiling en 
Rijnvaart, Berliner Loch, drugbastrij-
ding en Eemsproblemen. 
Mogen die slechts ieder op hun 
eigen merites worden bekeken - wat 
zijn die merites dan - of mogen die 
zelfs ook in hun onderlinge samen-
hang eventueel gebruikt worden om 
in een totaalbeleid legitieme oogmer-
ken, die wij als land hebben, te 
trachten na te streven, al was het 
maar als handvat om de door ons zo 
hoogvereerde Europese integratie 
een stap dichterbij te brengen? 
Iets soortgelijks zou kunnen 
worden gezegd over onze betrekkin-
gen met een groot aantal andere 
landen. Ik noem ze hierna. Onze 
belangrijkste Beneluxpartner en met 
ons gezamenlijk voormalige lokomo-
tief in Europa, België; Frankrijk, 
beurtelings hoop en wanhoop van 
alle oprechte Europeanen; het 
Verenigd Koninkrijk, meestal in 
Europa dwars liggend. Voor ieder van  die landen geldt: wat hebben zij van 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2109 ons nodig, wat hebben wij van hen 
nodig en hoe komen wij tot voor 
beide zijden en voor Europa zo goed 
mogelijke deals? 
Zo zijn er tal van vragen waarover 
de memorie van toelichting er het 
zwijgen toe doet en wijzelf als 
parlementariërs meestal insgelijks. 
Zelfs op het punt van de betrekkingen 
met Zuid-Afrika is het de vraag of wij 
- regering en parlement - wel 
voldoende visie hebben, niet op wat 
fout is, apartheid, maar op bruikbare 
opties, en of wij die voldoende 
uitdragen. De EPS stuurde een 
missie. Nederland heeft dat nooit 
gedaan. Waarom eigenlijk niet? Zijn 
wij daarbij als parlement niet te kort 
geschoten? 
Sprekend over Zuid-Afrika, zal het 
duidelijk zijn dat wij wat het eerste en 
het tweede spoor betreft, vinden dat 
wij dienen vast te houden aan de met 
de regering daarover gemaakte 
afspraken. Dat betekent wat het 
eerste spoor betreft, dat de aandacht 
voorlopig ligt bij de EPS-aanpak. 
Ik zou dezelfde vraag kunnen 
stellen over Suriname.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="268" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Ik meen niet dat 
de missie van de EG zo stimulerend 
was dat wij een nationale missie 
zouden moeten sturen. Is het de heer 
De Boer ontgaan dat de Kamer ooit 
geprobeerd heeft een bezoek te 
brengen aan Zuid-Afrika, maar dat de 
gehele delegatie een visum werd 
geweigerd?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="269" partij="CDA" naam="De Boer">
 Dat is mij 
bekend. Het is mij ook bekend dat de 
Kamer gemeend heeft daarna niet 
meer te moeten proberen, een 
bezoek aan Zuid-Afrika te brengen. Ik 
denk dat als je opvattingen zou 
hebben - de vraag is of wij die 
hebben - over eventuele opties en 
als je kritiek hebt, je bereid moet zijn 
discussies aan te gaan, waarin over 
de eventuele opties zou moeten 
worden gesproken. Ik constateer dat 
dat niet is gebeurd en dat dat ook 
aan ons ligt. Ik constateer verder 
- nog steeds met een zekere vreugde -
dat de EPS wat dat betreft een stuk 
verder is gekomen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="270" partij="PvdA" naam=" Ter Beek">
 De heer 
De Boer zei zoeven dat nadat een 
visum is geweigerd aan de delegatie, 
de Kamer het niet meer opnieuw 
heeft geprobeerd. Het is juist dat de 
Kamer als zodanig dat niet heeft 
gedaan. Ik breng echter in herinnering 
dat ongeveer een half jaar geleden 
een collega van ons, mijn politieke 
vriend Wallage, geprobeerd heeft, een 
bezoek te brengen aan Zuid-Afrika en 
wederom geen visum toegewezen 
kreeg.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="271" partij="CDA" naam="De Boer">
 Ook die 
gegevens zijn in wezen een onderdeel 
van de afweging. Edoch, het blijft zo 
dat het gevolg van dit alles is dat er 
geen inhoudelijke discussie plaats-
vindt. 
Mijnheer de Voorzitter! Ik rond af. 
De Verenigde Naties heeft het jaar 
1986 uitgeroepen tot internationaal 
jaar voor de vrede. Ook Nederland 
heeft dat besluit willen meemaken. 
De feitelijke invulling daarvan is 
- zoals blijkt uit de antwoorden op 
vragen van mevrouw Beckers -
echter op zijn zachtst gezegd 
enigszins summier. Het zou kunnen 
zijn dat de regering daarbij in 
gedachten heeft de vredesproblema-
tiek, die als het ware hoort bij de 
Oost-West-problematiek, waarover 
wij in dit Huis veelvuldig hebben 
gediscussieerd. 
Het zou echter kunnen zijn dat het 
internationale jaar voor de vrede 
gebruikt wordtom een aantal 
problemen de aandacht te geven die 
ze normaal niet krijgen, maar wel 
verdienen; problemen die zich op 
andere delen van de aarde voordoen, 
vredesproblemen en conflicthaarden 
en potentiële conflicthaarden - de 
oorlog tussen Iran en Irak - en de 
situatie tussen Turkije en Griekenland. 
Dit zijn slechts enkele voorbeelden. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">
<spreker pagina="" anker="272" partij="CDA" naam="Gualthérievan Weezel">
 Mijnheer de Voorzitter! Het 
komend EG-voorzitterschap zal van 
het ministerie van Buitenlandse 
Zaken als coördinerend lichaam het 
nodige vragen. Los van extra 
werkdruk zal ook door allerlei 
vakraden de verhouding tussen 
Buitenlandse Zaken en de vakdepar-
tementen met de nodige omzichtig-
heid over en weer ingevuld moeten 
worden. Over dit fenomeen maakt 
prof. Van Staden in de Internationale 
Spectator van september jongstleden 
enige behartigenswaardige opmerkin-
gen. In dat kader toont het samen-
vattend eindrapport van de Herover-
weging 1 9 8 4 nog eens aan hoezeer 
de vervaging tussen binnenlandse en 
buitenlandse politiek is toegenomen 
en het primaat van Buitenlandse 
Zaken op dit terrein als steeds 
minder vanzelfsprekend wordt
aanvaard. 
Op basis van informatie die de 
betrokken departementen zelf 
hebben geleverd, wordtimmers 
vastgesteld dat alle ministeries, 
inclusief Binnenlandse Zaken, zich op 
enigerlei wijze bemoeien met 
buitenlandse betrekkingen. Het 
touwtrekken tussen Buitenlandse 
Zaken en Binnenlandse Zaken over 
de invoering van een nieuw paspoort 
en de paspoortwetgeving lijkt dit 
alles op overduidelijke wijze te 
illustreren. 
En dit alles, waar het huidige 
Nederlandse paspoort een van de 
meest vervalste reisdocumenten ter 
wereld is en de zwarte handel daarin 
floreert. Ik hoop, dat de minister nu 
zal kunnen toezeggen, dat het 
gehakketak hierover thans tot het 
verleden behoort en dat met spoed 
en voorrang zal worden gewerkt aan 
de introductie van een optimaal 
fraudebestendig Nederlands pas-
poort, dat tevens betaalbaar is. De 
tijd dringt en het bange vermoeden 
ontstaat, dat een en ander niet voor 
de verkiezingen afgerond zal zijn. 
Mijnheer de Voorzitter! Wat de 
relatie tussen Buitenlandse Zaken en 
andere departementen en organen 
betreft, merk ik op, dat het jammer 
is, dat het laatste heroverwegingsrap-
port nauwelijks inzicht biedt in de 
aard en het aantal contacten van 
gemeenten en provincies met het 
buitenland. Zo is het langzamerhand 
niet overdreven hier over een zekere 
wildgroei te spreken, waarbij de aard 
van de gemeentefinanciën - Amster-
dam - niet altijd een belemmering 
behoeft te zijn de wereld af te reizen. 
Bij terugkomst kan het dan ook 
gebeuren, dat aan vroede vaderen 
vragen worden gesteld over zaken, 
die eerder thuishoren bij de behan-
deling van de begroting van Buiten-
landse Zaken dan dat zij zich lenen 
voor uitvoerige bespiegelingen in 
gemeenteraden, die hun handen toch 
al vol hebben - Amsterdam - met 
andere, hen direct rakende zaken. In 
ieder geval doet Nederland zijn naam 
als 'flying dutchman' eer aan door 
naar internationale conferenties en 
bij bezoek aan het buitenland in het 
algemeen aanmerkelijk meer delega-
tieleden af te vaardigen dan met ons 
vergelijkbare landen. Dit soort zaken 
onderstreept in ieder geval nog eens 
de noodzaak van het ministerie van 
Buitenlandse Zaken als coördinator 
er zorg voor te dragen, dat de 
samenhang en eenheid van het 
buitenlandse beleid zoveel mogelijk 
gehandhaafd worden. 
Dit neemt niet weg, dat mede als 
gevolg van de door de internationali-
sering toenemende betrokkenheid 
van departementen met eigen 
invalshoeken dit steeds moeilijker zal 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2 1 1 0 worden. In dat licht bezien, zou het 
interessant zijn van de regering te 
vernemen, hoe de coördinatie van 
voorafgaande interdepartementale 
besluitvorming in de praktijk verloopt 
en wat de ervaringen in andere 
landen, zoals België en West-Duitsland 
op dit terrein zijn. 
Hiermee hangt direct samen het 
vraagstuk van generalisme versus 
specialisme, dat immers zowel de 
doeltreffendheid als de doelmatigheid 
van ministerie en posten rechtstreeks 
raakt. Het zal voor het ministerie van 
Buitenlandse Zaken immers steeds 
moeilijker worden om andere 
ministeries op basis van specialisme 
bij te benen. In het bijzonder kan 
hierbij worden gedacht aan grenso-
verschrijdende criminaliteit, zoals 
drugs en terrorisme. Bezit het 
ministerie voldoende know how om 
bij voorbeeld het ministerie van 
Justitie voldoende tegenspel te 
bieden? 
Over de positie van het ministerie 
ten opzichte van dat van Financiën is 
reeds bij een eerdere gelegenheid 
het nodige opgemerkt. De kans, dat 
met name Ontwikkelingssamenwer-
king in de toekomst steeds verder 
ondergesneeuwd zal worden door 
Financiën, wordtlinks en rechts 
uitvoerig aan de orde gesteld. Mede 
in verband hiermee zou mijn fractie 
de minister willen uitnodigen zijn 
visie te geven op de zogenaamde 
integratie van Buitenlandse Zaken en 
Ontwikkelingssamenwerking. 
Uitgesproken en ook niet-uitgespro-
ken ideeën van de heren Bolkestein 
en Van Aardenne staan immers niet 
op zich zelf. Ook professor Van Dam 
gaat in navolging van oud-ambassa-
deur Zeylstra weer uitvoerig in op de 
plaats en taak van Ontwikkelingssa-
menwerking. 
Door naar een studie over de 
mogelijkheden van een agency voor 
Ontwikkelingssamenwerking te 
vragen, heeft ook collega Aarts nog 
eens op gewezen op de noodzakelijke 
flexibiliteit ter zake. Met andere  woorden: hoe verhoudt een volledige 
integratie zich tot de noodzakelijke 
kwaliteitsverbetering van de Neder-
landse hulp? Wat zal een integratie 
met huid en haar betekenen, indien 
de visie-Bolkestein/Pronk - een apart 
ministerie van Ontwikkelingssamen-
werking en Economische Zaken -
werkelijkheid wordt? 
Bij deze beschouwing is dan nog 
niet eens de visie van de Vereniging 
van de Buitenlandse dienst betrokken, 
die in haar ledenblad van november 
de nodige noten kraakt en de 
minister oproept vooral niet overhaast 
te werk te gaan, zolang een nota 
over het personeelsbeleid ontbreekt. 
Een zeker pragmatisme en niet al te 
rigide regelgeving lijken hier dan ook 
gewenst. 
Mijn fractie zou graag meer inzicht 
willen verkrijgen in de weging van 
criteria van Nederlandse diplomatie-
ke posten in het buitenland. Het 
Heroverwegingsrapport brengt hier 
weinig duidelijkheid. De vraag rijst, in 
hoeverre in de toekomst bij dit soort 
heroverwegingen mensen van buiten 
de ambtelijke kring betrokken 
moeten worden. 
Mijnheer de Voorzitter! Terwijl met 
name op het economisch terrein het 
belang van posten buiten Europa 
steeds meer toe lijkt te nemen, en 
aan de andere kant door snelle 
communicatie, EPS en Kamers van 
Koophandel de positie van bilaterale 
posten binnen Europa zienderogen 
afneemt, komt één vraag steeds  meer centraal te staan: in hoeverre is 
de overheid in staat en bij machte, de 
6 0 0 . 0 0 0 Nederlanders in het 
buitenland te bereiken? Door 
Nederlanders in het buitenland 
voortaan direct te betrekken bij 
kamerverkiezingen, door deze groep 
direct stemrecht te geven, wordt een 
extra betrokkenheid gecreëerd bij 
degenen, die zich vaak ter zijde 
voelen geschoven. 
Door deze bevolkingsgroep te 
emanciperen - door haar directe 
verantwoordelijkheid te geven voor 
het politiek gebeuren ~ ontstaat er 
ook een extra plicht, namelijk de 
noodzaak van het optimaal informeren 
over het reilen en zeilen in het 
vaderland, met alle rechten en 
plichten van dien. Het is daarom één 
van twee; óf de consulaten worden, 
met name in landen waar zich veel 
Nederlanders bevinden, versterkt om 
aan de behoefte te voldoen óf de 
Vereniging Nederland in den Vreemde 
'krijgt meer armslag om alle Neder-
landers, die dit wensen, zoveel 
mogelijk informatie over Nederland 
te bieden. 
Ook wij, als leden van politieke 
partijen, hebben de plicht, de 
Nederlandse burger elders de 
mogelijkheden te verschaffen om tot 
een verantwoorde keuze over te gaan 
zonder die burger de indruk te willen 
geven dat hij of zij slechts één keer 
per vier jaar van belang is. Betrokken-
heid en volwaardigheid vormen hier 
sleutelwoorden. Graag zou mijn 
fractie dan ook de visie van de 
regering vernemen op de knelpunten-
nota van de vergeten provincie die 
zojuist is verschenen. Een belangrijke 
vraag is hierbij, wat andere landen op 
dit terrein doen en in hoeverre de 
Nederlandse overheid niet méér 
financieel zal moeten bijdragen. 
Vervolgens wil ik de aandacht van 
de regering vragen voor twee 
onderwerpen, waarmee Nederland in 
de komende voorzittersperiode in het 
bijzonder te maken zal krijgen. Ik doel 
op het Midden-Oosten en Centraal 
Amerika. Met betrekking tot het 
eerste gebied kan langzamerhand de 
vraag worden gesteld, of er naast 
een Amerikaanse politiek ook nog zo 
iets bestaat als een Europees 
alternatief, en dit alles waar de 
Europees/Nederlandse betrokkenheid 
evident is. Unifil en Sinaï toonden en 
tonen immers aan dat Europa wel 
degelijk bereid is, actief te participe-
ren. Dit alles klemt des te meer daar 
juist ten tijde van het Nederlandse 
voorzitterschap de heer Peres zijn 
laatste periode als premier ingaat 
alvorens in november het premier-
schap aan de heer Shamir over te 
dragen. 
Mijn fractie kan er dan ook niet 
genoeg de nadruk op leggen dat juist 
deze periode benut zou moeten 
worden om bepaalde doorbraken, 
met name in de richting van Jordanië, 
te bewerkstelligen. Is de regering 
bereid, om hiervoor bepaalde 
initiatieven te ontwikkelen? Dit is te 
meer van betekenis nu premier Peres 
duidelijk te kennen heeft gegeven, 
met Jordanië zaken te willen doen. 
Dat hierbij de rol van de PLO 
uiterst bescheiden zal moeten zijn, 
wordt niet alleen verklaard door haar 
traditioneel onverzoenlijke hofding
ten aanzien van Israël maar ook door 
haar onmacht om terreur te beteuge-
len. Als die organisatie het alleenver-
tegenwoordigingsrecht voor alle 
Palestijnen opeist, neemt zij tegelijker-
tijd de verantwoordelijkheid op zich 
voor alles wat daar gebeurt en niet 
gebeurt. Wat dit betreft gaat de 
zogenaamde Verklaring van Caïro 
mijn fractie dan ook lang niet ver 
genoeg, net zo min als er waardering 
bestaat voor de visie van de Italiaanse 
premier Craxi als zou de PLO onder 
bepaalde omstandigheden het recht 
hebben op aanslagen op Israëlische 
burgers. 
Mede naar aanleiding van uitspra-
ken van dominee Huting zou het 
daarom interessant zijn, van de 
regering te vernemen wat haar 
opvatting op dit terrein is met 
betrekking tot het Handvest van de 
Verenigde Naties; ik denk nu aan het 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2111 gebruik van geweid voor politieke 
doeleinden. Natuurlijk kan de 
verantwoordelijkheid voor de 
afwezigheid van vrede bij beide 
partijen gelegd worden .  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="273" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 De heer Gualthé-
rie van Weezel nodigt de regering uit, 
iets te vragen naar aanleiding van de 
opmerkingen van dominee Huting. 
Wat is zijn eigen opvatting daarover? </spreker>
<spreker pagina="" anker="274" partij="CDA" naam="Gualthérievan Weezel">
 Ik wijs de opvatting van de 
heer Huting af.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="275" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Kuntuuw 
argumenten daarvoor geven? </spreker>
<spreker pagina="" anker="276" partij="CDA" naam="Gualthérievan Weezel">
 Het doel van niet alleen de 
politiek, maar in het bijzonder ook 
van de kerk, moet zijn via vreedzame 
weg, via de onderhandelingstafel en 
via de dialoog, tot bepaalde verande~ 
ringen in de samenleving te komen. 
Wanneer een kerkleider vormen van 
geweld in het vooruitzicht stelt en 
indirect mensen daartoe opwekt 
- dat heeft hij gedaan - dan vind ik 
dat iets waarvan ik mij ten zeerste 
moet distantiëren, net zozeer als ik 
mij ten zeerste distantieer van 
bepaalde activiteiten van terreurorga-
nisaties tegen volstrekt onschuldige 
vrouwen, kinderen en wat dies meer 
zij, in welke gebieden ook. Daaraan 
mag op geen enkele wijze worden 
meegewerkt. 
Ik nodig de regering uit om een 
visie te geven, omdat Nederland 
altijd het Handvest van de Verenigde 
Naties zo uitlegt, dat afgezien wordt 
van geweld om bepaalde politieke 
doeleinden te bereiken.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="277" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Er zal geen 
misverstand over kunnen bestaan, 
dat ik elke vorm van terreur tegen 
vrouwen, kinderen enz. met de heer 
Van Weezel volledig afwijs. Ik kom er 
dadelijk in mijn eigen bijdrage nog op 
terug, maar ik wil hem nu vragen, of 
hij een recht van opstand ten 
principale afwijst. </spreker>
<spreker pagina="" anker="278" partij="CDA" naam="Gualthérievan Weezel">
 Een recht van opstand kan in 
bepaalde vormen legitiem zijn. Wij 
hebben voorbeelden daarvan 
meegemaakt in de Tweede Wereld-
oorlog, in casu bij het verzet. Niet 
ontkend kan worden, dat men 
gerechtigd is bepaalde acties te 
ondernemen. Ik verzet mij er echter 
tegen als vormen van geweld niet 
worden gekwalificeerd als men in 
feite een oproep doet tot geweld. 
Iedereen weet, dat met name de 
onschuldigen en weerlozen direct het 
slachtoffer daarvan worden. Ik vind 
dat een kerkleider buitengewoon 
grote risico's neemt als hij dat proces 
nu al in het vooruitzicht stelt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="279" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Heeft de 
heer Van Weezel er kennis van 
genomen, dat hij in feite al op zijn 
wenken bediend is, zoals in ieder 
geval ook zijn collega De Boer, die 
vanmorgen op de radio heel duidelijke 
uitspraken heeft gedaan tegen de 
opvattingen van de heer Huting? Zelf 
heb ik gisteravond voor de radio 
dergelijke uitspraken kunnen doen. 
Wij zijn in zekere zin op onze wenken 
bediend doordat, gelukkig, prof. 
Mulder als voorzitter van de Raad 
van Kerken zich vanochten voor de 
radio heel duidelijk en expliciet heeft 
gedistantieerd van de opvattingen 
van dominee Huting. Is de heer Van 
Weezel daarover met mij verheugd? </spreker>
<spreker pagina="" anker="280" partij="CDA" naam="Gualthérievan Weezel">
 Ik ben daarover buitengewoon 
verheugd, omdat opmerkingen als 
die van de heer Huting de bijl leggen 
aan de wortels voor het voortbestaan 
van een eenvormige kerk. De 
polarisatie binnen de kerk wordt 
daardoor op een gigantische manier 
aangewakkerd, Voor veler zal die kerk 
niet meer herkenbaar zijn.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="281" partij="PPR" naam="Beckers">
 Voorzitter! 
De coalitie is het weer eens, maar dit 
lijkt mij watgemakkelijk. Ik heb de 
reactie van de heer Mulder anders 
opgevat. Hij zei heel duidelijk, dat de 
politici die het verhaal van dominee 
Huting onmiddellijk zo hard afwijzen, 
vooral de hand in eigen boezem 
moeten steken. De inzet van de Raad •  van Kerken was en is nog steeds: 
economisch sancties maar op een 
vreedzame manier. Ik vraag de 
coalitie wat hierop haar antwoord is. </spreker>
<spreker pagina="" anker="282" partij="CDA" naam="Gualthérievan Weezel">
 U vertelt een geheel nieuw 
verhaal. Ik heb de heer Huting 
gisteren zelf op de televisie gezien. 
Hij zei toen dat de dialoog eigenlijk 
min of meer voorbij was en dat, als je 
het hem vroeg, nu vormen van 
geweld aan de orde zijn. Wij weten 
heel goed , als wij over dergelijke 
gebieden praten, dat wij heel 
gemakkelijk een gigantisch bloedver-
gieten kunnen krijgen. U weet ook 
dat er op dit ogenblik in Zuid-Afrika 
tussen zwarten geweld bestaat. 
Zwarte politiemensen schieten op 
andere zwarte mensen. Omgekeerd 
hebben zwarte mensen het op een 
gegeven moment op bepaalde 
politiemensen gemunt. Ik vind dat 
kerkelijke leiders buitengewoon 
voorzichting moeten zijn om op dit 
punt toespelingen te maken. Ik kom 
daarmee terug op wat wij over de 
PLO gezegd hebben.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="283" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Daar ging het nu 
niet over. </spreker>
<spreker pagina="" anker="284" partij="CDA" naam="Gualthérievan Weezel">
 Omdatudat niet uitkomt! Dat 
gebeurt zo vaak. U bent geobsedeerd 
door één onderwerp en dat is 
Zuid-Afrika. Als Zuid-Afrikauontnomen 
zou worden, dan blijft er niets vanu
over, mijnheer Scholten. 
Maar ik sprak ook over een ander 
punt. Ik had het over de Palestijnse 
bevrijdingsorganisatie en de vormen 
van geweld, waar onschuldige 
mensen het slachtoffer van kunnen 
worden. Ik vind dat je hierin buiten-
gewoon terughoudend moet zijn. Ik 
kom hierbij terug op mijn vraag hoe 
de regering in dit kader de interpreta-
tie van het Handvest van de Verenigde 
Naties ziet. Dit was mijn oorspronke-
lijke vraag. De heer Scholten vroeg 
naar aanleiding daarvan wat ik van de 
uitlatingen van dominee Huting vond.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="285" partij="PPR" naam="Beckers -de Bruijn">
 
Voorzitter! Ik wil graag een kort en 
zakelijk antwoord op mijn vraag 
hebben. Wij hebben hier jaar na jaar 
de discussies gehad over de stelling 
dat economische sancties de laatste 
vreedzame oplossing zouden zijn. De 
heer Van Weezel kan zich er niet op 
deze manier van afmaken. </spreker>
<spreker pagina="" anker="286" partij="CDA" naam="Gualthérie-van Weezel">
 Voorzitter! Ik zeg niet dat, 
wanneer de economische sancties 
niets uithalen, een vorm van geweld 
een oplossing is. Ik zeg ook dat het 
onze verantwoordelijkheid is om elke 
vorm van geweld zoveel mogelijk te 
vermijden. Het indirect oproepen tot 
geweld is een te verwerpen zaak. Dat 
professor Mulder zich inmiddels van 
de uitlatingen van zijn collega heeft 
gedistantieerd, duidt erop dat er 
terecht binnen de kerk niet uniform 
over deze kwestie wordt gedacht. 
Natuurlijk kan de verantwoordelijk-
heid voor de afwezigheid van vrede 
bij beide partijen gelegd worden. 
Maar nu is het vooral de weigering 
van de PLO om 'ja' te zeggen, een 
'ja' waarvoor de regering-Peres 
daarentegen wel degelijk ruimte lijkt 
te bieden. In dat kader moeten wij de 
rol van de PLO bij eventuele vredes-
besprekingen zien en het is veel te 
vroeg om , zoals een vredesbeweging 
als PAX Christi dat voor ogen staat, 
een volwaardige positie aan de PLO 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2112 toe te kennen, net zozeer als het te 
vroeg lijkt de Sovjet-Unie bij vredeson-
derhandelingen te betrekken zolang 
dat land de in 1967 verbroken 
diplomatieke betrekkingen met Israël 
niet herstelt. 
Mijnheer de Voorzitter! Bij eerdere 
gelegenheid is deze minister terecht 
geprezen voor zijn actieve, bemidde-
lende rol ten aanzien van Centraal-
Amerika, een regio die door het 
EG-lidmaatschap van Spanje en 
Portugal voor Europa alleen nog 
maar aan betekenis zal winnen. Dit 
alles neemt niet weg dat het Neder-
landse voorzitterschap op dit terrein 
weinig valt te benijden. Het Contado-
ra-overleg lijkt immers volstrekt te 
zijn vastgelopen, hetgeen de kans op 
een verdere escalatie in dit gebied 
nog meer vergroot. 
Steeds openlijker wordtthans 
gesproken over de mogelijkheid van 
een Amerikaanse interventie. Zonder 
de Amerikaanse politiek op enigerlei 
wijze te willen omhelzen, valt het wel 
op dat Nicaragua weinig nalaat om 
zijn nabuurstaten de nodige militaire 
vrees in te boezemen. Een belangrijke 
vraag hierbij is of de Amerikaanse 
economische boycot van Nicaragua 
een zo eenzijdige oriëntering van dat 
land op de Sovjet-Unie rechtvaardigt. 
In ieder geval is een beroep op een 
verlenging van de staat van beleg 
geen reden, als volksdemocratie zo 
fors tegen de persvrijheid, de kerk, 
het vakbondswezen en de burgerrech-
ten in te gaan. De opmerkingen van 
de heer Den Uyl bij de laatste 
algemene en politieke beschouwingen 
waren daarom bepaald niet voor 
dovemansoren. Aan een stukje, met 
name door links Nederland, tot nu 
toe zorgvuldig gekoesterde mytholo-
gie lijkt vooralsnog een einde te zijn 
gekomen. De socialistische conclusie 
omdan maar de Nederlandse hulp te 
verdubbelen om daardoor meer 
invloed in dat land te verkrijgen, 
wordt door mijn fractie vooralsnog 
niet gedeeld. 
Mijnheer de Voorzitter! Nog 
gisteren sprak de Elsalvadoriaanse 
bisschop Riveras in dit huis van een 
mogelijke 'Libanisering' van CentraaL 
Amerika. Is zijn pessimisme juist en 
is hierin nog een bemiddelde rol voor 
Europa weggelegd? 
Afsluitend maak ik nog een 
opmerking over het Midden-Oosten. 
Ik bespeur dat er aan de kant van de 
Sovjet-Unie een zekere beweging is 
in het standpunt ten aanzien van 
Israël'. In hoeverre dit in concreet beleid 
tot uiting komt, bij voorbeeld door 
het bevorderen van de immigratie 
van Russische joden, is nog een open 
vraag. Mijn fractie verneemt gaarne 
de visie van de regering op een 
eventuele 'internationalisering' van 
het Midden-Oostenvraagstuk en de 
eventuele rol van de Sovjet-Unie 
daarbij. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="287" partij="D'66" naam="Engwirda">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik wil mijn bijdrage aan 
dit debat beginnen met een aantal 
opmerkingen aan de hand van de 
notitie van de regering over het 
komend Nederlands voorzitterschap 
van de Europese Politieke Samenwer-
king (EPS). Het buitenlands beleid 
van Nederland zal de komende 
periode op een aantal terreinen 
veelal Europees beleid moeten zijn, 
vanwege dat Nederlandse voorzitter-
schap. Dat brengt wellicht enige 
beperkingen met zich, maar biedt 
anderzijds ook mogelijkheden. Mijn 
fractie vindt de notitie over dat 
voorzitterschap weinig substantieel. 
Er is weinig houvast aan te ontlenen 
voor een beoordeling van de voorne-
mens van de regering op dit terrein. 
Hoofdpunten van de notitie zijn het 
beleid ten opzichte van het Midden-
Oosten, Zuid-Afrika, Centraal-Ameri-
ka en de Oost-Westrelatie en ik zal 
ze achtereenvolgens kort aan de orde 
stellen. Ik vind deze prioriteitenstelling 
overigens terecht en ook evident, 
gezien de aandacht die in EPS-ver-
band steeds aan die onderwerpen 
wordt gegeven. Maar wat de regering 
daarover vervolgens te berde brengt, 
blijft steken in algemene bewoordin-
gen. 
Wat het Midden-Oosten betreft, 
wordt slechts gesproken over steun 
aan de gematigde krachten in de 
regio en de verklaring van Venetië als 
uitgangspunt voor het Midden-Oos-
tenbeleid van de EPS en daar blijft 
het dan bij. Waaruit bestaat dan 
precies dat beleid? Wanneer komt er 
nu een echte follow up van Venetië? 
Is er niet opnieuw ruimte voor een rol 
van de EPS in het Arabisch-lsraëlische 
conflict nu er voortdurend pogingen 
worden gedaan om buiten de PLO 
om tot gedeeltelijke vredesregelingen 
te komen? Anders dan de heer Van 
Weezel vindt mijn fractie het niet 
realistisch om de PLO uit te willen 
sluiten. </spreker>
<spreker pagina="" anker="288" partij="CDA" naam="Gualthérievan Weezel">
 Ik ook niet!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="289" partij="D'66" naam="Engwirda">
 Des te 
beter! 
Er is geen oplossing voor het 
conflict zonder recht te doen aan de 
gerechtvaardigde verlangens van het 
Palestijnse volk en mijn fractie acht 
het buitengewoon onwaarschijnlijk 
dat dit uitsluitend met niet-PLO-Pales-
tijnen kan worden verwezenlijkt. Zij 
hoort graag de visie van de minister 
op dit punt. 
Voorzitter! De notitie rept met 
geen woordover de oorlog tussen 
Iran en Irak. Vindt de minister niet 
dat ten aanzien van dit conflict in 
Europees verband actie moet worden 
ondernomen? Dat behoeft zich niet 
eens tot buiten de EG uit te strekken. 
Zou het, gezien de betrokkenheid van 
een aantal lidstaten van de Gemeen-
schap bij de Golfoorlog, nl. als 
wapenleverancier, al niet een hele 
stap vooruit zijn als althans aan de 
Europese wapenleveranties aan de 
strijdende partijen een einde werd 
gemaakt? Ligt hier geen taak voor 
Nederland en het Nederlandse 
voorzitterschap van de EPS? 
Voorzitter! De notitie spreekt over 
gezamenlijk optreden van de Twaalf 
waar sprake is van schendingen van 
de rechten van de mens. In dit 
verband wil mijn fractie nogmaals de 
aandacht vragen voor de situatie in 
Iran. Deelt de minister mijn beoorde-
ling dat dit land, watschending van 
mensenrechten betreft, tot de 
ernstigste in de wereld behoort? Het 
regime van Khomeiny heeft zijn 
tegenstanders bij duizenden geëxecu-
teerd en ook nu nog gaat het regime 
door met willekeurige executies. Dat 
bewind is gebaseerd op terreur en 
Amnesty International rapporteert 
grove en systematische schendir jen
van de mensenrechten in dat land. 
Door zijn aard is het Iraanse 
regime, anders dan de meeste 
andere landen in de wereld, vrijwel 
ongevoelig voor de publieke opinie 
en de wereldopinie. Ik zou de 
minister dan ook de vraag willen 
voorleggen of dat niet betekent dat, 
willen wij een eind helpen maken aan 
de schendingen van de mensenrech-
ten in Iran, wij moeten overwegen 
om in Europees verband verder 
te gaan dan veroordelingen in New 
York of Genève. Voor mijn fractie 
houdt dat in de eerste plaats in dat 
handelsbevorderende activiteiten ten 
opzichte van Iran moeten worden 
gestaakt. 
Wat Nederland betreft, zou de 
NCM niet langer open moeten staan 
voor transacties in en met Iran. 
Graag verneem ik hierop de reactie 
van de minister. Mijn fractie vindt 
ook dat er geen bezoeken van 
Nederlandse bewindslieden aan Iran 
zouden moeten plaatsvinden. Is de 
Tweede Kamer 
10 december 1985 Buitenlandse Zaken 
2 1 1 3 minister bereid te bevorderen, dat 
het bezoek van staatssecretaris 
Bolkestein van Economische Zaken, 
dat kennelijk nog steeds gepland is, 
geen doorgang vindt? 
Is de minister tevens bereid, in 
EPS-verband te bevorderen dat ook 
andere Europese landen die beleidslijn 
gaan volgen? 
Voorzitter! De passage over 
Zuid-Afrika in de notitie is naar de 
mening van mijn fractie eveneens 
tamelijk mager. Is de benadering, in 
de notitie verwoord, bovendien niet 
achterhaald door de recente en 
huidige gebeurtenissen in dat land? 
Wat is tegen die achtergrond nog de 
inhoud van frases als 'het bevorderen 
van een vreedzaam veranderingspro-
ces' en 'het opvoeren van de 
gezamenlijke druk op de Zuidafrikaan-
se regering'? De ontwikkelingen in 
Zuid-Afrika gaan met steeds meer 
geweld gepaard. 
Het apartheidsbewind is niet 
bereid tot echte hervormingen 
- president Botha heeft dat met 
zoveel woorden gezegd - en het 
regime slaat de oppositie genadeloos 
en met bruut geweld noer. De EPS is 
tot nu toe niet in staat gebleken tot 
werkelijke actie. Zij laat daarmee in 
feite de ontwikkelingen op hun 
beloop. Welke initiatieven mogen wij 
van het Nederlandse voorzitterschap 
verwachten om die situatie ten 
goede te keren? Wat is concreet de 
opdracht en het doel van de voorge-
nomen missie naar de Frontlijnstaten? 
Voorzitter! Een positieve ontwikke-
ling in Zuid-Afrika is de recente 
aaneensluiting van een groot aantal 
vakbonden in COSATU (Congress of 
South-African Trade Unions). Ik 
neem aan dat ook de minister die 
ontwikkeling positief beoordeelt en 
dat deze organisatie in aanmerking 
zal komen voor steun vanuit de EG en 
ook vanuit Nederland. Graag een 
reactie van de minister hierop. Ik 
vraag me wel af, of er ook naar 
COSATU geluisterd wordt als deze 
organisatie pleit voor een investe-
ringsstop en voor desinvestering; een 
organisatie die - ik onderstreep het 
belang hiervan - groepen vertegen-
woordigt die het door dit soort 
maatregelen bepaald niet makkelijker 
zouden krijgen. Is dat dan niet een 
reden te meer om zulke maatregelen 
te nemen? 
Voorzitter! De passage over 
Centraal-Amerika is weinig substan-
tieel. Bij een eerdere gelegenheid 
heeft mijn fractie reeds haar kritiek 
geuit op de beperking van rechten en 
vrijheden door de Sandinistische 
regering van Nicaragua en op de 
weigering van dat land om de Acta te 
ondertekenen. Wij hebben dat 
betreurd. Wel hebben wij erbij 
gezegd dat de verlangens van 
Nicaragua inzake Amerikaanse 
garanties in een protocol bij die Acta 
niet ongegrond zijn. Is de minister 
bereid om er als EPS-voorzitter naar 
te streven dat de EPS-landen er met 
kracht bij de Verenigde Staten op 
zullen aandringen om ondubbelzinnig 
af te zien van een oplossing door 
middel van geweld? 
Tot nu toe hebben de Amerikanen 
deze keuze niet willen maken en het 
heeft er alle schijn van dat zij het 
Contadora-proces als dekmantel 
gebruiken voor hun steun aan 
subversieve acties in de regio. Hoe 
groot acht de minister de kans dat de 
Verenigde Staten vroeg of laat toch 
tot militaire actie tegen Nicaragua 
zullen overgaan, bij voorbeeld als de 
activiteiten van de Contra's in de 
ogen van Amerika onvoldoende 
effect sorteren? Wantis niet nog 
steeds een verklaarde doelstelling 
van het beleid van de Verenigde 
Staten het verdrijven van de Sandi-
nisten? En is dat dan niet regelrecht 
in strijd met de doelstellingen van het 
Contadora-proces? 
Voorzitter! Ik sluit af met een 
enkele opmerking over de Oost/West-
relatie. Op dit terrein heeft de EPS 
nog een lange wegte gaan. Het 
ontbreken van een consultatie van 
het EPS-voorzitterschap door de 
Amerikaanse president voorafgaande 
aan diens ontmoeting met de 
Russische partijleider heeft dat ook 
duidelijk aangegeven. Is de minister 
bereid om als EPS-voorzitter te 
streven naar een zelfstandige en 
gezamenlijke rol van de Twaalf in de 
betrekkingen tussen Oost en West? 
Ik besef dat dit nog steeds enige 
zending vereist, ook intern, maar als 
we Europa echt vooruit willen helpen, 
dan is een eigen Europese identiteit 
in alle veiligheidszaken, zowel 
politiek als militair, noodzakelijk. 
Graag de visie van de regering 
hierop. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="290" partij="VVD" naam="Voorhoeve">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Bij deze begrotingsbe-
handeling geef ik namens de VVD-
fractie een kort algemeen oordeel 
over het beleid; daarna breng ik 
enkele afzonderlijke beleidsvragen 
naar voren. 
Het beleid van de minister van 
Buitenlandse Zaken getuigt van 
deskundigheid en consistentie. De 
VVD staat achter zijn nadruk op een 
loyale bijdrage aan de NAVO-politiek 
van gezamenlijke veiligheid door 
collectieve verdediging, coördinatie 
van buitenlandse politiek in NAVO-
consultaties en gezamenlijke aanpak 
van onderhandelingen met de 
Sovjet-Unie over tweezijdige 
wapenbeperking en spanningsvermin-
dering. 
De VVD staat ook achter het 
streven naar een Westeuropese 
eenheid door versterking van de 
Europese Gemeenschappen (EG), de 
Europese Politieke Samenwerking 
(EPS) en het Europees Montetair 
Stelsel (EMS), het tweede doel van 
het beleid van Buitenlandse Zaken. 
Als bewindsman heeft de minister 
de afgelopen jaren grote werkkracht 
en degelijkheid getoond. Hij zet 
daarmee de beste tradities van het 
buitenlands beleid van ons land na de 
tweede wereldoorlog voort. Daardoor 
heeft ons land de laatste drieëneenhalf 
jaar zijn positie onder de westelijke 
landen versterkt. De bondgenoot-
schappelijke kritiek op ons land, een 
kritiek die de VVD deelde (de trage en 
onzekere besluitvorming inzake het 
Nederlandse aandeel in het NAVO-
dubbelbesluit sinds 1977), is gelukkig 
door de consequente uitvoering van 
het 1-juni-besluit afgenomen. 
De VVD had overigens liever 
gezien dat het kerntakenbeleid 
sterker in overeenstemming met de 
NAVO was gebleven, maar zij 
respecteert het compromis van 1 
november, om al eerder uiteengezette 
redenen. Het kerntakengedeelte was 
niet ideaal; onze positie als bondge-
noot is door dit kabinet dus wel 
versterkt, maar nog niet maximaal 
geworden. 
Het Europese beleid is vooral door 
de staatssecretaris vorm gegeven. Hij 
blinkt uit door grote dossierkennis, 
professionaliteit en grondigheid. 
Wellicht had de staatssecretaris wat 
meer aan de weg moeten kunnen 
timmeren en de politieke presentie 
van het staatssecretariaat nog meer 
kunnen benadrukken. Door de 
verweving van binnenlands beleid en 
Europese samenwerking is dit een 
bijzonder staatssecretariaat, dat sterk 
coördinerende bevoegdheden dient 
te hebben en in feite een onder-mi-
nisterschap voor Europese zaken 
moet zijn.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="291" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 U hebt gezegd: 
de staatssecretaris had wat meer aan 
de weg moeten kunnen timmeren. 
Waardoor is dat belet? 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2 1 1 4 :::NLANK::: pagina="" :::

</spreker>
<spreker pagina="" anker="292" partij="VVD" naam="Voorhoeve">
 Dat 
wordt onder andere belet door de 
verminderde belangstelling in ons 
land voor de Europese samenwerking. 
Daarvoor is het enthousiasme onder 
de bevolking en helaas onder de 
media duidelijk verminderd. Daardoor 
valt er minder licht op deze belangrijke 
post bij het kabinet. 
Ik noem de hoofdpunten voor het 
buitenlands beleid in de komende 
jaren wat de VVD betreft. 
1. Versterking van de vrede, 
speciaal voor West-Europa in de 
NAVO. Dat onderwerp komt aan de 
orde bij de bespreking van het 
NAVO-deel van de begroting. 
2. De Europese samenwerking; 
daarover praten wij morgen verder. 
3. Bestrijding van internationale 
gewelddadige agressie. Dat dient 
vooral te geschieden door landen die 
het slachtoffer zijn van agressie, 
zowel politiek als humanitair bij te 
staan. Natuurlijk dient dat ook te 
wordenbereikt via een versterking 
van de Verenigde Naties en van het 
volkenrecht. 
In dit kader (slachtoffers van 
agressie) vraag ik wederomspeciale 
aandacht voor de oorlog van de 
Sovjet-Unie tegen Afghanistan. 
De VVD wordt hierbij niet door 
selectieve verontwaardiging geleid. 
Het gaat hierbij immers om de meest 
omvangrijke militaire agressie, de 
ernstigste mensenrechtenschending 
en de grootste stroom van vluchtelin-
gen in de wereld. De tijd lijkt ons rijp 
voor erkenning van het Afghaans 
verzet als relevante politieke factor. 
Ons land en verscheidene andere 
Westeuropese landen erkennen het 
regime van Babrak Karmal niet. Door 
zijn verdeeldheid is het verzet in 
Afghanistan echter ook niet duidelijk 
politiek erkend. 
Nu de verzetsorganisaties sinds 
eind oktober een zevenpartijenallian-
tie hebben opgericht - deze alliantie 
bundelt het verzet van het overgrote 
deel van de bevolking en beheerst 
feitelijk ongeveer 8 0 % van het 
platteland in Afghanistan - is er 
reden, vraagtekens te plaatsen 
achter de vertegenwoordiging van 
Afghanistan als natie in de Verenigde 
Naties door het bewind in Kaboel. In 
de Verenigde Naties is ook het 
bewind van Cambodja niet erkend, 
dat door Vietnam wordtoverheerst. 
En dat, terwijl een deel van het 
Cambodjaanse verzet in het verleden 
afgrijselijke misdaden tegen de 
Cambodjaanse bevolking heeft 
begaan. 
Het Afghaanse verzet mag dan 
internationaal-politiek nog niet zo'n 
krachtige presentie hebben, het staat 
moreel en volkenrechtelijk in een veel 
sterkere positie. Ons land heeft al in 
januari 1983 zeven vertegenwoordi-
gers van het verzet op het hoogste 
niveau op het ministerie van Buiten-
landse Zaken ontvangen. Daarmee 
kreeg de politieke erkenning van dit 
verzet een begin. Dat is ook in 
andere Westeuropese landen en de 
Verenigde Staten geschied. De tijd is 
nu aangebroken, dit nader reliëf te 
geven. Daarom vraag ik de minister, 
te onderzoeken of een aantal van de  volgende punten kan geschieden: 
- dat de zevenpartijenalliantie 
desgewenst een informatiekantoor in 
Nederland vestigt; 
- dat in de VN-organisaties 
volgend jaar de geloofsbrieven van 
het regime in Kaboel ter discussie 
worden gesteld; 
- dat in de organisaties van de 
Verenigde Naties wordtgepoogd om 
op den duur de zevenpartijenalliantie 
een bepaalde status te geven, om te 
beginnen als waarnemer. Dit is te 
vergelijken met de status die eerder 
aan andere verzets- en bevrijdingsbe-
wegingen is toegekend; 
- dat door Nederland en de 
EPS-partners de wens wordtuitge-
sproken om op enigerlei wijze de 
verzetsalliantie te betrekken bij de 
beprekingen over Afghanistan onder 
auspiciën van de VN, aangezien een 
politieke regeling zonder deelname 
van de alliantie geen kans op succes 
biedt. 
Ik spreek hierbij wel de hoop en 
verwachting uit dat alle partijen in 
deze Afghaanse alliantie bereid 
zullen zijn om , ondanks de uiterst 
moeilijke verzetssituatie, ook in de 
toekomst het humanitair oorlogsrecht 
en de mensenrechten te respecteren, 
ook al wordt dit recht door de 
bezettingsmacht en het regime in 
Kaboel dagelijks grof geschonden. 
In de Tweede Kamer bestaat 
unanieme steun voor humanitaire 
hulp aan de oorlogsslachtoffers. De 
VVD wil spoedig nader overleg met 
de regering - in het bijzonder met de 
minister voor Ontwikkelingssamen-
werking - over de uitvoering van de 
motie die daarover in maart is 
aanvaard. 
Al deze opmerkingen hadden 
betrekking op het derde hoofdpunt 
uit mijn betoog, te weten de bestrij-
ding van internationale gewelddadige 
agressie.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="293" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Ik achtubijzonder 
deskundig op het gebied van 
Afghanistan. Ik heb in de internatio 
nale pers gelezen dat de bereidheid 
bij de Sovjet-Unie om tot een 
oplossing te komen, groeiende zou 
zijn. Kuntudaarop vanuit uw visie 
een commentaar geven?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="294" partij="VVD" naam="Voorhoeve">
 Deze 
berichten zijn gebaseerd op een 
uitlating van de heer Zamjatin, 
gedaan in Genève. Hij heeft gezegd 
dat de Sovjet-Unie belangstelling zou 
hebben voor een politieke oplossing. 
Dit is echter niet nader ingevuld door 
de Sovjet-Unie. Het woord'oplossing' 
kan van alles betekenen. Het kan een 
gedeeltelijke terugtrekking beteke-
nen, nadat zich een volstrekt onder-
horig regime in Kaboel heeft gestabi-
liseerd. Het kan ook betekenen dat 
de Sovjet-Unie werkelijk een beetje 
wil onderhandelen in VN-kader. Van 
het laatste is helaas nog weinig 
gebleken. 
De Afghaanse verzetsorganisaties 
rapporteren eerder het tegendeel van 
een bereidheid om tot een politieke 
oplossing te komen, namelijk een 
sterke intensivering van de feitelijke 
oorlogsvoering in Afghanistan. Aan 
deze geruchten uit de internationale 
pers ontleen ik dan ook weinig 
optimisme. 
Mijnheer de Voorzitter! Het vierde 
punt op de lijst van prioriteiten voor 
de komende jaren lijkt mij de 
naleving van de reenten van de 
mens. Uit de lange lijsten van landen 
waar grove onderdrukking plaatsvindt, 
vraag ik thans speciaal de aandacht 
voor Ethiopië en Irak. De rapportage 
van de organisatie Artsen zonder 
grenzen over deportaties door het 
communistisch bewind in Ethcpië 
zijn huiveringwekkend. Wil de 
minister bilateraal en met de EPS-
partners een ernstig protest laten 
horen en de VN-commissie voor de 
rechten van de mens verzoeken een 
rapporteur een onderzoek te laten 
instellen? 
De gewelddadige strijd tussen de 
regering van Irak en de Koerden 
neemt buitengewoon grove vormen 
aan. Is de minister bereid ook hier 
met de EPS-partners, de Irakese 
regering om een meer humane 
aanpak te vragen en op een politieke 
oplossing aan te dringen door een 
zekere autonomie aan de Koerden te 
schenken? 
De vijfde prioriteit, mijnheer de 
Voorzitter, betreft bestrijding van het 
internationaal terrorisme. Terrorisme 
is voor veel landen een ernstig 
binnenlands veiligheidsprobleem en 
tevens een internationale bedreiging. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2115 Terrorisme is onvoorspelbare 
oorlogvoering op kleine schaal tegen 
onschuldige burgers. Dit is even laf 
als wreed. Geen enkel doel kan 
terrorisme rechtvaardigen. Omdat 
gewone oorlogvoering de meeste 
agressoren te duur en te riskant is 
groeit de terroristische aanpak. Het 
terrorisme heeft ook banden met de 
internationale narcoticahandel. 
Vorig jaar al waren er 6 0 0 terroris-
tische aanslagen in de wereld. Die 
zijn het meest gericht tegen gematig-
de regeringen en open democratische 
samenlevingen, omdat deze het 
meest kwetsbaar zijn en de meeste 
scrupules hebben in het nemen van 
tegenmaatregelen. De wereldge-
meenschap als geheel dient daar 
hard tegen op te treden. 
Ik vraag de regering om speciaal 
de volgende maatregelen te treffen. 
Ten eerste moet een verbetering 
plaatsvinden van de informatie-uit-
werking met de Europese Gemeen-
schappen, de NAVO-leden, pro-Wes-
terse regeringen en gematigde 
regeringen in het Midden-Oosten. 
Ten tweede moet een verbetering 
plaatsvinden van de uitvoering van 
het Europees Verdrag tegen het 
terrorisme. Ten derde moet een 
aanvulling en versterking van 
uitleveringsverdragen plaatsvinden. 
Daar ontbreekt nog heel wat aan. Ten 
vierde moet een sanctiebeleid 
wordenvastgesteld tegen landen die 
terroristen steunen, opleiden en 
beschermen in het kader van 
internationale organisaties zoals de 
ICAO, de IATA, de IMO en andere. 
Ten vijfde moeten eventueel zelfs 
bilaterale sanctiemaatregelen 
wordengenomen, bij voorbeeld het 
afbreken van ontwikkelingshulp aan 
regimes die terroristische organisaties 
steunen. Ten zesde moet medewer-
king plaatsvinden aan het anti-terro-
risme-steunprogramma van de 
Verenigde Staten. Ten zevende moet 
het werk van de ad hoe-groep van de 
EPS tegen diplomatiek terrorisme 
wordenvoltooid. Welke mogelijkhe-
den zijn er om dit, onder het Neder-
landse voorzitterschap, tot een goed 
resultaat te brengen?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="295" partij="PvdA" naam="Ter Beek">
 Ik 
ondersteun van harte alle acties 
tegen het terrorisme die de heer 
Voorhoeve ondersteunt. Men zit 
alleen soms met het probleem wat 
als terrorisme moet worden aange-
merkt en wat niet. Om daar enige 
klaarheid in te krijgen vraag ik de 
heer Voorhoeve of hij bij voorbeeld 
de contra's in Nicaragua als terroristen 
beschouwt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="296" partij="VVD" naam="Voorhoeve">
 In zijn 
algemeenheid niet, omdat het hier 
gaat om een vorm van burgeroorlog. 
Maar, er zijn ongetwijfeld door 
contra's ook terroristische activiteiten 
gepleegd. Die keur ik af.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="297" partij="PvdA" naam="Ter Beek">
 Maar wat
vindt de heer Voorhoeve dan van de 
Amerikaanse steun aan terroristen? 
Hij wilsancties tegen landen die 
terroristen steunen, etcetera, 
etcetera.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="298" partij="VVD" naam="Voorhoeve">
 De 
Amerikaanse steun is geen vorm van 
terrorisme, omdat het hier gaat om 
steun aan een groepering in een 
situatie van burgeroorlog. Overigens 
keur ik, noch de V V D , de militaire 
steun aan de contra's goed. Daar 
hebben wij altijd afstand van geno-
men .  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="299" partij="PvdA" naam="Ter Beek">
 Ter  verduidelijking: ik kwam op mijn 
vraag omdatuacties wilt - zelfs 
boycotacties- tegen landen die 
terroristen steunen, opleiden en 
beschermen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="300" partij="VVD" naam="Voorhoeve">
 Ja, maar 
u moet wel goed onderscheid maken 
tussen burgeroorlogen en opstanden 
enerzijds en terrorisme anderzijds. 
Terrorisme is gericht tegen burger-
doelen en is willekeurig en onvoor-
spelbaar, om vooral groot leed onder 
non-combattanten te veroorzaken. 
Mijnheer de Voorzitter! Al deze 
prioriteiten in het buitenlands beleid 
van de komende jaren sluiten niet uit, 
dat er nog allerlei andere onderwerpen 
zijn waarvoor het buitenlands beleid 
moet zorgdragen. Bij andere gelegen-
heden zullen wij daarop nader 
ingaan. Het buitenlands beleid en de 
grote taken waarvoor de minister en 
de staatssecretaris staan kunnen 
uiteraard alleen worden uitgevoerd 
als zij ook over een voortreffelijk 
apparaat en instrument - dus het 
departement - beschikken. Daarover 
zal mijn collega Weisglas thans een 
aantal zaken naar voren brengen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="301" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Ik zal ingaan op een 
aantal meer institutionele aspecten  van het buitenlands beleid: taak en 
plaats van het ministerie, taak van de 
diplomatieke posten, personeelsbe-
leid, de komende integratie en 
invloed van de bezuinigingen op het 
functioneren van het ministerie. Bij 
dit alles dient de wens en de noodzaak 
tot verdere vergroting van de 
doelmatigheid, de effectiviteit en de 
kwaliteit van het werk van Buitenland-
se Zaken voorop te staan. 
De minister van Buitenladse Zaken 
dient de eenheid van het Nederlandse 
buitenlandse beleid te bewerkstelli-
gen door middel van het coördineren 
van en richting geven aan de 
internationale activiteiten van alle 
departementen. Dat is er de afgelopen 
10a1 5 jaar niet gemakkelijker op 
geworden. Door de internationalise-
ring van belangrijke onderdelen van 
vrijwel alle sectoren van het nationale 
beleid en door het steeds vaktechni-
scher worden van vele internationaal 
spelende onderwerpen, ontstaat een 
steeds grotere betrokkenheid van 
vrijwel alle ministeries bij de buiten-
landse betrekkingen van Nederland. 
Daardoor is er in die afgelopen 10 
a 15 jaar versnippering ontstaan van 
het buitenlands beleid en is de greep 
van Buitenlandse Zaken op de 
totaliteit der buitenlandse betrekkin-
gen minder geworden. Het is voor 
Buitenlandse Zaken moeilijker 
geworden om de eenheid van het 
buitenlands beleid te bewerkstelligen 
en de specifieke bijdragen van de 
vakministers te integreren en te 
coördineren. 
Mijnheer de Voorzitter! De coördi-
nerende taak van de minister van 
Buitenlandse Zaken lijkt ten dele te 
zijn overgenomen door de minister-
president. Dat is wel begrijpelijk, 
maar de steeds grotere bemoeienis 
van de minister-president met het 
buitenlands beleid doet af aan de 
positie van de minister van Buiten-
landse Zaken en de door hem in te 
nemen coördinerende en leidingge-
vende rol bij het buitenlands beleid. 
Ik wil niet zo ver gaan als een 
anoniem CDA-fractielid in de Haagse 
Post, die zei dat de minister van 
Buitenlandse Zaken is geworden tot 
directeur-generaal Buitenlandse 
Zaken van de minister-president, 
maar het is toch maar gezegd, zij het 
door een anoniem CDA-kamerlid! 
Voorzitter! Die grotere bemoeienis 
van de minister-president komt 
natuurlijk ook voort uit diens rol in 
EG-verband. Wat is trouwens de 
reden dat de komende Europese 
Raad in Den Haag zal plaatsvinden 
en niet, zoals normaal het geval zou 
zijn geweest, in Brussel? 
Voorzitter! Voorts komt die 
bemoeienis van de minister-president 
voort uit het in mijn ogen te betreuren 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2 1 1 6 feit, dat de Nederlandse buitenlandse 
politiek regelmatig tot speelbal van 
binnenlandse politiek is geworden, 
waardoor een minister-president 
eraan te pas moet komen om de zaak 
binnenlands politiek niet uit de hand 
te laten lopen. 
Om de coördinerende, initiërende 
en integrerende rol in het buitenlands 
beleid te kunnen vervullen, moet 
Buitenlandse Zaken de kwaliteit en 
de effectiviteit van het ambtelijk 
apparaat - in Den Haag en in het 
buitenland - behouden, zo nodig 
versterken en aanpassen aan de 
eisen van deze tijd. Er lijkt thans een 
gebrek te bestaan aan een duidelijke 
perceptie van wat men in de huidige 
tijd met dit apparaat aan kan, moet 
en wil. Daarom is het nodig zich te 
beraden over de vraag wat de 
huidige en toekomstige taakstelling 
moet zijn van het departement en de 
posten, welke prioriteiten aan hen 
gesteld moeten worden , wat hun 
relatie is tot de andere miniteries, 
wat hun functie is in het internationale 
krachtveld en welke hulpmiddelen en 
werkwijzen daarbij nodig zijn. 
Op al die vragen is natuurlijk nu 
niet meteen een antwoord te geven, 
maar wil de minister hierop later 
schriftelijk terugkomen, bij voorbeeld 
in de memorie van toelichting op de 
begroting voor 1987? Dan kan 
misschien ook gebruik worden 
gemaakt van de resultaten van het 
over dit soort onderwerpen rond 
Pasen 1986 door de Vereniging van 
de Buitenlandse Dienst en het 
Instituut Clingendaal te organiseren 
symposium. 
Het is ook noodzakelijk, dat op 
Buitenlandse Zaken een duidelijk en 
modern personeelsbeleid tot stand 
komt. Een dergelijk personeelsbeleid 
moet in ieder geval regels bevatten 
ten aanzien van loopbaanplanning, 
beoordeling, bevorderingen en 
overplaatsingen. 
Ook het tegemoetkomen aan 
verlangens een partner om zijn of 
haar beroep uit te oefenen dient 
zoveel mogelijk geregeld te worden, 
bij voorbeeld door het opspeuren van 
vacatures in het buitenland en het 
afsluiten van verdragen ter zake met 
de gastlanden. Een ander onderwerp 
is de gelijke behandeling van 
gehuwden en niet-gehuwd duurzaam 
samenlevenden. Wat dit laatste 
betreft, is de VVD-fractie zeer 
verheugd over de recente antwoorden 
op vragen van de Kamer daarover. 
Ik heb overigens in kringen van 
Buitenlandse Zaken gehoord, dat het 
eigenlijk niet zo moeilijk moet zijn om 
oplossingen te vinden voor de 
problemen van de duurzame niet~hu-
welijkse samenlevingsvormen, omdat 
men in de kringen van de Buitenlandse 
Dienst inmiddels immers ruime 
ervaring heeft met de problematiek 
van de niet-duurzame huwelijkse 
samenlevingsvormen. 
Het personeelsbeleid moet als doel 
hebben een effectief en goed 
functionerend ministerie van Buiten-
landse Zaken mogelijk te maken, 
alsmede de toekomstige geïntegreer-
de Dienst Buitenlandse Zaken een 
aantrekkelijke arbeidsomgeving te 
maken voor alle daarvoor in aanmer-
king komende Nederlanders. Het is 
daarom van belang dat een nota over 
dit personeelsbeleid voor het van 
start gaan van de integratie aan de 
ambtenaren bekend is en onderwerp 
van overleg met hen kan zijn. Deelt 
de minister die opvatting? 
'Uitstellen is vernielen'. Dat stond 
in oktober 1976 in het rapport van de 
commissie-Thomassen over de 
integratie tussen de diplomatieke 
dienst en de ambtenaren van het 
ministerie. Wij zijn nu ruim negen 
jaar verder en de integratie is er nog 
niet. Vernieling lijkt nog niet te zijn 
ingetreden, maar haast - geen 
overhaast - is wel geboden. In de 
memorie van toelichting staat dat te 
verwachten is dat de integratie in 
deze kabinetsperiode een feit zal 
worden. Graag krijg ik nog eens een 
bevestiging daarvan door de minister. 
De VVD-fractie onderschrijft nog 
steeds de redenen voor de integratie 
die worden genoemd in het  rapport-Thomassen: verhoging van de 
effectiviteit en de doelmatigheid van 
het apparaat, wat voor ons het 
hoofddoel van de integratie is en 
blijft; tegengaan van interne commu-
nicatiestoornissen tussen diplomaten 
en ministerie-ambtenaren, al lijkt dat 
in de loop der jaren een minder groot 
probleem te zijn geworden; verruimen 
van kennis van respectievelijk de 
Nederlandse en de buitenlandse 
samenleving bij de twee groepen 
personeel. 
Ten einde te kunnen waken over de 
eenheid van het buitenlands beleid 
en om coördinerend, initiërend en 
integrerend te kunnen optreden ten 
opzichte van de andere departemen-
ten, moet op Buitenlandse Zaken 
voldoende kennis behouden blijven 
over de verschillende terreinen van 
de buitenlandse betrekkingen. 
Daarom zou loopbaanplanning in de 
geïntegreerde dienst op 'meervoudig 
specialisme' gericht moeten zijn. Dat 
wil zeggen dat een ambtenaar zich 
gedurende de loopbaan specialiseert 
op een aantal deelterreinen van 
buitenlands beleid. Ook zou in 
sommige gevallen langere plaatsing 
op een post mogelijk moeten zijn. 
De integratie vergroot weliswaar 
de mobiliteit en de flexibiliteit van de 
ambtenaren van Buitenlandse Zaken, 
maar er blijft een schot bestaan 
tussen Buitenlandse Zaken en de 
overige ministeries. Ter vergroting 
van de ook door mijn fractie gewenste 
interdepartementale mobiliteit zou de 
integratie bij Buitenlandse Zaken ook 
de internationale afdelingen van de 
overige ministeries moeten omvatten. 
Dat vergemakkelijkt de realisering 
van het meervoudig specialisme en 
van langere plaatsingen in Den Haag. 
Ook bevordert het de eenheid van 
het buitenlands beleid, omdathet 
verkokering en oogklepperij tegen-
gaat. 
Ook de bezuinigingen bij Buiten-
landse Zaken - de 2%-operatie en 
structurele ombuigingen - zouden 
dienstbaar moeten worden gemaakt 
aan de verhoging van de kwaliteit en 
de effectiviteit van het apparaat, bij 
voorbeeld door privatisering door 
middel van overdracht van bepaalde 
taken aan de Vereniging Nederlanders 
in den Vreemde. Wat zijn overigens 
de mogelijkheden voor een beschei-
den financiële bijdrage aan die 
vereniging? 
Verder dienen bij de taakomschrij-
vingen van de posten en het ministerie 
duidelijke criteria te worden ontwik-
keld op basis waarvan eventueel 
inkrimpingen kunnen plaatsvinden. 
Sluiting van posten in het buitenland 
zou naar onze mening pas in allerlaat-
ste instantie moeten plaatsvinden. 
Zijn er overigens al plannen daartoe 
en zo ja, ten aanzien van welke 
posten en op grond van welke 
criteria? In eerste instantie zou 
moeten worden gewerkt aan stroonv 
lijning van vooral de grote bilaterale 
ambassades en het ministerie, 
alsmede aan een efficiëntere taakver-
vulling, waarbij veel duidelijker dan 
thans het geval is prioriteiten moeten 
worden gesteld. Graag verneem ik 
een reactie van de minister op de 
hoofdlijnen van hetgeen ik naar voren 
heb gebracht. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="302" partij="PSP" naam="Van der Spek">
 
Mijnheer de Voorzitter! Ik heb al 
eerder gesteld en de regering heeft 
er in haar nota over de bezette 
gebieden ook aandacht aan besteed, 
dat er sprake is van het feitelijk 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2117 onmogelijk maken door Israël van 
een toekomstige Palestijnse staat. 
Het aantal kolonisten op de Westbank 
is in één jaar met 21 % gestegen, 
ondanks het regeerakkoord van 
1984, waarin tot bevriezing van de 
kolonisatie besloten werd. 
De EG-verklaring van Venetië 
wordt zo een loos gebaar. Zij roept 
op tot het scheppen van ruimte voor 
een Palestijns eigen tehuis, maar 
materieel wordt die politieke wens 
onmogelijk gemaakt. Ik vraag de 
regering of zij bereid is, al dan niet 
samen met andere EG landen, de 
Israëlische regering op te roepen tot 
een beleid waarin eigen Palestijnse 
organisaties, medische, landbouw-
kundige, onderwijskundige en 
dergelijke in de bezette gebieden 
kunnen opereren. 
Het functioneren van bij voorbeeld 
het Palestinean Medical Relief 
Committee, dat 5 0 0 Palestijnse 
medici en gezondheidswerkers in de 
bezette gebieden telt, wordt op alle 
mogelijke manieren gedwarsboomd, 
terwijl de Israëlische medische zorg 
nauwelijks voor de Palestijnen 
toegankelijk is. Ik denk dat het heel 
zinvol is, zeker als Nederland straks 
de EG voorzit, als de regering 
duidelijke signalen naar Israël en naar 
de Palestijnse bevolking afgeeft, die 
inhouden dat Nederland de politiek 
van het fysiek uithollen van de 
mogelijkheid van een eigen Palestijnse 
staat afwijst. 
Tot nu toe heeft de regering zich al 
te gemakkelijk beperkt tot het 
verwijzen naar de EG voor het geven 
van materiële steun of naar activitei-
ten in bezette gebieden van Neder-
landse mede-financieringsorganisa-
ties, die overigens nauwelijks 
mogelijk zijn. Van belang is juist de 
politieke opstelling, de politieke wil, 
omachter de belangen van de 
Palestijnen in de bezette gebieden te 
staan. 
Daarnaast moet de hulp via 
UNWRA aan de Palestijnen in de 
vluchtelingenkampen in met name 
Libanon worden voortgezet. Uit 
christen-democratische kringen in de 
Raad van Europa klinken geluiden op 
dat men van die hulp af wil. De 
kampen zouden broeinesten voor 
gewapende strijd zijn geworden. Nu 
is er geen effectief centraal Libanees 
gezag, terwijl militaire penetraties 
van christelijke Falange groepen en 
van moslim-groepen regelmatig 
plaatsvinden. Sinds wanneer zouden 
vluchtelingen zich daartegen niet 
meer teweer mogen stellen? De 
Palestijnen in de kampen hebben in 
het verleden hun zware wapens 
ingeleverd; zij zijn bereid, andere 
wapens in te leveren en zij blijven 
daartoe bereid, als zij maar de 
zekerheid hebben dat hun levens 
effectief beschermd worden en dat 
zij veilig zijn. 
Volgens de UNWRA is dit jaar een 
tekort van $ 5 min. en volgend jaar 
van $ 2 0 min. te verwachten door de 
vermindering van de internationale 
bijdragen en de kostenstijgingen. De 
EG-bijdragen, inclusief de nationale, 
aan UNWRA daalden van$ 6 6mln. in 
1 9 8 0 naar $ 38 min. in 1985. Neder-
land draagt, vergeleken met vele 
andere landen, weinig bij. Ik wil dus 
graag een duidelijke toezegging van 
de regering dat zij de UNWRA 
financieel zal blijven steunen, ook 
omdat VN-steun van levensbelang is 
voor de Palestijnse zaak. Ik vraag de 
regering verder of zij vooral ook de 
UNWRA politiek zal blijven steunen, 
tegen de stemmen in om de Palestij-
nen maar in West-Europa te gaan 
huisvesten. 
Het laatste halfjaar is er regelmatig 
sprake van het terugzenden van 
vluchtelingen uit West-Papua door 
Papua Nieuw-Guinea (PNG) naar 
West-Papua. In oktober ging het om 
twaalf mensen, waarbij werd voorbij-
gegaan aan de adviezen van de 
vertegenwoordigers van de UN High 
Commissioner for refugees. PNG staat 
onder sterke druk van Indonesië. Ik 
vraag de regering, bij de Indonesische 
regering erop aan te dringen dat 
vluchtelingen in PNG met rust worden 
gelaten. Ik vraag haar tevens of zij 
mogelijkheden ziet om de High 
Commissioner daar en ook PNG zelf 
diplomatiek en materieel te steunen 
bij de opvang. 
De gesprekken tussen Portugal en 
Indonesië onder auspiciën van de 
secretaris-generaal van de VN over 
Oost-Timor zijn vooral toegespitst op 
de humanitaire problemen. Over de 
toekomst van het land wordtniet 
gesproken. Per 1 januari wordt 
Portugal lid van de EG. Portugal voelt 
zich volgens zijn grondwet specifiek 
verantwoordelijk voor het bevorderen 
van de onafhankelijkheid van 
Oost-Timor, hoewel het Oost-Timor 
niet meer als zijn grondgebied 
beschouwt. 
Het dekolonisatieproces zou 
voltooid zijn, hoewel Oost-Timor elk 
jaar in de dekolonisatiecommissie 
van de VN behandeld wordt. Volgens 
de minister is het geen grondgebied 
van Portugal meer en dus per 1 
januari ook niet van de EG. Ik vraag 
dan echter, wat de formele status is, 
wat nationaliteit betreft, van de 
Oosttimorezen. Portugal onderhan-
delt immers met Indonesië onder 
andere over repatriëring - ik leg de 
nadruk op dat woord- van Oosttimo-
rezen naar Portugal. 
Zijn zij, hoewel zij blijkbaar niet op 
EG-grondgebied gaan wonen, wel 
EG-burgers, die via de Nederlandse 
ambassade in Jakarta Portugese 
paspoorten krijgen? Voor mij is dit 
een heel onduidelijke situatie 
geworden. Ik heb daarom drie 
vragen. Wat is volgens de regering 
de nationaliteit van Oosttimorezen in 
Oost-Timor? Is de regering bij te 
staan in haar grondwettelijke plicht 
om de onafhankelijkheid van Oost-Ti-
mor te bevorderen? 
Is zij bereid, gezien het feit dat het 
Fretilin niet als onderhandelingspart-
ner bij de besprekingen tussen 
Indonesië en Portugal betrokken is, 
zich wel over de actuele situatie en 
de ontwikkelingen op Oost-Timor te 
iaten informeren, en wel van meer 
kanten? Begin 1985 is er namelijk 
een radioverbinding tussen het 
Fretilin op Oost-Timor en zijn 
buitenlandse vertegenwoordiging in 
Australië gelegd, waarlangs regelma-
tig berichten over de situatie daar 
worden doorgegeven. Kent de 
regering die berichten en is zij bereid 
het Fretilin als een zinvolle informa-
tiebron te beschouwen, naast en 
tegenover de Indonesische bronnen? 
Begin augustus is er een verdrag 
tot instelling van de South Pacific 
Nuclear Free Zone gesloten tussen 
de landen van het South Pacific 
Forum. Dat is belangrijk omdat het 
een groot gebied vrijhoudt van 
kernwapens en kernafval. Arikel 7, lid 
1, paragraaf C van het akkoord zegt 
dat elke partij actief is om geen 
enkele actie te ondernemen of aan te 
moedigen betreffende dumping door 
wie dan ook van radio-actief afval en 
andere radioactieve stoffen in de 
wateren binnen de grenzen van de 
South Pacific Nuclear Free Zone. Is 
de regering bereid, rekening te  houden met dit artikel? Sterker nog: 
is ze bereid de landen in de betreffende 
regio te doen weten dat Nederland 
geen radio-actief afval in de regio zal 
dumpen en ook andere landen 
daartoe zal oproepen? 
Sinds spptember is weer een 
grootscheeps militair offensief van 
Ethiopië in Eritrea gaande, met inzet 
van nieuwe wapens als T-62-tanks en 
zware artillerie. Deze langdurige 
oorlog heeft al aan meer dan 100.000 
mensen het leven gekost, nog 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2 1 1 8 afgezien van de hongersnoodslachtof-
fers, die sterven doordat de Ethiopi-
sche regering wapens koopt en geen 
graan. Wat is nu de officiële positie 
van de Nederlandse regering? Vindt 
ze dat Ethiopië zich gehouden heeft 
aan de VN-resolutie van 1962, 
waarin het ging om een federatief 
verband met Eritrea en niet om het 
opslokken van Eritrea? 
Volgens mij heeft Ethiopië die 
resolutie met voeten getreden. Is de 
regering het met mij eens dat via een 
referendum aan de bevolking van 
Eritrea de gelegenheid geboden 
moet worden om zich voor onafhan-
kelijkheid uit te spreken? Het verzet, 
het EPLF, heeft dit jaar, na mislukte 
onderhandelingen met Ethiopië, om 
een onafhankelijke internationale 
bemiddelaar gevraagd. Wil de 
regering dit steunen? Is ze bereid de 
Ethiopische regering tot onderhande-
lingen, gericht op een referendum, 
op te roepen en de secretaris-generaal 
van de VN te vragen om te bemidde-
len? 
Nederland heeft zich zojuist in de 
VN van stemming onthouden bij ee.i 
resolutie voor een referendum in de 
Westelijke Sahara. Waarom? 
Nederland is toch voor een referen-
dum? De regering stelt, in de 
schriftelijke voorbereiding voor dit 
debat, dat de EPS-landen een 
neutrale positie innemen. Griekenland 
en het bijna EG-land Spanje denken 
daar overigens anders over. Zij 
hebben namelijk vóór gestemd. Een 
van de argumenten van de regering 
is dat het Front Polisario niet als een 
representatieve kracht van het 
Westsaharaanse volk beschouwd kan 
worden, omdat die representativiteit 
juist via een referendum nog moet 
blijken. Het initiatief voor een 
referendum is echter niet van het 
Front Polisario uitgegaan. 
Het heeft erin toegestemd omdat 
het een referendum niet schuwt, te 
meer niet daar het door meer dan 6 0 
landen al is erkend en als lid tot de 
OAE is toegelaten. Het front is steeds 
tot onderhandelingen bereid geweest, 
in tegenstelling tot Marokko, dat 
steeds formele bezwaren tegen een 
internationaal gecontroleerd referen-
dum op basis van het terugtrekken 
van zijn troepen uit dat gebied, heeft 
opgeworpen. Ik vind dat de regering 
dan ook in feite geen neutrale positie 
inneemt, maar een positie ten 
voordele van Marokko. Het is toch 
onzinnig dat zo aan Marokko alle tijd 
en ruimte voor politieke manoeuvres 
wordt gelaten, die op geen enkele 
manier een bijdrage aan de oplossing 
van het conflict bieden. Door deze 
stemonthouding is de Nederlandse 
positie geen neutrale, maar die van 
medeplichtigheid aan een oorlog, 
doordat Nederland na laat actief op 
te treden. Een gedrag dat overigens 
vaker voorkomt. 
Heel schrijnend vind ik het geval 
Turkije. Ik ben geschokt door het feit 
dat de statenklacht nu zelfs is 
ingetrokken, terwijl er nog steeds 
sprake is van ernstige en systematisch 
schending van de mensenrechten 
daar. Evenals bij Marokko zijn het 
natuurlijk internationale politieke 
overwegingen die ertoe leiden dat 
Nederland 'soft' op de talloze 
mensenrechtenschendingen heeft 
gereageerd en nu nog 'softer' aan het 
worden is. 
Het belang van de NAVO, het 
belang te voorkomen dat Turkije zich 
van West-Europa gaat afwenden en 
zich meer naar het Oosten gaat 
wenden, politiek en economisch, 
lijken de werkelijke redenen om zo 
weinig met de statenklacht te doen 
en deze zelfs in te trekken. Wat is 
daarop het commentaar van de 
regering? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="303" partij="SGP" naam=" Rossum">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Het bestuderen van een 
begroting van Buitenlandse Zaken 
geeft een blik op de activiteiten die 
de ene mens de andere aandoet. Er  zijn ontzettende oorlogen: Iran-lrak, 
Rusland-Afghanistan, Midden-Ameri-
ka. Er zijn landen met grote binnen-
landse tegenstellingen waar de 
regering gehele regio's niet onder  controle heeft: Angola, Mozambique, 
en landen met grote stammentegen-
stellingen, zoals Zimbabwe, Soedan, 
Sri Lanka en zelfs in wat andere zin 
Noord-lerland. 
Daarnaast zijn er vele regimes, die 
hun eigen bevolking terroriseren; een 
rechts regime in Chili of militaire 
regimes, of watdaarvoor moet 
doorgaan, waarbij kan worden 
gedacht aan Suriname en - in wat 
zachtere vorm - Pakistan. Helaas zijn 
er vele door militairen of door één 
partij geregeerde landen. Ik denk aan 
de communistische regimes in de 
Oostblokstaten en Cuba, waar grote 
bevolkingsgroepen uit hoofde van 
godsdienstige of politieke opvattingen 
de vrijheid missen en zelfs geruime 
tijd in gevangenissen en concentratie-
kampen moeten toeven. 
Ach, waren alle mensen wijs en 
deden daarbij wel, vraag je je dan af. 
Helaas, velen zijn niet zo wijs. Helaas 
geldt dit niet alleen voor de onderda-
nen, maar ook voor regeerders. Ik 
denk aan de afgezette president 
Amin van Oeganda of de huidige 
dictator in Lybië, Kadaffi. 
Als wij alles bezien, dan is het een 
wonder, dat deze wereld, waar 
zoveel onschuldig bloed vloeit en 
waar zoveel verdrukking is, door de 
grote Schepper aller dingen nog in 
stand wordtgehouden. Wij lezen in  het boek der Psalmen ( 1 4 4 : 3): ' 0 , 
Heere, wat is de mens, dat Gij hem 
kent, het kind der mensen, dat Gij het 
acht.' Die verwondering brengt bij de 
bron en oorzaak van de wereldproble-
men. Ze zijn niet allereerst materieel, 
maar geestelijk van aard. Dat vraagt 
dan ook om een bepaalde benadering 
van de verdrukkende regimes. Men 
moet die niet allereerst treffen in de 
materiële omstandigheden met 
boycot en sancties. 
Je kunt iemand niet ethisch of 
mentaal tot verandering brengen 
door hem materieel te treffen. Dat is 
oog om oog, tand om tand. Dat is 
bijbels onverantwoord. Dat is juist, 
wat wij deze regimes vaak verwijten. 
Wij moeten ze wijzen op de ethische 
normen, waaraan ze moeten voldoen, 
en dat niet in de vorm van publieke 
schandpalen of zondebokken, maar 
indringend via diplomatieke kanalen 
of via ethische normen, die in overleg 
met het bedrijfsleven - waarmee 
onze overheid in connectie staat - en 
via overeenkomsten of subsidies 
worden opgelegd. 
Verder moet er uiteraard rekening 
worden gehouden met het regime, 
waarom het gaat, maar in principe 
moeten dezelfde normen voor de 
verschillende landen worden gehan-
teerd. Enige jaren geleden zou ik ook 
voor het gebruik van kerkelijke 
kanalen hebben gepleit, maar sinds 
bepaalde kerkelijke leiders niet meer 
geloven in de kracht van het Goddelijk 
Woord en zich openlijk uitspreken 
voor het gebruik van geweld, lijkt mij 
het belang van het gebruik van dat 
kanaal sterk verminderd. 
De VN steunt voor een groot deel 
op verdrukkende regimes en is 
mitsdien een huis, dat in zich zelf 
verdeeld is, waardoor er weinig 
kracht vanuit kan gaan. Bovendien 
werkt het 'one-state-one-vote-
systeem' demotiverend voor de 
landen die de organisatie financieel 
in stand moeten houden. Waaromis 
er in de EEG aan de verschillende 
landen wel een stemgewicht toege-
kend en in wereldverband niet? Is dat 
alsnog te overwegen? 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2119 Het meeste gewicht moet mijns 
inziens toegekend worden aan 
gezamenlijke diplomatieke druk van 
gelijkgezinde landen, die zelf wel de 
normen van menselijke waardigheid 
in acht nemen op landen, die dit 
duidelijk niet doen. Zo moet druk 
worden uitgeoefend op de Sowjet-
Unie om Afghanistan te verlaten, 
maar gelijktijdig moet erop worden 
gewezen, hoe zij haar agressieve 
aard moet wijzigen door mee te 
werken aan wederzijdse wapenbe-
heersing tussen Oost en West. 
gelijktijdig moet ook meegewerkt 
worden aan de humanitaire opvang 
van de vluchtelingen van zo'n 
vreselijke oorlog in landen als 
Pakistan en Iran. 
In het Midden-Oosten zal gezamen-
lijke druk nodig zijn op de Arabische 
landen om de staat Israël te erkennen 
en het voortbestaan te garanderen 
binnen veilige en erkende grenzen. In 
Centraal Amerika - zo mogelijk met 
hulp van de Contadoragroep - en in 
delen van Zuid-oost Azië - zo 
mogelijk ook met hulp van buurlan-
den - moeten alle diplomatieke en 
politieke middelen worden gebruikt 
om tot een blijvende vrede tussen de 
landen te komen. Op die manier 
kunnen de vluchtelingenstromen tot 
staan worden gebracht. 
In vele gevallen zal dat gepaard 
gaan met hulp voor de ontwikkeling 
van de betrokken landen en met 
wederzijdse handelsbevordering en 
culturele uitwisselingsprogramma's, 
waaraan dan wel de nodige ethische 
eisen gesteld moeten worden . 
Uiteraard moet geen sprake zijn van 
erkenning in politieke zin van 
eenzijdige vertegenwoordiging van 
revolutionaire organisaties zoals de 
PLO - als uitsluitende vertegenwoor-
diging van Palestijnen - en Swapo, 
als uitsluitende vertegenwoordiging 
van de Namibiërs. Uiteraard moet er 
ook worden gestreden tegen het 
internationale terrorisme. 
Als ik pleit voor het gezamenlijk 
optrekken van gelijkgezinde landen, 
bedoel ik niet dat wij uitbundig 
moeten zijn met hulp aan de zoge-
naamde frontlijnstaten, waarvan ik 
lees dat de staatshoofden in successie 
bezoeken brengen aan Moskou en 
daar overeenkomsten sluiten over 
wapenleveranties. Die landen krijgen 
dus steun van Oost-Europa bij het 
verkrijgen van wapens en munitie en 
steun van het westen waar het om 
burgerlijke doeleinden gaat. 
In feite gaat het om een gezamenlijk 
optrekken om revolutie in een 
buurland te bewerkstelligen. De 
veranderingen in Zuid-Afrika moeten 
ons inziens op een andere wijze, 
zoals ik al aangaf, tot stand komen, 
namelijk niet door kracht en geweld 
maar door overreding, zo mogelijk op 
morele en als Zuid-Afrika betreft 
bijbelse gronden. Dat geldt voor de 
conflicten tussen zwart en blank en 
maar ook die tussen zwart en zwart. 
Wat betreft de organisatie van het 
departement is het goed, de onrust 
zo kort mogelijk te laten voortbestaan. 
Voor de buitenlandse dienst kan het 
nuttig zijn, zeer kleine posten als 
Quito op te heffen en door ambassa-
des in buurlanden te laten bedienen. 
Als dat in Quito kan, kan het ons 
inziens zeker in Vaticaanstad, waar 
een andere ambassade vlak bij is. 
Gelet op wat zestig jaar geleden bij 
de behandeling van de begroting 
voor Buitenlandse Zaken in dit Huis 
geschiedde, wil ik bij deze gelegen-
heid nogmaals pleiten voor het 
sluiten van die ambassade.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="304" naam="Minister Van den Broek">
 Het ging 
om een gezantschap.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="305" naam="De voorzitter">
 Toen waren er 
helemaal geen ambassades. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="306" partij="CPN" naam="Brouwer">
 Mijnheer 
de Voorzitter! De top van Genève 
heeft zeker een klimaatverbetering 
tot stand gebracht. Toch is er ook 
een andere kant. Duidelijk is dat 
afspraken voor een volgende gesprek 
beter is dan stilzwijgen maar wij 
moeten ons ook realiseren dat de 
bewapeningsprogramma's op volle 
toeren worden uitgevoerd, met het 
SDI-programma voorop. De regering 
doet daaraan zelf volop mee door 
middel van haar plaatsingsbesluit. 
Het merkwaardige is dan ook dat 
het er vaak op lijkt dat bij voortzetting 
van de bewapeningswedloop 
dagenlange conferenties horen, te 
zamen met reclame-achtige plaatjes 
van glimlachende regeringsleiders, 
die elkaar de hand schudden, al dan 
niet in goedzittend pak, en die de 
mensen geruststellen met de 
mededeling dat het echt de goede 
kant uitgaat. 
Mijnheer de Voorzitter! Voor ons 
staat vast dat een verdere ontplooiing 
van de vredesbeweging in en buiten 
Nederland noodzakelijk is en blijft om 
druk te kunnen uitoefenen in de 
richting van wapenvermindering. Ik 
denk daarbij aan de kruisraketten 
maar ook aan de nieuwe hoog-tech-
nologische bewapening en de 
verlaging van de defensielasten. 
Deze regering kan zich niet 
koesteren in het zonnetje van de 
klimaatsverbetering, waarover nu 
wordt gesproken. Duidelijk is dat 
concrete maatregelen nodig zijn. Er 
moeten dus initiatieven worden 
genomen. Ik vraag de minister dan 
ook, of de regering van plan is, zich 
nog langer schuil te houden achter 
de NAVO-dijken. Of is er al nagedacht 
over de vraag welke initiatieven de 
Nederlandse regering zou kunnen 
nemen, gebruikmakend van het 
verbeterde klimaat? 
De minister heeft in de begrotings-
stukken gezegd dat Nieuw-Zeeland in 
veel opzichten verwantschap met 
Nederland vertoont, cultureel én 
politiek. Wat let hem nu om de 
anti-atoompolitiek van dat land als 
voorbeeld te nemen? 
De minister wijst in zijn stukken op 
het toenemende politieke en econo-
mische gewicht van Azië, waar 
tweederde van de wereldbevolking 
leeft. Indonesië blijft mijn fractie 
bezighouden. Nederland heeft, als 
voorzitter van de IGGI, een bijzondere 
verantwoordelijkheid ten aanzien van 
dit land en ik moet opnieuw vaststellen 
dat het in Indonesië met de democra-
tie en met de mensenrechten 
bedroevend is gesteld. Daar wordt
ook door Amnesty International vaak 
op gewezen en ook in deze Kamer 
zijn er verschillende partijen, die dit 
doen. Naar onze mening vindt er een 
structurele schending van de 
mensenrechten plaats. 
Ik heb kort geleden schriftelijke 
vragen gesteld over willekeurige 
ontslagen in de olie-industrie van 
arbeiders, omdat zij twintig jaar 
geleden tot een strijdbare vakbond 
hebben behoord of communistische 
sympathieën hadden of heel ver weg 
ooit familielieden hebben gehad die 
communistische sympathieën 
hadden. Dat is een bekend schema, 
dat in Nederland gelukkig tot de 
verleden tijd behoort. 
Inmiddels zijn er ook 50 mensen 
ontslagen in een havenbedrijf in 
Surabaya. Buitenlandse persbureaus 
melden, dat westelijke diplomaten 
hun bevreemding over deze ontslag-
golf hebben uitgesproken. Kunnen 
wij de Nederlandse ambassadeur ook 
tot deze westelijke diplomaten 
rekenen? 
De ontslagen zijn een nieuw 
voorbeeld van rechteloosheid. 
Arbeiders schijnen te worden 
ingedeeld in categorieën A, B en C 
zoals indertijd politieke gevangenen. 
Ik herhaal, dat ook politieke activitei-
ten in Indonesië aan banden zijn 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2 1 2 0 gelegd. Er bestaat geen vrijheid van 
organisatie. 
Het is bekend dat er in 1987 in 
Indonesië verkiezingen zullen worden 
gehouden, maar zelfs in Indonesië 
zelf wordtde vraag gesteld wat 
daarvan de betekenis zal zijn als 
oppositiepartijen niet worden 
toegelaten. 
Voorzitter! Mijn fractie blijft 
bezorgd om het lot van de ter dood 
veroordeelden. Zij dringt nogmaals 
aan op omzetting van de straf in 
levenslang, vrijlating en gratie. Wat 
ons betreft, is deze zaak niet afgedaan. 
Wij hopen dat dat ook voor de 
regering geldt. Hoe denkt de minister 
trouwens het EEG-voorzitterschap in 
dit verband te hanteren? Is hij van 
plan, bepaalde initiatieven te nemen 
in de contacten tussen de EEG en 
ASEAN, zowel op het gebied van de 
mensenrechten als op die van de 
economie? 
Ook in dit verband heb ik een vraag 
over de brief van staatssecretaris 
Van Houwelingen, waarin hij zegt dat 
Indonesië serieuze belangstelling 
toont voor vier Nederlandse fregatten. 
Hoe moet ik dat zien in relatie tot de 
nota over wapenexport, waarin wordt
gesteld dat wapens niet geleverd 
worden aan landen waar mensenrech-
ten worden geschonden of spannin-
gen met derde landen bestaan? Ik 
hoef dan niet te wijzen op de 
spanningen rond Oost-Timor en 
West-Papua. Die zijn in het algemeen 
bekend. 
Wat West-Papua betreft, is het 
duidelijk dat daar zo langzamerhand 
een vluchtelingenprobleem ontstaat. 
Onder meer Australië heeft daarop 
gewezen. Kan de minister zeggen of 
er ook verzoeken aan Nederland om 
steun zijn gedaan? 
Als hij zegt dat de VN Hoge 
Commissie voor Vluchtelingenzaken 
hier een cruciale rol toekomt, hoe 
denkt hij dan dat de Nederlandse 
regering de rol van de VN Hoge 
Commissie kan ondersteunen? 
Wat betreft het opkomen voor de 
mensenrechten wil ik zeggen dat de 
CPN opkomt voor mensenrechten 
waar ook ter wereld. Dit standpunt 
mag zo langzamerhand bekend zijn. 
Wij zijn ook van mening dat, waar het 
gaat om het opkomen voor mensen-
rechten, dit gedaan moet worden los 
van partijpolitiek en staatsbelangen. 
Deze schaden alleen de zaak en de 
mensen waarom het gaat. Daarover 
mag in deze Kamer wel eens worden 
nagedacht. 
Voorzitter! Ik kom nu bij Zuid-Afrika. 
De minister heeft gezegd dat er geen 
situatie is, waarover wijoptimistisch 
kunnen zijn. Inderdaad! Als je kijkt 
naar het regime-Botha, dan is het zo 
hard als staal. Er worden wekelijks 
nog steeds tientallen doden gemaakt 
door de politie en het leger van dit 
apartheidsregime. Als je echter naar 
de andere kant kijkt - de kant van het 
verzet - is er alle reden om optimis-
tisch te zijn. De ontwikkeling van de 
bevrijdingsbeweging in Zuid-Afrika is 
een bron van inspiratie voor velen in 
de wereld. Ik hoef niet te herhalen, 
wat door anderen reeds gememoreerd 
is, zoals de oprichting van de 
nationale federatie van de vakbewe-
ging van zwarte arbeiders. 
Het Botha-regime verkeert in een 
toenemend isolement. Dit is wel 
gebleken tijdens de bijeenkomst van 
de Wereldraad van Kerken in Harare 
kort geleden. Ik wil een uitspraak uit 
deze bijeenkomst naar voren brengen, 
omdat die zeer sprekend is. Er was 
kritiek op de houding van de blanke  kerk in Zuid-Afrika. Er werd gezegd: 
terwijl het land in brand vliegt kiest 
deze kerk niet de kant van de 
overwinnaars maar meent zij de 
massa van het volk voldoende te 
kunnen helpen door het sturen van 
een ambulance. Bittere woorden 
werden ook gericht tot diegenen die 
passief blijven en die zich verliezen in 
debatten of geweld nu wel of niet 
geoorloofd is, in plaats van druk uit 
te oefenen op de regeringen van 
Groot-Brittannië, de Verenigde 
Staten en de Bondsrepubliek 
Duitsland. 
Voorzitter! Ik denk dat het tijd is 
dat er concrete maatregelen worden 
genomen, juist in deze situatie. Ik 
denk dat het tijd is dat opnieuw aan 
de orde wordt gesteld dat Nederland 
zich ook moet scharen onder die 
landen die tot een boycot van het 
apartheidsregime komen. 
Wat vindt de minister ervan dat er 
landgenoten, Nederlanders dus, 
worden opgeroepen om dienst te 
doen in het leger van het apartheids-
regime? Welke assistentie wenst de 
minister te verlenen aan Nederlanders 
die weigeren zich in dit leger te laten 
inlijven? Wij hebben al vaak gewezen 
op de noodzaak van de uitbreiding 
van het wapenembargo. Ik wil van de 
minister weten of hij bereid is ervoor 
te zorgen dat er geen enkel produkt 
dat door het leger of door de politie 
van het apartheidsregime kan 
worden gebruikt, van Nederland naar 
Zuid-Afrika wordt verzonden. 
Wil de minister een soepele 
subsidiëring bevorderen van de 
anti-apartheidsbeweging in Neder-
land? Het zal hem bekend zijn dat 
voor een jongerenproject van de 
AABN subsidie is geweigerd door 
WVC. Dit schijnt alles te maken te 
hebben met de opstelling van de 
ministervan Buitenlandse Zaken. Ik 
krijg hier graag opheldering over. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="307" partij="PPR" naam="Beckers -de Bruijn">
 
Voorzitter! In tegenstelling tot de 
minister is mijn fractie niet zo 
verheugd over de tekenen van een 
Europese heropleving. Tekenen als 
EUREKA, de ontwikkeling van een 
Europese defensie-industrie en de 
eerste plannen voor een Europees 
SDI-programma wijzen in de richting 
van West-Europa ais supermogend-
heid, zowel in economische als in 
politiek-militaire zin. Een van de 
negatieve kanten van deze centralis-
tische tendens is dat het een Europa 
zonder de burgers dreigt te worden. 
Ik doel hierbij op de democratische 
controle van het besluitvormingspro-
ces. Enerzijds horen ook wij steeds 
het argument dat zaken in Europees 
verband gedaan moeten worden, 
anderzijds heeft het Europees 
Parlement volstrekt onvoldoende 
mogelijkheden om het besluitvor-
mingsproces te controleren. Hierin 
wordt ook niet voorzien in de 
voorgestelde herziening van het 
verdrag. Uit democratisch oogpunt is 
dit een slechte ontwikkeling. 
De situatie in Midden-Amerika blijft 
zorgwekkend. Schending van de 
mensenrechten is aan de orde van de 
dag. Mijn fractie heeft de steun van 
de Gemeenschap aan het Contadora-
plan positief gewaardeerd. Daarom 
ervaren wij de resultaten van San 
José II als des te teleurstellender. De 
steun wordtnauwelijks vertaald in 
concrete politieke economische hulp. 
Waarom zo'n summier pakket? Is 
men wel tot een actieve rol in 
Midden-Amerika bereid? Wat kan 
Nederland zelf nog doen , nu het 
Contadoraplan in een impasse 
terecht is gekomen? 
Een teken van hoop vinden wij 
misschien in Suriname. Het bereikte 
politieke akkoord lijkt ons een 
belangrijke zaak. Politici van voor de 
militaire coup hebben de overeen-
komst mede-ondertekend. Kennelijk 
hebben zij vertrouwen in het proces 
dat wordt geschetst, namelijk een 
terugkeer naar de democratie langs 
deze weg. 
De ontwikkeling die nu op gang is 
gebracht, moet wat ons betreft alle 
kansen krijgen. Hiervoor is een 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2 1 2 1 actieve rol van de Nederlandse 
regering van belang. De discussie 
over de vraag of de ontwikkelingssa-
menwerking hervat moet worden , 
dient hierbij betrokken te worden. 
Voorzitter! Over het conflict tussen 
Iran en Irak is de memorie van 
toelichting uiterst summier. Welke 
rol ziet de minister voor de Gemeen-
schap om bij te dragen aan de 
beëindiging van de vijandelijkheden? 
Hoe beoordeelt hij de nog steeds 
flagrante schending van de mensen-
rechten in Iran, en ook in Irak? Hierbij 
doel ik met name op de recente 
berichten over massaal geweld tegen 
de Koerden door de regering van 
Irak. Is de minister bereid dit punt op 
de agenda te zetten? 
Over Zuid-Afrika hebben wij het 
afgeopen jaar heel vaak gesproken. 
Van verbetering van de situatie is 
allerminst sprake. Er is eerder sprake 
van een verdere escalatie. Mijn 
fractie is nog steeds benieuwd naar 
de actieve rol van Nederland tijdens 
de bekleding van het voorzitterschap. 
In antwoord op vraag 59 stelt de 
minister dat Nederland de uitvoering 
van het Luxemburgs actieplan zal 
stimuleren. Hoe staat het op dit 
moment met die uitvoering? Neder-
land zou wat ons betreft op de kortst 
mogelijke termijn tot een economi-
sche boycot van het apartheidsregime 
moeten komen, ook verder geweld, 
zoals wij zojuist bij interruptie 
hebben bediscussieerd, te voorko-
men. 
Voorzitter! De minister geeft straks 
een toelichting over het standpunt 
ten aanzien van Turkije. Ik wacht dit 
af. Ook mijn fractie is verbaasd dat 
de aanklacht is ingetrokken. Ik vraag 
mij af welke nieuwe gegevens de 
minister, bij voorbeeld over het 
aantal politieke gevangen daar, heeft. 
Ik sluit mij aan bij de opmerkingen 
die van diverse zijden zijn gemaakt 
over het optreden van het regime van 
Ethiopië in Eritrea. 
Het mensenrechtenbeleid. Is dat 
nog wel een centraal bestanddeel 
van het buitenlands beleid? Amnesty 
International vindt van niet en noemt 
het mensenrechtenbeleid ondoorzich-
tig, met name als het gaat om 
specifieke situaties. Wij betreuren 
dat standpuntbepaling en beleid 
steeds meer afhankelijk worden 
gesteld van gemeenschappelijk 
optreden in EPS-verband, omdat de 
rol van Nederland als initiatiefnemer 
op het gebied van de mensenrechten 
daardoor sterk wordt gereduceerd. Ik 
vraag mij af, of het niet beide zou 
kunnen! Op welke termijn kan de 
Kamer de notitie over het mensen-
rechtenbeleid, zoals dat sinds 1980 
in Europees kader in ontwikkeling is, 
tegemoet zien? 
Voorzitter! Ietwat pathetisch vraagt 
de minister zich in de memorie van 
toelichting af, waar het harmoniemo-
del van de Verenigde Naties is  gebleven. Een tegenvraag: is er in de 
praktijk ooit van een harmoniemodel 
sprake geweest? Worden en werden 
de internationale organisaties niet 
altijd gedomineerd door conflicteren-
de belangen? Onze opvatting is dat 
structurele belangentegenstellingen, 
onder andere het Noord-Zuidconflict, 
ten grondslag liggen aan de huidige 
problemen. Een strijd eigenlijk om de 
hegemonie! De Verenigde Staten, 
evenals het Verenigd Koninkrijk, zien 
wij op dit moment in de voorste linies 
om de verloren macht terug te 
krijgen. Of dat een constructief-knti-
sche bijdrage is, betwijfelt mijn 
fractie. 
Als ik de antwoorden 16 en 17 
goed heb gelezen, heeft de regering 
gelukkig een andere mening dan de 
Verenigde Staten over wat onder 
'politisering' verstaan moet worden. 
De Verenigde Staten zien discussies 
over ontwapening, tendensen die 
vrije-marktactiviteiten en particuliere 
initiatieven belemmeren, een 
vermeende hetze tegen multinationale 
ondernemingen en zelfs de nieuwe 
internationale economische orde als 
even zovele politiseringstendensen. 
Ik denk dat de minister het met mij 
eens is dat het begrip 'politisering' 
hier wordt misbruikt. Ik heb zeker 
ook wel waardering voor de Neder-
landse opstelling in dezen. 
Voorzitter! Het antwoord op mijn 
vragen over het VN-jaar voor de vrede 
is teleurstellend. De argumenten 
kloppen ook niet. Niemand verwacht 
dat de vrede in één jaar 'georgani-
seerd' zal zijn. Hetzelfde geldt voor 
het jongerenjaar, het jaar van de 
vrouw, enz. Er zijn echter genoeg 
aanknopingspunten om zinvol met 
het thema vrede aan de gang te 
gaan, bij voorbeeld - ik sluit aan bij 
de heer De Boer - zoals het internati-
onaal vrouwenverbond voor vrede en 
vrijheid zegt, door een brede discussie 
op gang te brengen over de verster-
king van de Verenigde Naties als 
instrument om vrede te bevorderen. 
Voor 1987, het jaar van de 
daklozen, is er, naar ik inmiddels heb 
begrepen, al een comité ingesteld. 
Alleen in dit geval doet de regering 
zo moeilijk. Waarom eigenlijk? Ik 
vraag de minister dit alsnog te 
overwegen, alsnog een comité, 
alsnog wat meer geld! 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="308" partij="RPF" naam=" Leerling">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Het buitenlands beleid 
dient tweeërlei doel. In de eerste 
plaats gaat het om het buiten de 
landsgrenzen behartigen van de 
belangen van de Staat der Nederlan-
den en zijn inwoners en in de tweede 
plaats gaat het erom dat in het 
politieke beleid op het wereldtoneel 
recht en gerechtigheid worden 
gediend. Voorwaar geen geringe 
taak! De achter ons liggende jaren 
van het kabinet-Lubbers overziende, 
meent de fractie van de RPF te 
mogen concluderen dat de bewinds-
lieden Van den Broek en Van Eekelen 
Nederland in de onderscheiden 
internationale fora op uitstekende 
wijze hebben gediend. Wat ons 
betreft, mogen zij vier jaar bijtekenen. 
Dit van harte gemeende compli-
ment wil natuurlijk niet zeggen dat 
wij het met elke stellingname of 
handelwijze van de bewindslieden 
eens zijn geweest. Ik noem bij 
voorbeeld de té gereserveerde 
houding ten opzichte van Indonesië, 
waar het gaat om de schending van 
de mensenrechten, en de afwikkeling 
van de zaak-de Jonge in Pretoria. Ik 
kom daar nog op terug. 
Nederland was twee jaar lid van de 
Veiligheidsraad. Is die omstandigheid 
optimaal gebruikt om initiatieven te 
ontplooien waarvoor andere landen 
hun handen niet willen branden? De 
grote gereserveerdheid die de fractie 
van de RPF heeft ten opzichte van 
het gehele VN-gebeuren is er in elk 
geval niet door afgenomen. Heeft de 
Veiligheidsraad door gebrek aan 
daadkracht en invloed zichzelf 
langzamerhand niet overleefd? Welk 
concreet nut ziet de minister in het 
bestaan van de Veiligheidsraad 
behalve dan dat het een internationaal 
platform is waar onderscheiden 
landen elkaar kunnen ontmoeten? 
Wat het functioneren binnen de 
VN betreft, vraag ik de minister wat 
Nederland in de periode dat hij de 
scepter op Buitenlandse Zaken zwaait 
heeft gedaan aan het realiseren van 
gerechtvaardigde verlangens van 
volkeren om onafhankelijkheid te 
verwerven. Dat de regering zich met 
andere landen heeft ingezet voor de 
onafhankelijkheid van zuidwest Afrika, 
is bekend, maar wat deed de Neder-
landse regering voor het volk van 
Eritrea of voor de Papoea's en de 
Molukkers? 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2122 Huldigt dit kabinet het principe dat 
op gepaste tijden met verschillende 
wolven wordt meegehuild, terwijl het 
over andere heikele zaken maar 
angstvallig zwijgt? Dat zou onrecht 
zijn, terwijl juist in het buitenlands 
beleid het bevorderen van recht en 
gerechtigheid voor mensen en 
volkeren voorop moet staan. Kan de 
minister uiteenzetten, aan welke 
criteria een volk moet voldoen om 
naar de mening van de Nederlandse 
regering op gerechtvaardigde wijze 
aanspraak te maken op onafhanke-
lijkheid? 
Mijnheer de Voorzitter! Ik kom nog 
even terug op de VN. Het lidmaat-
schap van de UNESCO is omstreden. 
Waarom volgt Nederland niet het 
voorbeeld van de Verenigde Staten 
en het Verenigd Koninkrijk? Of 
verwacht de regering een aanvaard-
bare oplossing van de in gang 
gezette reorganisatie van de UNES-
CO? 
Ik gebruikte zoeven al het woord
'Papoea'. De situatie in Irian-Jaya 
blijft hoogst zorgwekkend. Met name 
het vluchtelingenprobleem verdient 
de volle aandacht van de Nederlandse 
regering. Is het waar dat aan hen die 
naar Papoea-Nieuw-Guinea zijn 
gevlucht, een veilige terugkeer naar 
het Indonesische deel van dit eiland 
wordt beloofd, waarna zij bij terugkeer 
een groot risico lopen, gevangen 
genomen te worden of te worden 
gedood? Als dit laatste waar is, is de 
regering dan bereid om daartegen bij 
de Indonesische regering te protes-
teren? 
De burgerlijke vrijheden blijven in 
vele landen een enorm probleem. 
Een daarvan is de vrijheid van 
godsdienst, zowel in de zin van het 
belijden als wat het uitdragen van de 
godsdienstige overtuiging betreft. De 
fractie van de RPF hecht zo sterk aan 
deze burgerlijke vrijheid, omdat het 
een zaak van eeuwigheidswaarde is 
als het Evangelie van Jezus Christus 
aan alle creaturen bekend wordt 
gemaakt. Geen overheid is gerech-
tigd, dat te verhinderen. 
Is de Nederlandse regering bereid, 
de zaak van de godsdienstvrijheid 
aan de orde te stellen als daar 
aanleiding toe is, bij elk internationaal 
contact, zowel bilateraal als multila-
teraal? Grote zorg bestaat er over het 
gebrek aan vrijheid van godsdienst in 
Ethiopië, Mozambique, Zuidoost Azië 
en vanzelfsprekend de Sovjet-Unie. 
Ik noem maar enkele landen. Terecht 
wordt er veel aandacht gevraagd 
voor de uiterst precaire situatie 
waarin de Joden in de Sovjet-Unie 
zich bevinden. 
Heeft de Nederlandse regering 
enige hoop dat er een soepeler 
regeling voor uitreisvisa op komst is? 
Zo neen, wil zij zich daarvoor met 
kracht inzetten? Wat doet de 
regering verder concreet aan de 
problematiek van de christenvervol-
ging in de Sovjet-Unie? Ik vraag de 
minister met klem, of hij bij de 
Sovjet-autoriteiten protest wil 
aantekenen tegen de wijze waarop 
een christengemeente wordt
vervolgd in het stadje Kivertsy in de 
Oekraïne. Voor meer details over de 
situatie aldaar verwijs ik hem naar 
het jongste nummer van Friedenstim-
mekontakt. 
Mijnheer de Voorzitter! Uiterst 
zorgwekkend zijn de ontwikkelingen 
in Midden-Amerika. Schokkend zijn 
met name de berichten uit Nicaragua 
van de laatste weken. Heeft de 
minister kennis genomen van 
televisiereportages en kranteartikelen 
in het Nederlands Dagblad over 
massamoorden die gepleegd zijn en 
mogelijk nog gepleegd worden op 
politieke tegenstanders van het 
Sandinistische bewind in Nicaragua? 
Kan hij de Kamer bij dit debat of - na 
onderzoek - later berichten over de 
handelwijze van het bewind in 
Managua? 
Kan hij de beschuldigingen van 
Alvaro José Baldizon bevestigen, tot 
voor kort rechterhand en vertrouwe-
ling van minister Borge, dat al meer 
dan duizend mensen, voor het 
overgrote deel bewoners van het 
platteland, zijn geëxecuteerd? 
Mijnheer de Voorzitter! De proble-
matiek in het Midden-Oosten lijkt 
schier onoplosbaar. Anderen hebben 
er ook al op gewezen dat de oorlog 
tussen Iran en Irak een vergeten 
oorlog dreigt te worden , omdat in 
internationale fora met een grote 
boog om deze afgrijselijke kwestie 
heen gelopen wordt. Wat is daarvan 
de reden? Is er naar de mening van 
de regering uitzicht op beëindiging 
van deze strijd, die ook consequenties 
heeft voor olietankers in de Perzische 
Golf? De regering is erg terughoudend 
met het leveren van commentaar op 
de mogelijke vredesonderhandelingen 
met Israël op initiatief van koning 
Hoessein van Jordanië. Kan de EEG 
in dezen nog een speciale rol 
vervullen? 
De RPF-fractie pleit ervoor, het 
voorzitterschap van de EG te 
gebruiken om de verhouding van de 
Gemeenschap met de staat Israël te 
verbeteren. Is de minister daartoe 
bereid? Wij dringen erop aan, met 
name de handelscontacten met Israël 
te bevorderen. Ten slotte op dit punt 
vraag ik wederom dringend, de 
Nederlandse ambassade in Israël 
over te brengen van Tel Aviv naar 
Jeruzalem, omdat dat de ondeelbare 
hoofdstad van Israël is. 
Mijnheer de Voorzitter! De situatie 
in Zuid-Afrika blijft kritiek. Hoe 
beoordeelt de minister enkele 
maanden na zijn reis naar Pretoria 
het effect van zijn bezoek aan 
Zuid-Afrika? Is hij bereid, het 
herhaalde verzoek van onze fractie te 
honoreren om bilateraal of in 
EG-verband de dialoog uit te breiden 
of in elk geval tot stand te brengen? 
Het biedt toch geen enkel perspectief 
als deze kwestie uitloopt op een 
escalatie van geweld? Het is dan ook 
onvoorstelbaar dat de praeses van de 
grootste protestantse kerk in 
Nederland het bestaat, te stellen dat 
hij bereid is, gewelddadige acties te 
steunen. 
Welke initiatieven mogen wij van 
de minister verwachten met betrek-
king tot Zuid-Afrika gedurende de 
periode dat Nederland het voorzitter-
schap van de EG bekleedt? 
Sprekend over Zuid-Afrika, kan er 
ook in dit debat niet worden gezwegen 
over de zaak-Klaas de Jonge. Kan de 
minister het parlement nu eindelijk 
opheldering van zaken geven? Heeft 
De Jonge het Nederlands staatsbur-
gerschap? Heeft hij de Zuidafrikaanse 
politie te vrezen vanwege overtreding 
van de wetten van het land? Zo ja, 
wat is de reden dat de Nederlandse 
ambassade hem een schuilplaats 
biedt? Hoe hoog zijn de kosten, 
gemoeid met de affaire-Klaas de 
Jonge? Ik zou het in hoge mate 
betreuren, wanneer de minister 
opnieuw bleef zwijgen en wanneer hij 
daarin werd gedekt door de grote 
fracties die om redenen van uiteenlo-
pende aard de zaak liever laten 
rusten 
De topconferentie tussen de heren 
Reagan en Gorbatsjov heeft de 
indruk gewekt dat de betrekkingen 
tussen de supermachten wat zijn 
verbeterd. Hoe kijkt de Nederlandse 
regering tegen een en ander aan? 
Zijn er al merkbare effecten? Het zou 
van het grootste belang zijn, als er 
iets ten goede keerde voor met name 
het volk van Afghanistan. Heeft de 
Nederlandse regering daarop enige 
hoop? 
Uiterst schokkend zijn de berichten 
die ons bereiken uit Eritrea waar 
duizenden mensen worden gedepor-
teerd en de regeringstroepen in de 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2123 strijd tegen het leger van Eritrea 
opnieuw napalm gebruiken. Kan de 
regering deze berichten bevestigen 
en zo ja, is de Nederlandse regering 
bereid, stappen te ondernemen om 
de regering van Ethiopië ertoe te 
brengen om in elk geval af te zien 
van het gebruik van napalm in de 
strijd tegen het volk van Eritrea? 
Een geheel andere zaak betreft de 
Nederlanders in het buitenland die 
volgend jaar mogen meedoen aan de 
verkiezingen van de Tweede Kamer. 
Op welke wijze spelen de Nederlandse 
ambassades en consulaten daarbij 
een al dan niet actieve rol om 
Nederlanders in het buitenland over 
deze mogelijkheid te informeren en 
te bemiddelen bij het verstrekken van 
informatiemateriaal over de diverse 
politieke partijen die aan de verkiezin-
gen zullen deelnemen? 
Sinds het aantreden van het 
kabinet zijn de onrust en het onrecht 
in de wereld eerder toe- dan afgeno-
men. Dit is uiteraard deze bewinds-
lieden allerminst euvel te duiden. Ik 
constateer alleen het feit. Oorlogen 
en geruchten van oorlogen, gecombi-
neerd met rampzalige natuurver-
schijnselen, tonen aan dat deze 
Schepping, zoals de Bijbel dat 
uitdrukt, 'zucht als in barensnood'. 
De herschepping door de komst 
van Jezus Christus, de Vredevorst, is 
aanstaande. Dan zal voor hen die 
Christus kennen als Verlosser en 
Zaligmaker de ware vrede in volle 
omvang worden gerealiseerd. Voor 
zover het in hun vermogen ligt, zullen 
deze bewindslieden zich in het 
komende jaar, zo hoop ik, met kracht 
blijven beijveren voor recht en 
gerechtigheid in de internationale 
volkerenwereld. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="309" partij="GPV" naam="Schutte">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Bij lezing van de begrotings-
toelichting valt het op dat de 
toonzetting tamelijk optimistisch is. 
Er wordtgesproken over hoopgeven-
de ontwikkelingen, over het op gang 
komen van een reële dialoog in de 
Oost-Westverhouding en over een 
groeiend besef van de grote betekenis 
van de eerbiediging van de rechten 
van de mens. De conclusie lijkt 
derhalve voor de hand te liggen, dat 
de bewindslieden bij deze laatste 
begrotingsbehandeling voor de 
komende Tweede-Kamerverkiezingen 
kunnen terugzien op een geslaagde 
bewindsperiode. 
Nu gun ik de minister en zijn 
staatssecretaris deze conclusie best, 
maar zij beschikken over voldoende 
realiteitszin om te onderkennen dat 
een dergelijk oordeel buiten propor-
ties zal zijn. Met inachtneming van 
het beperkte en begrensde machts-
bereik van de Nederlandse minister 
van Buitenlandse Zaken spreek ik 
toch mijn waardering uit voor de 
wijze waarop hij en de staatssecretaris 
de afgelopen jaren vorm hebben 
gegeven aan ons buitenlands beleid. 
Realiteitszin, stabiliteit en bondge-
nootschappelijke loyaliteit waren en 
zijn daarin kernbeqrippen. 
De snelle ontwikkelingen in de 
internationale verhoudingen bieden 
aan bewindslieden evenwel nauwe-
lijks een kans, zo zij dat al zouden 
willen, op hun lauweren te rusten. 
Een van die ontwikkelingen is het 
strategisch defensie-initiatief (SDI), 
waarover in de begrotingstoelichting 
een en ander wordtopgemerkt. 
Zo staat er op blz. 6 dat voor het 
geven van een definitief oordeel 
eerst een aantal vragen moet zijn 
beantwoord. De daarop geformuleer-
de vragen zijn echter zodanig dat het 
antwoord waarschijnlijk pas gegeven 
kan worden , als het gehele project 
kant en klaar is. Vervolgens wordtop 
bladzijde 7 opgemerkt dat deelneming 
van Nederland aan het onderzoek 
met name bepaald zal worden door 
technologische overwegingen. Deze 
overwegingen leidden enkele 
maanden geleden tot de beslissing 
om af te zien van deelneming. Na 
deze terughoudende opstelling lees 
ik op bladzijde 7 4 evenwel dat het 
departement een brochure zal 
uitgeven over het SDI. Hoe moet ik 
dat met elkaar rijmen?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="310" naam="De voorzitter">
 Steltudit niet liever 
aan de orde bij het debat over het 
NAVO-onderdeel?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="311" partij="GPV" naam="Schutte">
 Ik heb dat 
overwogen. In de memorie van 
toelichting staat echter een afzonder-
lijke paragraaf 'NAVO' en een 
afzonderlijke paragraaf 'SDI'. 
Vandaar dat ik de indruk had dat dit 
in dit debat paste. Als de minister er 
echter de voorkeur aan geeft, 
volgende week een antwoord te 
geven, dan kan ik daarop zeggen dat 
ik er ook dan hoop te zijn!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="312" naam="Minister Van den Broek">
 Over een 
brochure wil ik in dit debat wel een 
antwoord geven!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="313" partij="GPV" naam="Schutte">
 Als ik de 
kranten de laatste dagen en weken 
open sla, dan zie ik dat Engeland en 
waarschijnlijk ook West-Duitsland al 
ten principale hun medewerking 
hebben toegezegd aan de Amerikaan-
se regering. Ik zou daarom willen 
vragen, welk beleid de Nederlandse 
regering op dit moment ten aanzien 
van SDI voert, anders dan het 
genomen besluit om zelf niet mee te 
doen. 
Zoals ook in voorgaande jaren zal 
ik een enkele opmerking maken over 
de situatie in Afghanistan. De 
internationale aandacht voor de 
oorlog daar is omgekeerd evenredig 
aan de ernst van de situatie. De 
minister schrijft in zijn toelichting dat 
de voortgaande militaire interventie 
van de Sovjet-Unie in Afghanistan 
een hypotheek legt op de Oost-West-
verhouding. Dat is zeker waar, maar 
waaruit blijkt dit in de praktijk? In het 
antwoord op vraag 5 4 lees ik dat de 
regering zich beijvert, binnen het 
kader van de Verenigde Naties en 
gezamenlijk met de Tien de internati-
onale druk op de Sovjet-Unie op te 
voeren. Maar waaruit bestaat dit 
opvoeren van de internationale druk? 
Wat is het meer dan het maken van 
een aantal opmerkingen tijdens bij 
voorbeeld de Algemene Vergadering 
van de Verenigde Naties? Voor zover 
ik het kan waarnemen, is de aandacht 
voor het mensenrechtenbeleid 
enigszins tanende. De bewindslieden 
geven daarvoor in hun toelichting een 
aantal op zich zelf begrijpelijke 
verklaringen. Toch snijd ik ter zake een 
tweetal concrete onderwerpen aan. 
In de paragraaf over vrede en 
veiligheid wordt met enig voorzichtig 
optimisme gesproken over het 
nieuwe Sovjetleiderschap. Na de 
recente top in Genève is dit optimisme 
in elk geval niet beschaamd gewor-
den. Maar ik hoop dat het ons de 
ogen niet doet sluiten voor de nog 
altijd doorgaande knechting van de 
mensenrechten in de Sovjet-Unie en 
in andere Oostbloklanden. Vooral op 
het gebied van de vrijheid van 
godsdienst bereiken ons voortdurend 
berichten over vervolgingen in de 
Sovjet-Unie zelf en in Roemenië en 
Bulgarije. Waar er op dit gebied in 
een land als China juist sprake is van 
enige liberalisering, mag aan de 
Warschaupactlanden voortdurend 
worden voorgehouden dat zij 
elementaire rechten met voeten 
treden. Ik hoop dat dit een van de 
prioriteiten in het mensenrechtenbe-
leid van de Nederlandse regering zal 
blijven. 
Ernstig blijft de situatie van de 
mensenrechten ook in Midden- Ame -
rika. In het onlangs gepubliceerde 
voorstel voor een samenwerkings-
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2 1 2 4 overeenkomst tussen de EG en de 
landen die partij zijn bij het algemeen 
verdrag inzake Centraalamerikaanse 
economische integratie, is in de 
preambule een zeer algemene 
mensenrechtenpassage opgenomen. 
Is ook gestreefd naar meer? In 
dezelfde preambule lees ik de 
uitspraak dat de sociaal-economische 
achterstand van de desbetreffende 
landen de voornaamste oorzaak is 
van de sociale instabiliteit. Is dat 
alles wat de Europese landen op dit 
moment over de oorzaken van de 
stabiliteit in Midden-Amerika te 
vertellen hebben? 
Is dat niet de ogen sluiten voor de 
politieke en veiligheidsaspecten, die 
eveneens een belangrijke rol spelen? 
Het is immers bepaald niet om 
sociaal-economische redenen dat de 
Contadora-groep onlangs besloot, 
haar vredespogingen voor een aantal 
maanden op te schorten. Wat is het 
oordeel van de minister over het door 
deze groep opgestelde vredesplan en 
ook over de weigering van Nicaragua 
om dit plan te ondertekenen? Ten 
slotte heb ik graag een reactie op het 
voorstel dat ik onlangs in een brief 
van de Raad van Kerken in Nederland 
aantrof, namelijk om mee te werken 
aan de totstandkoming van een 
gedemilitariseerde zone tussen Costa 
Rica, Nicaragua en Honduras. Wat is 
naar het oordeel van de minister het 
realiteitsgehalte van dit plan? 
Vervolgens zal ik iets zeggen over 
de ontwikkelingen in Suriname. De 
berichten die ons de laatste tijd 
vanuit dat land bereiken, geven zeker 
weer enige hoop. Het Nederlandse 
beleid ten aanzien van dit voormalig 
rijksdeel blijft evenwel in mist gehuld. 
Minister Van den Broek heeft in het 
voorjaar in Brazilië een redelijk 
constructief gesprek gehad met de 
heer Bouterse. De laatste wordt 
echter door de vice-minister-president 
in New York tijdens het veertigjarig 
jubilieum van de Verenigde Naties 
consequent genegeerd. 
De vaste commissie wil gesprekken 
voeren met enkele Surinaamse 
politieke voormannen. Uit krantebe-
richten blijkt dat de minister daartegen 
weer geen bezwaar heeft. Wat is nu 
eigenlijk zijn eigen beleid? Wat is 
naar het oordeel van de minister 
nodig om tot verbetering van de 
politieke betrekkingen te komen en 
wat kan hij daaraan zelf bijdragen? 
Ik noemde al even het veertigjarig 
jubileum van de Verenigde Naties. 
Daaraan is in de media ruimschoots 
aamdacht besteed. Bij het volgen van 
die publiciteit merkte ik er een zekere 
behoefte aan te hebben, eens op een 
rijtje te zien wat op dit moment nu 
eigenlijk de Nederlandse bijdrage aan 
en betrokkenheid bij de Verenigde 
Naties is. 
Nederland is op tal van manieren 
bij het VN-werk betrokken. Het is 
moeilijk om er een overzicht van te 
krijgen. Terwijl wij elk jaar een 
verslag krijgen over Nederland en de 
Europese Gemeenschappen, ont-
breekt iets dergelijks in het geheel 
waar het de VN betreft. Wil de 
minister eens overwegen een notitie 
op te stellen over de zo gevarieerde 
betrokkenheid van ons land bij de 
VN-organisatie? Dan denk ik daarbij 
bepaald niet uitsluitend aan de 
UNESCO, maar ook bij voorbeeld aan 
VN-organen die zich met ontwikke-
lingshulp bezighouden. 
De minister zal volgend jaar met 
enkele van zijn EG-collega's een 
bezoek brengen aan de zogenaamde 
frontlijnstaten in zuidelijk Afrika. 
Zullen er bij dat bezoek ook gesprek-
ken zijn met oppositionele groeperin-
gen, evenals dat gebeurde bij het 
recente bezoek van de minister aan 
Zuid-Afrika? En als er ook gesprekken 
zullen worden gevoerd met leiders 
van het ANC, kan de minister dan 
eens informeren naar wat er waar is 
van de berichten dat het ANC zou 
hebben gedreigd Buthulezi te doden 
omdat deze een tegenstander is van 
het gebruiken van geweld om de 
Zuidafrikaanse regering ten val te 
brengen? 
Ik heb begrepen dat de minister 
Europese steunverlening aan 
VN-operaties nu ook militair vorm wil 
geven. Wat moet ik mij daarbij 
voorstellen? Komen er in zijn visie 
ook EG-eenheden? En onder wiens 
vlag zal een Nederlandse militair 
daaraan deelnemen? Is hier sprake 
van een Europese krijgsmacht voor 
specifieke vredesdoeleinden? Ik heb 
tegen een dergelijke ontwikkeling vrij 
ernstige bedenkingen. Wij moeten 
niet de kant op van een Europese 
presentie in Nederland, hoe nobel 
dat doel ook moge zijn. 
Ten slotte heb ik nog een vraag 
over het nieuwe Reglement voor de 
buitenlandse dienst. Zal het mobelijk 
zijn om bij uitzending van diplomaten 
rekening te houden met hun samen-
levingsvorm, gelet op de zeer 
begrijpelijke ethische maatstaven die 
daaraan in sommige landen worden 
gesteld? Of, zal het binnenlands 
libertinisme ook hier de maat van alle 
dingen zijn? 

:::NLANK::: pagina="" :::

</spreker>
<spreker pagina="" anker="314" partij="EVP" naam="Ubels - Veen">
 
Mijnheer de Voorzitter! De invloed 
die Nederland van oudsher op het 
wereldgebeuren had, was eigenlijk 
altijd groter dan de afmeting van zijn 
grondgebied zou doen vermoeden. 
Die invloed kan deels verklaard 
worden uit de belangrijke ligging van 
Nederland, als kust van West-Europa, 
aan de monding van grote rivieren, 
op betrekkelijke geringe afstand van 
Engeland dat ook altijd een aardige 
vinger in de wereldpap had. Met de 
zee vlakbij, havens als poort, een 
altijd aanwezige vloot als varend 
verblijf, zwierven eeuwenlang vele 
Nederlanders varensgasten over de 
wereldzeeën. Werden de verhalen na 
thuiskomst over verre landen de 
basis van de belangstelling voor het 
wereldgebeuren, dat tot op heden 
kenmerkend is voor de Nederlandse 
samenleving? 
Door de eeuwen heen was de 
ligging en de grootte van Nederland 
een vast gegeven, terwijl de betrok-
kenheid van de burgers op watzich 
buiten onze landsgrenzen 
afspeelt een veranderbaar en 
beïnvloedbaar proces in. Daarmee is 
dan meteen min of meer het span-
ningsveld aangegeven, waarbinnen 
het Nederlandse buitenlandse beleid 
zich moet bewegen. Enerzijds is er 
het onwrikbare feit dat Nederland 
een klein land is - dus niet veel 
invloed kan hebben - en anderzijds is 
er de altijd aanwezige druk op de 
regering om een actief beleid naar 
buiten toe te voeren. 
Ook de memorie van toelichting 
spreekt daarover en zoekt als 
oplossing het in hoofdzaak opereren 
binnen het kader van de internationale 
samenwerking, met als doelstelling 
meer overtuigen dan getuigen. 
Vanuit deze gezichtshoek breng ik 
een aantal punten naar voren. 
Ik begin met Zuid-Afrika, één van 
de landen waarmee wij ons vanuit 
onze geschiedenis verbonden voelen, 
en dat, misschien wel mede daardoor, 
steeds weer op de agenda van deze 
Kamer prijkt. Met het voortschrijden 
der tijd neemt het geweld toe, en 
daarmee het verzet van de zwarten, 
vooral onder de jongeren. Elke 
begrafenis van één of meer zwarte 
geweldslachtoffers groeit uit tot een 
massale demonstratie tegen apart-
heid. In de gebieden waarvoor de 
Zuidafrikaanse regering de noodtoe-
stand heeft afgekondigd, geldt nu 
ook een verbod tegen de aanwezig-
heid van de pers, waardoor de vrije 
nieuwsgaring in gevaar komt. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2125 Het is verbazingwekkend dat deze 
maatregel geen grotere protesten 
vanuit het Westen heeft opgeroepen, 
daar vrije meningsuiting toch één van 
de pijlers van de Westerse democra-
tieën is. Hoewel de EG de gedrags-
code heeft verscherpt, blijft tot op 
heden het vrijblijvende karakter 
gehandhaafd. De aanscherping stelt 
feitelijk niet veel voor, daar zij vooral 
een aanpassing is op gewijzigde 
sociale omstandigheden in Zuid-Afri-
ka. Allerlei berichten over de mogelijke 
vrijlating van Nelson Mandela, één 
van de leiders van de zwarte oppositie, 
blijken tot nu toe ongegrond. 
Met instemming heb ik kennis 
genomen van de aanwezigheid van 
Westerse diplomaten, onder wie 
Nederlandse, bij een begrafenis in 
Mamelodi. Zo'n aanwezigheid zal 
door de zwarte bevolking zeker als 
steun worden ervaren. Echter, 
ondanks alles wat er gebeurt - en dat 
is veel meer dan ik hier zo summier 
aanstip - houdt de regering-Botha 
zich doof voor het tikken van de 
tijdbom onder de Zuidafrikaanse 
samenleving. Ik verwijs naar de 
slotverklaring van de recentelijk 
gehouden conferentie van de 
Wereldraad van Kerken in Harare, 
Zimbabwe, waar opnieuw werd 
gepleit voor forse internationale 
sancties tegen Zuid-Afrika als laatste 
vreedzame middel op apartheid af te 
breken. 
Wat kan er nog gedaan worden om 
een fatale gewelddadige explosie te 
voorkomen, die niet alleen vele 
slachtoffers zal veroorzaken onder de 
zwarte bevolking maar evenzeer 
onder de blanken en die bovendien 
het vreedzaam samenleven daarna 
van witte en zwarte mensen genera-
ties lang onmogelijk zal kunnen 
maken? Mijn vraag aan de minister is 
of hij bereid is zich te blijven inzetten 
voor effectieven internationale 
sancties, daarbij volop gebruik 
makend van het Nederlandse 
voorzitterschap van de EG in de 
eerste helft van 1986. De ervaring 
leert echter helaas, dat internationale 
afspraken doorgaans niet verder 
gaan den de zwakste inbreng. 
Is de minister met het oog hierop 
bereid ook zelf bepaalde initiatieven 
te ontwikkelen, eventueel met steun 
van een of meer andere landen die 
ook verder willen gaan dan een 
gezamenlijk ingenomen standpunt? 
Wat kan Nederland bij voorbeeld 
doen om een objectieve nieuwgaring 
te herstellen en te bevorderen? Kan 
de Nederlandse ambassade daarbij 
misschien een rol spelen? Is de 
minister met mij van mening, dat 
wanneer in Zuid-Afrika geen vreedza-
me oplossing tussen zwart en blank 
tot stand komt, de dan onvermijdelijk 
volgende gewelddadige uitbarsting 
zelfs een gevaar kunnen betekenen 
voor de wereldvrede en dat met het 
oog hierop Nederland een eigen 
verantwoordelijkheid heeft tot het 
leveren van een uiterste inspanning 
om dat te voorkomen? Overtuigen in 
plaats van getuigen zou wel eens 
meer kunnen zijn dan angstvallig 
binnen de kaders blijven van de 
internationale samenwerking.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="315" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Mijnheer 
de Voorzitter! Wij hebben eerder op 
de middag gesproken over de. 
opvattingen van dominee Huting van 
de Hervormde Kerken. Hij heeft 
gezegd, dat de kerken het gewapen 
verzet in Zuid-Afrika zouden moeten 
steunen onder bepaalde omstandig-
heden. Wat vindt mevrouw Ubels van 
deze opvattingen, vooral gezien in 
het licht van haar indringende betoog 
over de problematiek in Zuid-Afrika?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="316" partij="EVP" naam="Ubels - Veen">
 Ik vind 
het heel moeilijk om daarover nu een 
bepaalde uitspraak te doen. Ik trek 
een vergelijking naar onze eigen 
situatie in de oorlog. Het verzet toen 
was ook gewelddadig. In die tijd 
stonden heel veel kerkmensen 
daarachter. Een andere vraag is 
natuurlijk of nu al de tijd is gekomen 
om uitspraken te doen om het 
gewelddadige verzet in Zuid-Afrika te 
steunen zolang wij nog het idee 
hebben dat er vreedzame middelen 
mogelijk zijn. De situatie verergert 
met de dag. De vraag is dan ook hoe 
lang wij van de zwarten nog geweld-
loos verzet mogen vragen, terwijl de 
gewelddadige opstelling van de 
regering in Zuid-Afrika met de dag 
duidelijker wordt en ook al heel lang 
duurt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="317" partij="GPV" naam="Schutte">
 Voorzitter! 
Ik wil mevrouw Ubels een vraag 
stellen in verband met de vergelijking 
die zij maakt met de Tweede Wereld 
oorlog. Was toen niet onze wettige 
overheid wel degelijk aanwezig? Het 
verzet keerde zich niet tegen die 
overheid maar tegen de bezetter. 
Daarvoor gelden ook internationale 
regels.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="318" partij="EVP" naam="Ubels - Veen">
 Kun je 
nog van een wettige overheid 
spreken als een zo groot deel van de 
bevolking gewoon genegeerd wordt, 
dat wil zeggen niet aanwezig is in de 
regering? Kun je dan nog van een 
wettige overheid spreken?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="319" partij="GPV" naam="Schutte">
 Hoe veel 
landen zijn er naar uw mening in de 
wereld, die een wettige overheid 
hebben?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="320" partij="EVP" naam="Ubels - Veen">
 
Inderdaad zijn er heel weinig echt 
goede wettige overheden! Mijn 
volgende onderwerp in Midden 
Amerika. Uit de memorie van 
toelichting blijkt dan Nederland bij 
zijn standpuntbepaling ten aanzien 
van deze regio rekening wil houden 
met de veiligheidsbelangen van de 
VS, als onze grootste bondgenood, 
hoewel dat niet betekent dat het 
Amerikaanse Midden Amerika-beleid 
zonder meer onderschreven wordt. 
Uit het vervolg van de memorie 
van toelichting blijkt echter dat de 
regeringsbril nogal Amerikaans 
gekleurd is. Zo spreekt de regering 
net als de VS over 'de grensoverschrij-
dende pretentie van de Sandinistische 
revolutie'. Met geen woord wordt 
gerept over de Amerikaanse steun 
aan de contra's, de economische 
boycot van Nicaragua of het taalge-
bruik van president Reagan. Elke 
analyse ontbreekt van de rol die 
Amerika in zuidelijke richting speelt. 
Ook voor de regering moet het toch 
meer dan duidelijk zijn dat de 
belangrijkste oorzaak van de onrust 
in de regio het grote verschil tussen 
rijk en arm is, de tegenstelling 
Noord-Zuid. 
Uit het optreden van de Verenigde 
Staten blijkt steeds weer hun grote 
voorkeur voor handhaving van de 
bestaande situatie, inclusief de 
onrechtvaardige tegenstellingen. Het 
heeft er alle schijn van dat de 
Verenigde Staten de door de 
bevolkingen nagestreefde economi-
sche en sociale veranderingen 
opzettelijk betrekken in een Oost-
West conflict. Hierdoor vindt in het 
hele gebied een snelle militarisering 
plaats met zeer nadelige gevolgen 
voor de bewoners daar. 
In november jongstleden was er 
een overleg tussen de EG en de 
Contadora-groep. De resultaten 
waren teleurstellend. Het enige 
tastbare gevolg was de minimale 
verhoging van 25 miljoen gulden 
voor regionale projecten. Een echt 
actief politiek EG-beleid ten aanzien 
van Midden-Amerika kwam er helaas 
niet uit. De EG is van mening dat de 
politieke instabiliteit te wijten is aan 
het achterblijven van de economische 
groei. Naar diepere oorzaken hiervan 
werd niet gezocht noch verwezen. De 
laatste berichten zijn nu dat de 
Contadora-groep haar bemiddelings-
pogingen in Midden-Amerika 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2126 opschort. De oorzaak hiervan moet 
ongetwijfeld gezocht worden in het 
conflict tussen de Verenigde Staten 
en Nicaragua. 
Hoe schat de minister deze laatste 
ontwikkeling in? Is dit het begin van 
het einde van de Contadora? Zou de 
EG nu niet een actievere rol moeten 
spelen als bemiddelaar dan tot nu 
toe het geval was in het steeds 
grimmiger wordende conflict tussen 
de Verenigde Staten en Nicaraqua? 
Kan Nederland als voorzitter van de 
EG geen gebruik maken van de 
toenemende bereidheid van de VS 
om met Europa over Midden-Amerika 
te discussiëren, zoals de memorie 
van toelichting constateert? De 
memorie van toelichting stelt dat de 
Amerikaanse regering inziet dat haar 
veiligheidsbelangen beter gediend 
worden door democratisering dan 
door de op den duur instabiele 
militaire regimes. Is dat de 
reden waarom ook de minister waarde 
hecht aan democratisering? Waar ligt  nu de echte prioriteit in dit verhaal: 
bij de arme bevolking of bij de 
Amerikaanse veiligheidsbelangen? 
Wat houdt democratisering 
wezenlijk in? Ik denk aan een land als 
Guatemala, waar in 1 954 de eerste 
en enige democratische regering 
door de Verenigde Staten met 
behulp van de CIA verdreven werd. 
Sindsdien wordt er in dat land naar 
hartelust gemarteld, werden naar 
schatting 100.000 mensen vermoord 
en verdwenen er 40.000. Op het 
ogenblik wordt openlijk, systematisch 
en geraffineerd de eeuwen oude 
cultuur van de vijf miljoen Maya-
indianen, de meerderheid van de 
bevolking, bedreigd en vernietigd. 
President Reagan wil de militaire 
hulp hervatten die zijn voorganger 
Carter in 1977 stopzette. Daarvoor is 
eerst een democratische face-lift 
nodig. Zo waren er in de afgelopen 
tijd enige verkiezingen. Begin 
volgend jaar moet er een burgerrege-
ring van start gaan. 
De bevolking van Guatemala 
gelooft nog niet zo in de democrati-
sering, omdat de echte macht in 
handen van het leger zal blijven. De 
aartsbisschop van Guatemala 
voorziet dan ook een gemilitariseerde 
burgerregering. Ook gaan de 
schendingen van de mensenrechten 
nog gewoon door, onder welke 
omstandigheid nauwelijks van een 
democratiseringsproces gesproken 
kan worden. Wat de verdwijningen 
betreft, is de situatie in Guatemala in 
absolute zin zelfs ernstiger dan in 
Argentinië en dat voor een aanmer-
kelijk kleiner land. In dit licht gezien 
doet het enigszins vreemd aan dat de 
Verenigde Staten wel enthousiast 
zijn over het verloop van de verkie-
zingen in Guatemala, terwijl zij die in 
Nicaragua verdacht hebben gemaakt. 
Ten einde het democratiseringspro-
ces te bevorderen zou de regering 
bovenstaande overwegingen kenbaar 
moeten maken aan de Verenigde 
Staten. Verder wil ik een aantal 
suggesties doen. Ik vraag de minister 
of hij ze wil overnemen. Het waarne-
men van schendingen van mensen-
rechten zou een permanent onderdeel 
moeten worden van de diplomatieke 
aanwezigheid van Nederland in de 
regio. De dreigende etnocide van de 
indiaanse cultuur moet in het kader 
van de VN aangekaart worden. Ziet 
de regering mogelijkheden om de 
reeds toegebrachte wonden voor de 
indiaanse bevolking enigszins te 
helen? Voelt de regering iets voor 
een wapenembargo tegen Guatema-
la? Zou zij in dat kader druk willen 
uitoefenen op Israël, de belangrijkste 
wapenleverancier van Guatemala? 
In de memorie van toelichting 
worden de Filipijnen niet genoemd. 
Toch wil ik daarover ook enige 
opmerkingen maken. De situatie daar 
is vergelijkbaar met die in Midden-
Amerika. De Verenigde Staten 
hebben er grote militaire en econo-
mische belangen. Er zijn grote 
verschillen tussen rijk en arm, en de 
bevolking wordt onderdrukt onder 
het mom van een dreigend commu-
nisme. Er is reeds een gewapende 
strijd tegen president Marcos 
gaande, waarbij twee processen door 
elkaar lopen. 
Ten eerste onvrede over de 
bevoordeling van een kleine Marcos-
kliek ten koste van de arme boeren-
bevolking en de krottenwijkbewoners. 
Ten tweede een etnisch-cultureel en 
religieus conflict, waardoor verzet 
ontstaat tegen de centrale overheid, 
die met behulp van de bureacratie 
oude gezagsverhoudingen doorbreekt 
en verschillende bevolkingsgroepen 
onder één noemer wil brengen. 
Het zogenaamde vriendjeskapitalis-
me verschaft allerlei financiële en 
economische voorrechten aan de 
selecte kleine groep zeer rijke 
Marcos-aanhangers. De grote groep 
armen, die al zo getroffen werd door 
de economische crisis van de jaren 
'80, wordt de mogelijkheid tot 
ontwikkeling ontnomen. Lange tijd 
slaagde Marcos erin, zijn bewind een 
democratisch tintje te geven. Er 
waren referenda en verkiezingen en 
zelfs werd een nationale vergadering 
gekozen. Er werd echter op grote 
schaal gefraudeerd. 
De media waren en zijn geheel in 
handen van Marcos, die elke oppositie 
verdacht maakt met het predicaat 
'communisme'. Met het laatste heeft 
hij ook altijd weten in te spelen op 
gevoeligheden aan VS-zijde. De strijd 
tegen de maoïstische New People 
Army tracht hij zo in de tegenstelling 
communisme-vrije wereld te trekken. 
Dat een en ander niet zo eenvoudig 
ligt, blijkt uit uitspraken van het 
hoofd van de katholieke kerk in de 
Filipijnen, die in Washington verklaar-
de dat de NPA zulk een brede steun 
geniet vanwege afkeer tegen het 
Marcos-beleid en niet uit communis-
tische sympathieën. Dat ook de 
rechtsgang te wensen overlaat, mag 
blijken uit de recente vrijspraak van 
generaal Ver, persoonlijk vriend van 
Marcos en verdacht van de moord op 
Aguino. 
De VS heeft een groot belang bij 
handhaving van de status quo, 
vanwege de twee militaire bases op 
de Filipijnen, waarmee de Pacific 
wordt beheerst. Zij oefenen daartoe 
druk op Marcos uit om een beter 
sociaal-economisch beleid te voeren 
en om zuiveringen van het leger van 
corrupte en moordende militairen te 
laten plaatsvinden. Onder druk van 
de VS heeft Marcos nu tot vervroegde 
verkiezingen in februari aanstaande 
besloten. 
Helaas is de oppositie verdeeld. 
Juist dit weekeinde bleek dat zij niet 
in staat was, met één tegenkandidaat 
te komen. Er komen er twee, drie, 
mogelijk zelfs vier, hetgeen hun 
positie ten opzichte van Marcos, die 
nog steeds veel troeven in handen 
heeft, zeer zal verzwakken. Denkt de 
minister ook iets te kunnen doen om 
de zuiverheid van de verkiezingen te 
kunnen waarborgen, bij voorbeeld 
het afvaardigen van waarnemers? 
Onder het mom van communisme-
bestrijding voeren politie en para-mi-
litaire groepen een waar schrikbewind 
uit. Volgens een artikel in het Vrije 
Volk van 2 november werden op 20 
september jongstleden op het eiland 
Negros 28 mensen neergeschoten, 
die meededen aan een vreedzame 
demonstratie. De dag erna werden 
nog eens 21 mensen in staat van 
beschuldiging gesteld, waaronder de 
Nederlandse pater Nico Hofstede, 
die zich daar met ontwikkelingsprojec-
ten bezighoudt. Zou de minister ten 
aanzien van deze zaak kunnen 
bewerkstelligen dat er een onafhan-
kelijk onderzoek wordt ingesteld naar 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2127 de gebeurtenissen op die dag en dat 
zo mogelijk de officiële beschuldiging 
tegen de groep van 21 mensen, die 
vrij willekeurig schijnt te zijn samen-
gesteld, wordt ingetrokken? Ik 
verwijs in dit verband ook naar een 
brief die de minister hierover 
ontvangen moet hebben. 
Mijn laatste onderwerp betreft de 
mensenrechten. De memorie van 
toelichting stelt dat de zorg hiervoor 
een centraal bestanddeel blijft van 
het buitenlands beleid, zoals ook de 
belangen van de Nederlandse 
economie en die van vrede en 
veiligheid. De gezamenlijke afweging 
hiervan is overeenkomstig de 
desbetreffende nota uit 1979 'de 
rechten van de mens in het buiten-
lands beleid'. 
Mensenrechten blijken echter in de 
praktijk, wanneer zij op gespannen 
voet staan met economische 
belangen, te worden onderge-
sneeuwd. Dit is zowel de conclusie 
van Amnesty International, als van de 
interuniversitaire werkgroep 'buiten-
lands beleid van Nederland'. Mis-
schien zou het al beter kunnen 
worden als het ministerie van 
Buitenlandse Zaken in een eerder 
fase betrokken zou worden bij 
Nederlandse wapenexporten en 
andere Nederlandse handelsbetrek-
kingen. Volgens de mensenrechten-
nota zal Nederland eerder protesteren 
bij schending van mensenrechten in 
landen, waarmee Nederland een 
nauwe historische band heeft. 
Met het oog hierop vraag ik aan de 
minister, of hij op de hoogte is van 
de mogelijke verkoop van vier 
Nederlandse korvetten aan Indonesië, 
en of hij bij de afweging hiervan de 
situatie van de mensenrechten in 
Indonesië een rol heeft laten spelen. 
Als de minister stelt dat hij liever 
overtuigt dan getuigt, om zo effectief 
mogelijk te kunnen handelen, dan 
geldt dat ongetwijfeld ook voor zijn 
mensenrechtenbeleid. 
Bedoelt de minister dan dat hij ook 
buiten internationale kaders om een 
mensenrechtenbeleid wil voeren? De 
minister hanteert vaak als argument 
voor het nalaten van bepaalde 
maatregelen, dat zij niet effectief zijn. 
Is er een mogelijkheid om van 
tevoren de effectiviteit van een 
bepaalde maatregel te bepalen? De 
gemaakte afweging en de gehanteer-
de criteria zijn vaak niet helder 
genoeg, waardoor niet goed kan 
worden vastqesteld of het overtuigen-
de karakter van de maatregelen van 
de minister nu ontbreekt of verborgen 
blijft. Zou de minister er zorg voor 
kun dragen dat de afweging in het 
vervolg duidelijker naar buiten toe 
gepresenteerd wordt? 
Terugkomend op mijn inleiding, 
zou ik de minister willen oproepen, 
een overtuigend buitenlands beleid 
te voeren dat getuigt van betrokken-
heid van ons land bij groepen 
mensen of landen die in de verdruk-
king dreigen te geraken. Overtuigen 
in plaats van getuigen mag geen alibi 
zijn om je aan te sluiten bij de status 
quo. Is de minister daar ook van 
overtuigd? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="321" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Mijnheer de 
Voorzitter! Het verloop van het debat 
is zodanig geweest - met name de 
uitspraken van de twee CDA-woord-
voerders - dat ik mijn speech anders 
zal houden dan ik mij had voorgesteld. 
Ik wil beginnen met Zuid-Afrika, zij 
het, Voorzitter, dat ik daaraan een 
compliment aan uw adres vooraf wil 
laten gaan, omdatuerin bent 
geslaagd om voor Kerst de begroting 
van Buitenlandse Zaken af te 
handelen. Ik kan mij niet herinneren 
dat ooit meegemaakt te hebben. 
Mijnheer de Voorzitter! In de 
discussie tussen de heren Ter Beek 
en Voorhoeve over terreur en het 
bestrijden daarvan, heeft de heer 
Voorhoeve een - dat lijkt mij terecht -
onderscheid gemaakt tussen een 
burgeroorlog, een situatie van een al 
of niet gerechtvaardigde opstand, 
zoals in Nicaragua, enerzijds en de 
situatie waarbij terreur wordt 
uitgeoefend door groepen met name 
op non-combattante, onschuldige 
burgers anderzijds. 
Ik vind dat een heel helder onder-
scheid dat ik geheel heb gemist - dat 
verontrust mij - in het betoog van de 
woordvoerder van het CDA de heer 
Van Weezel, die het nodig vond om 
de praeses van de Nederlandse 
Hervormde Synode hier te attaqueren, 
omdat die begrip uitsprak voor 
hetgeen er in Zuid-Afrika gebeurt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="322" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Dat heeft 
hij niet gezegd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="323" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Wiltudan 
zeggen wat hij wel gezegd heeft?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="324" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Nu blijkt 
dat de heer Van Weezel en Scholten 
niet on speaking terms zijn.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="325" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Van mijn kant 
niet.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="326" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Ik kan 
misschien de helpende hand bieden 
door een feit naar voren te brengen. 
Dominee Huting heeft natuurlijk meer 
gezegd. Hij heeft niet alleen begrip 
getoond. Hij heeft gezegd dat hij 
vindt dat de kerken in Nederland 
daadwerkelijke steun zouden moeten 
geven aan het gewapende verzet in 
Zuid-Afrika. Daar hebben de heren 
De Boer en Gualthérie van Weezel 
kritische kanttekeningen bij geplaatst. 
En daar heb ik mij gisteravond in een 
radio-uitzending bij aangesloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="327" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Ik kom daar nog 
op terug. Ik zei zojuist dat de praeses 
van de Nederlandse Hervormde 
Synode begrip heeft uitgesproken 
- dat is niet in strijd met hetgeen de 
heer Weisglas heeft gezegd - voor 
de situatie in Zuid-Afrika, waarbij 
geweld gebruikt wordt door de 
Zuidafrikaanse bevolking. Daar is nog 
iets op gevolgd. Ik kom daar nog op 
terug. 
Mijnheer de Voorzitter! Er is in 
Zuid-Afrika geen sprake van een 
situatie van terreur, zoals de heer 
Voorhoeve hier heeft beschreven. 
Daarmee wil ik niet zeggen dat ik 
voor iedere daad die zich daar voltrekt 
zou willen tekenen. In Zuid-Afrika is 
veeleer sprake van een situatie die 
duidt op een beginnende burgeroor-
log. De strijd wordt primair gevoerd 
door het ANC. Men heeft een hele 
lange periode van dialoog achter de 
rug. 
Vervolgens is het ANC begonnen 
met het bestrijden van de regerings-
politiek door aanvallen te doen op 
installaties (Saso). Onlangs werd 
naar aanleiding van een topconferen-
tie van het hoofdbestuur van het 
ANC - als ik dat zo mag zeggen -
meegedeeld, dat nu zal worden 
overgegaan tot het aanvallen van 
militaire en politiële doelen in de 
Zuidafrikaanse samenleving. Dat is 
een heel andere situatie dan die, 
welke de heer Van Weezel van het 
Midden-Oosten heeft geschetst. Ik 
vind het nogal wat, wanneer zo uit de 
losse pols, zo ongenuanceerd wordt 
gesproken. 
Kun je geen begrip opbrengen voor 
een beweging, die na jaren pleiten en 
geweldloos gestreden te hebben, ten 
slotte zegt, het niet meer te zien 
zitten? Is de Zuidafrikaanse samenle-
ving niet een samenleving, die alleen 
maar in stand gehouden kan worden, 
omdat geweld wordt uitgeoefend van 
de kant van de Zuidafrikaanse 
overheid? Is het in zo'n situatie niet  belangrijk, dat de mensen zeggen: 
ons rest voor het bereiken van de 
vrijheid niets anders meer dan 
gewapend verzet? Ik heb er alle 
begrip voor. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2128 De allerlaatsen om dat te bekritise-
ren zijn die volksvertegenwoordigers 
die tot dusverre niet thuis waren, als 
het ging om het treffen van andere 
maatregelen tegen Zuid-Afrika, 
waardoor mogelijkerwijs nog een 
goede invloed had kunnen worden 
uitgeoefend. </spreker>
<spreker pagina="" anker="328" partij="CDA" naam=" Gualthérie van Weezel">
 Bedoeltumij?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="329" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Ik heb zoeven 
gezien dat de heer De Boer de heer 
Van Weezel tot de orde riep. Ik wil 
mij daarmee verder niet bemoeien. </spreker>
<spreker pagina="" anker="330" partij="CDA" naam=" Gualthérie van Weezel">
 Geef eens antwoord!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="331" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 In ieder geval 
behoort ook de heer Van Weezel 
daartoe. In het algemeen behoren 
daartoe die volksvertegenwoordigers 
die op het beslissende moment terug-
deinsden, toen het erom ging het 
kabinet - of welk kabinet dan ook -
aan te zetten tot het treffen van 
sancties vanuit de Nederlandse 
samenleving.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="332" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Nu 
wederom blijkt, dat een dialoog 
tussen het CDA en de heer Scholten, 
om welke reden dan ook niet 
mogelijk is, wil ik een kanttekening 
plaatsen. Ik voel mij ook aangesproken 
door hetgeen de heer Scholten zegt. 
De fractie van de VVD is door de 
jaren heen tegenstander geweest van 
eenzijdige sancties van Nederland. 
Dat wil niet zeggen, dat hiermee de 
fractie van de VVD geen kritiek heeft 
op het apartheidsbeleid en dat zij 
niet wil zoeken naar andere middelen 
om een einde aan dit beleid te 
maken. Het feit, dat wij tegen de 
middelen zijn, die de heer Scholten 
voorstaat - dat is zijn goed recht -
wil niet zeggen dat wij niet bezig zijn 
met het voeren van actie tegen het 
apartheidsbewind. Wij doen dat met 
onze eigen middelen. Wij hebben 
daarop even veel recht als de heer 
Scholten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="333" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Zeker, vanzelf-
sprekend. Vanuit de Zuidafrikaanse 
samenleving is om het instellen van 
sancties gevraagd. Ik kan het woord 
'sanctie' niet meer uitstaan, omdat 
wij het hier zo vaak hebben moeten 
uitspreken. De situatie gaat door, dus 
ook - helaas - de discussie. Bij 
herhaling is door de Zuidafrikaanse 
samenleving om sancties gevraagd. 
Ik roep bisschop Desmond Tutu maar 
weer eens als getuige op. Voor de  Duitse televisie heeft hij gezegd: 
West-Europa, waar zijt gij in het uur 
van onze nood? Als West-Europa en 
ook Nederland nergens zijn in het uur 
van de Zuidafrikaanse nood, dan bent 
u inderdaad de allerlaatste om een 
kritisch oordeel uit te spreken over 
het gewelddadig verzet in de 
Zuidafrikaanse samenleving.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="334" partij="VVD" naam="Weisglas">
 Nu is het 
eindelijk eens afgelopen met aantui-
gingen aan het adres van degenen 
die niet uw middelen kiezen. Wij 
vinden, dat onze middelen effectief 
zijn. De geschiedenis zal uitwijzen 
wie gelijk heeft. U mag mij hier niet 
het recht ontzeggen om die middelen 
voor de strijd tegen de apartheid te 
kiezen, die wij wensen. Wederom 
zegtuindirect, dat degenen die niet 
uw weg kiezen, medeplichtig zouden 
zijn aan datgene, wat in Zuid-Afrika 
gebeurt. Als het aan mij ligt, is dat in 
dit Huis afgelopen. </spreker>
<spreker pagina="" anker="335" partij="CDA" naam=" Gualthérie van Weezel">
 Nog drie maanden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="336" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Ik wil eerst even 
de heer Weisglas beantwoorden. Het 
gaat niet om mijn standpunt, maar 
om dat van grote delen van de 
Zuidafrikaanse samenleving die jaar 
in, jaar uit heeft gebeden en gesmeekt 
om actie. 
De fracties, die daar 'neen' tegen 
hebben gezegd op gronden, die bij 
herhaling zijn aangevoerd, zijn wel de 
allerlaatste om nu het verzet in 
Zuid-Afrika te veroordelen wanneer 
daar wordt gezegd dat men geen 
andere uitweg meer ziet. Ik denk dat 
ik die stelling staande kan houden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="337" partij="CDA" naam="De Boer">
 Ik wil deze 
mededeling van de heer Scholten 
toch van een correctie voorzien. 
Dezerzijds is er commentaar gegeven 
op de opstelling van dominee Huting, 
waar hij meende dat de Nederlandse 
kerken zich achter het gewelddadige 
verzet van het ANC zouden moeten 
opstellen. Dat gewelddadige verzet 
van het ANC als zodanig is nu niet ter 
discussie gesteld. Het gaat erom dat 
de kerken de laatste zijn, die moeten 
zeggen dat er geweld gepleegd moet 
worden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="338" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Opvallend is - en 
daarom ben ik de heer De Boer 
erkentelijk voor zijn interruptie - dat 
ik over die uitlating van dominee 
Huting nog helemaal niet heb 
gesproken. Ik ben tot nu toe alleen 
ingegaan op de vraag, of er al dan 
niet begrip moet bestaan voor het 
feit dat er in Zuid-Afrika gewelddadig 
verzet is ontstaan. Ik kom nog op die 
uitspraak.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="339" partij="CDA" naam="De Boer">
 U hebt 
deze zaak naar aanleiding van dit 
onderwerp naar voren gebracht. Ik 
stel er prijs op, daarbij precies aan te 
geven wat ons standpunt is.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="340" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Zeker. 
Mijnheer de Voorzitter! Wat betreft 
dominee Huting en anderen die er 
net zo over denken als hij, wijs ik 
erop dat er in Zuid-Afrika ten minste 
een begin van burgeroorlog is. Als de 
voortekenen niet bedriegen, zal het 
allemaal nog veel erger worden dan 
het al is. Ik heb daarop bij herhaling 
gewezen; ik ben in de loop van de 
jaren wat dit betreft alleen maar 
somberder geworden. Dominee 
Huting is blijkbaar van oordeel dat er 
een situatie kan ontstaan - misschien 
bestaat die situatie al - waarin de 
Nederlandse kerken partij moeten 
kiezen in dat conflict. Ik zou nu willen 
vragen, Voorzitter, wie nu die geachte 
afgevaardigden zijn, die een kerkelijk 
leider in deze vergadering van de 
volksvertegenwoordiging menen te 
moeten kritiseren? Als dominee 
Huting vindt dat de Nederlandse 
kerken een taak hebben in de vorm 
van het partij kiezen bij die fundamen-
tele strijd om gerechtigheid in 
Zuid-Afrika, zijn zij dan de eerstgeroe-
penen om deze praesus van de 
Nederlands Hervormde Synode te 
kritiseren? 
Hij heeft toch niet bepleit dat de 
Nederlandse regering fregatten naar 
Zuid-Afrika stuurt of andere militaire 
middelen ter beschikking stelt? Hij 
sprak over wat naar zijn oordeel de 
kerkelijke gemeenschap in Nederland 
in de toekomst wellicht zou moeten  gaan doen. Ik zou zeggen: laten wij 
ons als Nederlandse politici even 
bescheiden opstellen en die discussie 
binnen de kerken maar eens afwach-
ten. 
Een tweede aspect, dat mij ertoe 
brengt om af te zien van het houden 
van de speech die ik had voorbereid, 
is de opmerking van de heer De 
Boer, waar de heer Leerling blij mee 
moet zijn. Voorzitter, de heer Leerling 
heeft hier bij herhaling gepleit voor 
de dialoog. Als ik de heer De Boer 
vandaag goed heb begrepen, zegt hij 
dat wij het in feite allemaal verkeerd 
hebben gedaan. De EG is met een 
missie naar Zuid-Afrika gegaan. 
Ik vraag de minister om bij zijn 
beantwoording de effecten van die 
missie aan te geven; ook anderen 
hebben dat gevraagd. De vraag rijst 
echter, of de heer De Boer vergeten 
is dat èn in deze Kamer èn door 
groepen in onze samenleving, 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2129 waaronder vooral de kerken, jaar in 
jaar uit is gepleit voor een dialoog? 
Het is de kerken toch vlees en bloed 
om te willen praten in plaats van 
vechten? Is hij vergeten dat wij ten 
slotte in Nederland zijn overgegaan 
naar de fase van de kritische dialoog? 
Dat gebeurde onder leiding van de 
heer Van der Stoel. Ten slotte 
hebben wij, na eindeloze discussie, 
moeten zeggen dat ook de kritische 
dialoog niet functioneerde, zodat 
men moest overgaan tot de derde 
fase, het uitoefenen van pressie, 
onder meer door economische 
sancties. 
Is de heer De Boer dit alles 
vergeten met zijn pleidooi voor de 
dialoog? Ik herinner eraan dat niet 
alleen collega Wallage een visum is 
ontzegd. Er zijn tientallen Nederlan-
ders met een kritische opstelling ten 
aanzien van het apartheidsbeleid, die 
het Zuidafrikaanse land niet binnen 
mogen. Alleen bepaalde mensen wil 
men in dat land zien. 
Ik stel de minister van Buitenlandse 
Zaken een paar concrete vragen. Ik 
heb begrepen dat van het pakket van 
de EG van 10 september eigenlijk 
nog niet veel terecht is gekomen, 
met uitzondering van de code, die 
meer behoort tot het tweede spoor, 
het emancipatiespoor, dan tot het 
eerste, dat van de sancties. Die 
sporen mogen wat mij betreft ook 
best worden omgedraaid; daar gaat 
het niet om. Zou de minister eens 
aan de hand van de belangrijkste 
onderdelen van het besluit van 10 
december willen nalopen hoe het 
daar nu mee staat? 
Vervolgens is mij opgevallen, dat 
het EG-pakket tot dusverre, drie 
maanden na dato, niet alleen nog 
niet is uitgevoerd, maar ook nog een 
bijzonder mager pakket is, zelfs als ik 
het vergelijk met de maatregelen van 
de Verenigde Staten van Amerika of 
van de Commonwealth. Naar de 
Scandinavische landen hoef ik 
natuurlijk helemaal niet te kijken. 
Men kent het pakket van de Nordic 
Council. Overigens heeft de minister 
mij in het debat in juni toegezegd, 
dat pakket aan de Kamer te overhan-
digen met een commentaar van zijn 
kant. Ik zie het graag op korte termijn 
tegemoet. 
Overigens heeft de minister mij in 
het debat van juni ook toegezegd, 
dat hij met betrekking tot een aantal 
centrale wetten in Zuid-Afrika, 
waaronder de National Keypoint Act, 
een studie zou laten maken, die hij 
de Kamer ter hand zou stellen. Die 
zie ik ook gaarne op korte termijn 
tegemoet. 
Het pakket van de Europese 
Gemeenschap houdt geen beperking 
van de import van de Krugerrand in, 
waartoe wel de noordse landen, 
Canada, de Verenigde Staten en zelfs 
de Commonwealth hebben besloten. 
Inmiddels is de markt van de Kruger-
rand dood. De aanmaak in Zuid-Afrika 
is gestopt. Het is toch wel mager, dat 
de importbeperking niet in het pakket 
voorkwam. Er staat niets in over de 
beperking van leningen, wederom in 
tegenstelling tot de vier groepen die 
ik heb genoemd.  Minister Van  den Broek: Mijnheer 
de Voorzitter! Ik wil nu toch interve-
niëren, om de discussie misschien ook 
wat te bekorten. Wij hebben een 
uitvoerig debat gehad na mijn 
deelname aan de troika naar Zuid-
Afrika. Ik heb daarin volledig verant-
woording afgelegd. Na het pakket 
van Luxemburg van 10 september, 
waarop de heer Scholten doelde, heb 
ik een toelichting gegeven. Wij 
hebben toen een vergelijking 
gemaakt met andere maatregelen die 
waren genomen. Mag ik mij dan bij 
deze begrotingsbehandeling ervan 
ontslagen achten, daar nog in detail 
op in te gaan? Als het om nieuwe 
informatie gaat, doe ik dat graag, 
maar ik meen de Kamer daarover 
zeer uitvoerig te hebben geïnfor-
meerd.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="341" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Voorzitter! Ik wil 
de minister het volgende vragen. 
Komt hij met mij tot de conclusie dat 
zelfs de besluiten die na 10 september 
zijn genomen door de Amerikaanse 
regering, door de Noordse Raad en 
door de Commonwealth, vergeleken 
met de besluiten van de Europese 
Gemeenschap van 10 september, 
verder gaan? Ik wil hem uitnodigen 
om zich er tijdens zijn voorzitterschap 
voor in te zetten om ten minste dit 
niveau te bereiken.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="342" naam="Minister Van den Broek">
 Ik heb al 
een aantal malen gezegd, dat deze 
vraag in het geheel niet nieuw is. 
Deze zaken lagen reeds in het 
verschiet of de beslissingen hierover 
waren reeds genomen, toen wij in de 
Kamer het pakket maatregelen van 
10 september bespraken. De kwestie 
van de Krugerrand is hier uitvoerig 
aan de orde geweest. Ik heb de 
Kamer ook verteld waarom er in de 
Europese gemeenschap niet tot een 
verbod is overgegaan. Bij de kwestie 
van de leningsinstrumenten speelt 
precies hetzelfde. Ik hoor de heer 
Scholten niet zeggen dat in het 
pakket maatregelen van de Common-
wealth of van de Verenigde Staten 
de kwestie van de olie-export 
überhaupt niet aan de orde komt. Ik 
zou dan wel graag zien dat er een 
vergelijking naar twee kanten werd 
gemaakt, zoals dat indertijd in het 
debat ook is gedaan.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="343" partij="Partijloos" naam="Scholten">
 Voorzitter! Moet 
ik de mening van de minister 
werkelijk in die zin samenvatten, dat 
het er gewoon niet toe doet, wat er 
in Zuid-Afrika sinds 10 september is 
gebeurd en wat andere belangrijke 
organen in de wereld of groepen 
landen of zelfstandige landen hebben 
gedaan? Is het besluit van 10 
september een soort automatische 
piloot en is de minister niet bereid 
zich in te zetten voor aanpassing van 
dit besluit? Ik pleit voor aanpassing 
van dit besluit, mijnheer de Voorzitter, 
tot ten minste het niveau van de 
andere landen die ik zoeven heb 
genoemd. 
Ik wil een bijzondere oproep aan 
de regering doen met betrekking tot 
de leningen. Zuid-Afrika heeft een 
enorme buitenlandse schuld. Binnen 
twaalf maanden loopt de helft van 
deze buitenlandse schuld af en 
worden de vorderingen inbaar. Ik zou 
het bijzonder op prijs stellen wanneer 
de minister er zich voor zou willen 
inzetten dat althans vanuit de 
Europese Gemeenschap niet de 
helpende hand aan Zuid-Afrika wordt 
geboden voordat vanuit Zuid-Afrika 
werkelijk de bereidheid tot fundamen-
tele wijzigingen wordt gedemon-
streerd. 
Voorzitter! Wat is er terecht-
gekomen - dit is mijn laatste vraag 
aan de minister op dit punt - van de 
eisen die de troika in Zuid-Afrika 
heeft gesteld? Zou de minister mij dit 
in zijn antwoord uiteen willen zetten? 
Ik kan mijn betoog in zoverre met 
een gerust hart afsluiten, dat ik mij, 
zowel met betrekking tot de mensen-
rechten als met betrekking tot de 
politiek van vrede en veiligheid 
integraal kan aansluiten bij het 
betoog dat de heer Ter Beek hier 
heeft gehouden. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="344" partij="Partijloos" naam="Wagenaar">
 Mijnheer de 
Voorzitter! De mij nog resterende 
spreektijd is zo beperkt, dat ik in deze 
bijdrage moet afzien van beschouwin-
gen die meer recht zouden doen aan 
de onderwerpen die ik ditmaal aan de 
regering voorleg. 
Indien wij onze blik richten op de 
wijde context van de Nederlandse 
participatie aan consultaties en aan 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2130 activiteiten in het kader van de 
Verenigde Naties, kom ik als vanzelf 
op de recente crisis rond het functio-
neren van de UNESCO. Dit weinig 
geliefde geesteskind van de internati-
onale gemeenschap, om in termen 
van de 'Observer' te spreken, kreeg 
bij de oprichting van de Engelse 
onderwijsminister Ellen Wilkinson de 
zegenwens mee 'dat het aan ons is 
om de kanalen vrij te maken waarlangs 
stromen van kennis, waarheid en 
schoonheid die de basis van echte 
beschaving vormen van natie tot natie 
zouden kunnen vloeien'. 
Intussen hebben de Verenigde 
Staten eind 1 984 deze organisatie 
verlaten en heeft het Verenigd 
Koninkrijk onlangs besloten dit 
voorbeeld te volgen, omdat werkelijke 
hervormingen uitbleven. Na kennis te 
hebben genomen van de afwijzende 
reactie van de Nederlandse regering 
op het Britse besluit, heb ik er toch 
behoefte aan nader in te gaan op de 
afweging van het voor en het tegen 
van uittreding. Is het juist, dat de 
periode van één jaar waarna een 
besluit tot uittreding geëffectueerd 
kan worden eigenlijk te kort is om 
hervormingen in die organisatie door 
te voeren, omdat de UNESCO in een 
cyclus van twee jaar besluiten neemt 
en evalueert? 
Betekent dit dan niet dan Nederland 
en andere landen, die de kritiek wel 
goeddeels onderschrijven doch 
opteren voor hervormingen van 
binnenuit, het streven erop zouden 
moeten richten de situatie in 1986 
drastisch te verbeteren? Ziet de 
regering concrete mogelijkheden om 
de druk op de bureaucratische top 
van de UNESCO te verhogen, opdat 
de Verenigde Staten en het Verenigd 
Koninkrijk wellicht op hun schreden 
terugkeren? Is het overigens waar, 
dat 75% van het budget opgaat aan 
de bekostiging van het centrale 
apparaat van de UNESCO in Parijs? 
Zo ja, welke alternatieven staan de 
regering dan voor ogen om te 
bevorderen dat bijdragen meer 
gerichtworden besteed aan UNESCO-
projecten die nog steeds de moeite 
waard zijn? Wat is voorts de waarde 
van geruchten, als zouden andere 
landen - ik noem in dit verband de 
Bondsrepubliek, Singapore en 
Japan - uittreding overwegen. Wat 
zouden de gevolgen daarvan zijn 
voor het budget en het program van 
UNESCO? 
Voorzitter! Ofschoon wij bij een 
debat over buitenlands beleid 
voortdurend in gedachten in den 
vreemde vertoeven, kan toch niet 
gezegd worden, dat wij in het 
verleden erg lang hebben stilgestaan 
bij onze landgenoten aldaar. De 
reactie van Buitenlandse Zaken op de 
subsidie-aanvraag van de vereniging 
'Nederland in den vreemde' heeft ons 
hogelijk verbaasd. Kort gezegd,  kwam het hierop neer: er is geen 
geld en wij zijn bovendien toch al 
geneigd wat terughoudend te zijn 
met subsidies. Maarten slotte bleek 
de minister wel bereid de beperkte 
mankracht van de buitenlandse 
dienst in te zetten voor ledenwerving 
voor die vereniging. 
Daarmee worden 600.000 Neder-
landers het mondiale bos ingestuurd. 
Verdient het overigens geen aanbe 
veling een interdepartementale 
werkgroep te formeren die de 
problematiek, zoals die in de knelpun-
tennota van de vereniging 'Nederland 
in den vreemde' is uiteengezet, nog 
eens nader onderzoekt? Deze werk 
groep kan tevens een meer structurele 
oplossing ontwerpen voor overheids-
steun aan de veelsoortige arbeid van 
de vereniging. 
Voorzitter! Ik kom vervolgens te 
spreken over een aantal probleemge-
bieden in het buitenlands beleid die 
gestadig onze aandacht opeisen. 
Wat de ontwikkeling in zuidelijk 
Afrika betreft, vraag ik aan de 
vooravond van het Nederlandse 
voorzitterschap van de EPS de 
minister welke verwachtingen hij 
heeft van een bezoek aan de Front-
lijnstaten. Naar ik heb begrepen 
wordt dit overwogen. 
Ik denk hierbij aan de kwestie 
Namibië en de besprekingen Genève 
om tot een doorbraak in de ontstane 
patstelling te komen. Acht de 
regering het ongedaan maken van 
het amendement-Clark en de 
mogelijke steun aan Unita een 
effectieve stok achter de deur om 
met de Sovjet-Unie tot zaken te 
komen? Welke rol ziet de minister 
voor de EPS weggelegd om bij te 
dragen aan een spoedige totstandko-
ming van een regeling? 
Sprekend over zuidelijk Afrika wil 
ik met betrekking tot het Nederlandse 
beleid de regering ook een reactie 
vragen op de al veel besproken 
uitspraak van synodevoorzitter ds. 
Huting die de steun van Nederlandse 
kerken aan het gewapende verzet in 
Zuid-Afrika niet uitsloot. In dat 
verband vind ik het jammer niet in de 
gelegenheid te zijn geweest - ik doe 
het nu maar - de heer Scholten erop 
te wijzen, dat er in Zuid-Afrika geen 
begin is van een burgeroorlog, maar 
wel van opstand. Dat verschil nu is 
niet zonder betekenis. 
Deelt de minister onze opvatting 
dat een en ander niet spoort met het 
regeringsbeleid, waarbij ten principale 
steun wordt gegeven aan vreedzame 
veranderingen? Hoe is dat overigens 
te rijmen met de kritiek die lnkatha-
leider Buthelesi onlangs heeft geuit op 
de Nederlandse weigering, humanitai-
re projecten van Inkatha te steunen? 
Zou in het kader van het tweede 
spoor toch niet wat meer moeten 
worden gedaan om de schijn van 
dubbelzinnigheid en gebrek aan 
consistentie, die blijkbaar naar het 
inzicht van zowel voorals tegenstan-
ders aan het Nederlandse beleid lijkt 
te kleven, tegen te gaan? 
Nu wij het toch over het contact-
beleid hebben, zou ik graag nader 
worden geïnformeerd over de 
concrete uitkomsten van het voorne-
men van de regering om Nederlanders 
in Zuid-Afrika wat meer voorlichting 
te geven over de situatie aldaar. 
Voorzitter! Een andere politieke 
brandhaard is ongetwijfeld de 
voortslepende oorlog in Afghanistan. 
In lijn met voorgaande debatten, 
waarin ik naar de mogelijkheden van 
herleving van het plan-Carrington 
vroeg, zou ik de minister, ook in 
aanvulling op hetgeen collega 
Voorhoeve naar voren bracht, nu 
willen vragen of in EPS-verband niet 
gestreefd zou kunnen worden naar 
het zenden van VN-waarnemers naar 
Afghanistan, opdat tenminste enige 
rem zou kunnen worden gezet op de 
tomeloze uitroeiingsacties die de 
Sovjets daar uitvoeren. Heeft zoiets 
überhaupt kans van slagen en in 
hoeverre is een dergelijke poging 
reeds eerder ondernomen c.q. 
gestrand? 
Wij zullen de tijd wel niet meemaken 
dat gezegd kan worden dat van het 
Midden-Oostenfront geen nieuws te 
melden valt. In elk geval heeft de 
trein van terroristische acties in 
afgelopen tijd niet stilgestaan en ook 
weinig goeds bijdragen aan de 
vredesvooruitzichten. In verband met 
de tijd wil ik mij beperken tot de 
vraag hoe de regering het onlangs 
verschenen Israëlische rapport over 
betrokkenheid van hoge PLO-functio-
narissen bij recente aanslagen 
beoordeelt, niet in de laatste plaats 
als het gaat om het reëel betrekken 
van de PLO bij het vredesproces, 
waarbij ik vooral denk aan het 
uitwerken van de zogenoemde 
Jordan option. Heeft dit rapport niet 
tenminste duidelijk gemaakt dat een 
extra druk op de PLO met name in 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
2131 
EPS-verband, noodzakelijk is om een 
werkelijke scheiding van geesten 
binnen deze organisatie mogelijk te 
maken? Zo ja, aan welke stappen 
denkt de minister dan? 
Voorzitter! Ik sluit mijn mini-tour 
d'horizon af door de steven te 
wenden naar Latijns-Amerika. 
Recente berichten lijken te bevestigen 
dat het Condatora-initiatief definitief 
in het slop is geraakt. Behalve 
wellicht de voor de hand liggende 
vraag of en hoe de EPS mede dit 
initiatief opnieuw leven in zou kunnen 
blazen, wil ik ook wijzen op een 
aspect van de ontwikkelingsproble-
matiek aldaar dat doorgaans weinig 
aandacht krijgt. In vele Centraal- en 
Zuid-Amerikaanse landen wordt de 
stabiliteit van de soms prille democra-
tieën ernstig bedreigd door het 
zogenoemde narcoticaterrorisme. De 
acties van M-19 in Columbia hebben 
recentelijk de gemoederen in dat 
deel van de wereld danig beroerd, 
maar kregen in West-Europa weinig 
aandacht. Kan de minister toezeggen 
dat hiernaar eens ernstig onderzoek 
zal worden gedaan? 
Voorzitter! Ik stap van de wereldbol 
af, want van te veel problemen in te 
korte tijd wordt men draaierig, maar 
toch niet zo dat ik op de valreep nog 
zou vergeten, de bewindslieden te 
complimenteren met het vele goede 
dat onder hun leiding tot stand is 
gekomen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="345" naam="De voorzitter">
 De staatssecretaris 
heeft mij gevraagd, hem morgen te 
verontschuldigen wegens een 
plotseling opgekomen Europese 
verplichting. Ik stel daarom voor, 
hem nu in de gelegenheid te stellen, 
zijn deel van het antwoord te geven. 
Daartoe wordt besloten. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="346" naam="Staatssecretaris Van Eekelen">
 
Mijnheer de Voorzitter! Ik ben er 
bijzonder erkentelijk voor datumij in 
de gelegenheid stelt, de enkele aan 
mij gestelde vraag nu te beantwoor-
den. 
Ik dank de leden voor de woorden 
van waardering, die ook tot mij 
gericht waren. 
De heer Weisglas heeft een vraag 
gesteld over de komende Europese 
Raad. Die zal in Den Haag gehouden 
worden, omdat we ervan uitgaan dat 
er maar één Europese Raad per 
voorzitterschap zal worden gehouden 
en dat die dan ook in het land dat het 
voorzitterschap vervult, zal plaatsvin-
den. 
De heer Van Weezel sprak over het 
gehakketak over het Europese 
paspoort. Er is tussen Binnenlandse 
Zaken en Buitenlandse Zaken geen 
verschil van inzicht over de noodzaak 
van fraudebestendigheid van het 
nieuwe paspoort. Het probleem was 
veeleer, een combinatie te vinden 
van fraudebestendigheid, gedecen-
traliseerde afgifte via de gemeentebe-
sturen in Nederland en de daarmee 
gepaard gaande kosten. Mijn collega 
van Binnenlandse Zaken en ik hebben 
een onafhankelijke instantie verzocht, 
een analyse te maken van de kosten 
van de verschillende mogelijkheden. 
Het rapport ter zake is zeer binnenkort 
te verwachten. Daarna kan de 
besluitvorming worden afgerond. Ik 
zal de Kamer terstond inlichten als 
dat besluit zal zijn genomen, en dat 
zal in ieder geval ver voor de aanstaan-
de verkiezingen zijn. 
De algemene beraadslaging wordt 
geschorst.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="347" naam="De voorzitter">
 De minister zal 
morgen antwoorden. 
De vergadering wordt van 19.05 uur 
tot 20.30 uur geschorst.   Voorzitter: Cornelissen. </spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de behandeling van 
het wetsvoorstel Machtigingtot
 deelnemingdoor de Staat in 
 Circle Information Systems BV 
 (19 2 8 0 ) . 
De algemene beraadslaging wordt 
geopend. 

<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="348" partij="PvdA" naam="Hummel">
 Mevrouw 
de Voorzitter! In het najaar van 1984 
is door de regering besloten tot 
herstructurering van het Computer 
Centrum Limburg (CCL). Het kabinet 
wil het zogeheten systeemhuisgedeel-
te van het CCL onderbrengen in een 
besloten vennootschap. Het voorne-
men is, een onderneming te stichten 
waarin naast de Staat, Philips 
Telecommunicatie&quot; en lnformatiesys-
temen BV en de NV Industriebank 
LIOF zullen deelnemen, terwijl geen 
der participanten een meerderheids-
belang zal hebben. De deelneming 
door de Staat zal tijdelijk zijn. De 
minister van Binnenlandse Zaken is in 
dit verband gekozen, omdat het een 
taak van het ministerie van Binnen-
landse Zaken betreft. 
De huidige activa en activiteiten, 
behorende bij het systeemhuisgedeel-
te van het CCL, zullen worden 
ondergebracht in de nieuwe onderne-
ming. Hieruit zal ook het volstorten 
van de aandelen bekostigd worden; 
het restbedrag zal in de vorm van 
risicodragend vermogen, waarvan de 
modaliteiten nog moeten worden 
vastgesteld, aan de onderneming ter 
beschikking worden gesteld. 
De precieze vorm van de samen-
werking tussen de participanten, 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Buitenlandse Zaken 
Circle Information Systems B V . 
2132 evenals de overgang van het perso-
neel, worden nader uitgewerkt. Zodra 
dit is gebeurd, zal de Kamer hierover 
door middel van een nota worden 
geïnformeerd. Het wetsvoorstel, 
beogend de door artikel 4 0 van de 
Comptabiliteitswet vereiste machti-
ging te krijgen, is ingediend om de 
deelneming per 1 januari 1986 
daadwerkelijk mogelijk te maken. 
In de zeer korte schriftelijke 
voorbereiding is in het bijzonder 
ingegaan op vraagstukken, de 
rechtspositie van het personeel 
betreffend, alsmede op de financiële 
gevolgen voor het Rijk van deze 
constructie. Tevens is aandacht 
geschonken aan de plaats van 
vestiging van de nieuwe onderneming 
en van het resterend gedeelte van 
het CCL te Heerlen. Per 1 januari 
1 984 was de formatieve omvang van 
het CCL 3 7 0 plaatsen. Te zijner tijd 
zullen 145 personeelsleden overgaan 
naar CIS BV, terwijl 122 formatie-
plaatsen onder het management van 
het Rijks Computer Centrum (RCC) 
worden gebracht. Eén 12-tal plaatsen 
zal worden ondergebracht bij de 
eenheid voor exploitatie van systemen 
voor lagere overheden. 
De fractie van de PvdA overweegt 
thans in te stemmen met het 
wetsvoorstel. Daarbij tekent zij aan 
dat de Kamer op korte termijn, dat 
wil zeggen vóór 1 maart 1986, de in 
het vooruitzicht gestelde nota dient 
te ontvangen. Daarbij willen wij 
bijzondere aandacht schenken aan 
de oplossingen voor problemen van 
rechtspositionele aard van het 
betrokken personeel en aan de 
financiële aspecten. 
Na lezing van het eindverslag leven 
er bij mijn fractie nog enkele vragen 
over de personele gevolgen en over 
de gevolgen voor de rechtspositie 
van het personeel van deze reorgani-
satie. Is de regering bereid, toe te 
zeggen dat de in het vooruitzicht 
gestelde nota, die een weergave 
bevat van de bereikte resultaten, 
tijdig in de Kamer aan de orde wordt 
gesteld? Mij dunkt, dat de tijd van 
onzekerheid voor het personeel zo 
kort mogelijk moet zijn. Afhandeling 
van deze kwestie in deze Kamer moet 
vóór 1 maart mogelijk zijn. Is de 
regering bereid toe te zeggen, dat zij 
dit nastreeft? 
Vervolgens wil de fractie van de 
PvdA dat de regering nadrukkelijk 
toezegt dat al het personeel in 
rijksdienst blijft totdat de overeen-
komst met Philips en LIOF perfect is 
en dat er uitsluitend sprake is van 
detachering voor zover de datum van 
1 januari 1986 in dit verband niet 
wordt gehaald. 
Wij nemen aan dat er nog nader 
overleg met de Kamer plaatsvindt 
over de uiteindelijke oplossingen 
voor de problematiek van het 
wachtgeld en de pensioenbreuk. Is 
de regering bereid, dit toe te zeggen? 
Natuurlijk verwijs ik hierbij naar de 
datum van 1 maart, waarover ik 
zoeven sprak. Overigens achten wij 
onze medewerking aan het verlenen 
van de machtiging op grond van 
artikel 40 van de Comptabiliteitswet 
geenszins gebonden aan de uiteinde-
lijke personele gevolgen van de 
onderhavige reorganisatie. Wat is de 
huidige stand van zaken bij de 
wijziging van de ABP-wetgeving 
inzake de pensioenbreukproblema-
tiek? Zal deze, eventueel met 
terugwerkende kracht, ook van 
toepassing zijn op het huidige bij 
deze kwestie betrokken personeel? 
Over de financiële gevolgen van de 
reorganisatie van het CCL leven bij 
de fractie van de PvdA nog de 
volgende vragen. Is de regering 
bereid, de Kamer periodiek te 
informeren over de ontwikkelingen 
bij CIS BV en het RCC-gedeelte te 
Heerlen en over al datgene wat ter 
zake relevant is of als zodanig moet 
worden beschouwd? Ik denk hierbij 
aan het opnemen van een passage in 
de toelichting op hoofdstuk VII van 
de begroting. 
Hoe zit het eigenlijk precies met de 
aanvankelijk verleende opdrachtga-
ranties aan de nieuwe onderneming? 
Wil de staatssecretaris van Binnen-
landse Zaken zich er toch nog eens 
over uitlaten of de regering van 
mening is dat het Rijk een bijzondere 
verantwoordelijkheid kent voor de 
instandhouding van de werkgelegen-
heid, zowel bij CIS BV als bij het 
RCC-gedeelte en het gedeelte voor 
de lagere overheid. Op welke wijze 
wordt naar zijn mening aan deze 
bijzondere verantwoordelijkheid 
gestalte gegeven? 
Gedurende welke termijn is Philips 
bereid, in de huidige verhoudingen 
het personeel niet alleen over te 
nemen, maar ook in dienst te 
houden? Gesteld wordt dat het 
systeemhuisgedeelte in bedrijfseco-
nomische zin in een verliesgevende 
situatie verkeert. Hoe erg is dat 
eigenlijk? Wat betekent het concreet? 
Welke vooruitzichten zijn er dat 
daarin een wending zal komen? 
Overigens gelden voor de aanloopver-
liezen natuurlijk de verliescompensa-
tieregels. 
Voor 1986 zijn geen bedragen 
meer op de rijksbegroting geraamd 
om de kosten te kunnen verantwoor 
den ten laste van dat dienstjaar. Hoe 
denkt de regering te handelen, nu 
ervan moet worden uitgegaan dat de 
reorganisatie niet meer geheel kan 
worden afgehandeld in 1985? Is de 
regering bereid, de taxatierapporten 
die de grondslag vormen voor de 
overdracht van de activa, eventueel 
vertrouwelijk ter kennis van de Kamer 
te brengen, zodat een inzicht kan 
worden verkregen in datgene wat de 
regering feitelijk doet? 
Daarbij zijn wij in elk geval geïnte-
resseerd in de feitelijke stukken, 
zoals uitgebracht door de taxateurs. 
Hetzelfde geldt uiteraard voor de 
openingsbalans en de samenstellende 
delen ervan van de nieuwe onderne-
ming. Wanneer kan de regering ons 
deze stukken toezenden, opdat wij 
daarover eventueel nog eens van 
gedachten kunnen wisselen? 
Mevrouw de Voorzitter! De 
regering ontwijkt de vraag naar de 
privaatrechtelijke stichting bij het 
ministerie van Economische Zaken. 
Daarom herhaal ik de vraag nog 
maar eens. Is er sprake van de 
oprichting van een dergelijke 
stichting en, zo ja, is daarbij acht 
geslagen op de op grond van artikel 
40 van de Comptabiliteitswet 
vereiste machtiging? Zo neen, 
waarom niet? Zijn er ambtenaren van 
het Rijk rechtstreeks of indirect 
betrokken bij het bestuur van deze 
stichting? Welke financiële gevolgen 
zijn er voor het Rijk te verwachten 
van de deelname van het ministerie 
van Economische Zaken in deze 
stichting? 
In de stukken wordt gesteld dat de 
inkomsten bij het CCL en in de 
toekomst bij het exploitatiegedeelte 
van het RCC gedeelte te Heerlen 
worden geraamd opf10 miljoen, als 
gevolg van de automatisering van de 
kadastrale registratie. Dat is een 
interessant gegeven. Nog interessan-
ter echter is het om te weten wat de 
kosten van dit project zijn en voor 
wiens rekening het eventueel 
negatief saldo komt, nu het niet ten 
laste van het RCC blijft. Betaalt in dat 
geval Binnenlandse Zaken of VROM? 
Ten slotte heb ik nog een vraag 
over de huisvesting. Uit de stukken 
blijkt dat er een programma van 
eisen bij de Rijksgebouwendienst is 
ingediend voor het in Heerlen te 
bouwen rijkskantorengebouw. Dat 
gebeurt in het kader van het PNL-be-
leid. Kan na de indiening van dit plan 
ook worden gemeld ten behoeve van 
welke rijksdiensten het gebouw 
wordt geconstrueerd? Is de regering 
daartoe in staat? 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Circle Information Systems B V 
2133 De regering zal een evaluatie 
uitbrengen ter zake van het proces 
van gedeeltelijke privatisering van 
het CCL. De regering wil deze 
evaluatie aan de Kamer voorleggen. 
Kan zij nu al aangeven binnen welke 
termijn zij over de evaluatie denkt te 
beschikken en door wie deze zal 
worden opgesteld? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="349" partij="VVD" naam=" Dijkstal">
 Voorzitter! 
De geschiedenis van het CCL in 
Limburg is een droevige. Vanaf het 
begin in 1974 is het een moeizame 
operatie geweest, met verliezen. Om 
deze reden is het Centraal instituut 
voor industrie-ontwikkeling in 1981 
- als ik mij niet vergis - met een 
rapport gekomen waarin duidelijk 
stond dat er op korte termijn geen 
perspectieven waren voor het CCL, 
dat het kostenniveau te hoog was in 
relatie tot de prestatie en dat het 
desbetreffende marktsegment een 
dalende tendens kende. 
Uiteindelijk is het kabinet in 
oktober 1984 met de eerste ideeën 
gekomen om het CCL voor een deel 
te privatiseren. In ieder geval zou het 
CCL worden gesplitst; een deel zou 
naar het RCC gaan en een deel zou 
worden geprivatiseerd. Daarnaast 
zou er iets naar een aantal gemeenten 
in Limburg gaan. Hierbij werd 
getracht, zoveel mogelijk arbeids-
plaatsen in Limburg te handhaven. 
Het kabinet is op zoek gegaan naar 
partners die in het te privatiseren 
gedeelte zouden willen deelnemen. 
In eerste instantie is het terechtgeko-
men bij Minihouse. Dat was in de tijd 
dat het kabinet nog het voornemen 
had, opdrachtgaranties van de 
overheid te geven. De VVD-fractie 
heeft zich daartegen vanaf het begin 
verzet, onder andere in verband met 
mogelijke concurrentievervalsing. 
Later is het kabinet van die gedachte 
afgestapt en toen bleek, dat Minihou-
se in mindere mate in staat c.q. 
bereid was om de werkgelegenheid 
van het over te nemen personeel te 
garanderen. Daarmee is Minihouse 
als partner afgevallen. 
De geschiedenis van het CCL kan  leerzaam zijn: moet de overheid 
ondernemer zijn, ook als het om 
computers gaat? Deze algemene 
vraag kan in de eerste plaats worden 
gesteld. In hoeverre heeft bij het CCL 
de afstand een rol gespeeld, zowel 
wat betreft de overheid als opdracht-
gever als ook wat betreft het feit, dat 
zij controleur was van de operatie 
aldaar? Als dit inderdaad een rol 
heeft gespeeld, moet dit ons te 
denken geven over het spreidingsbe-
leid. In de derde plaats moeten de 
grote problemen worden genoemd, 
die de overheid zelf heeft bij het hele 
automatiseringsproces. Bij andere 
gelegenheden hebben wij hierover 
met de regering kunnen spreken. 
Het blijft onze fractie zeer grote 
zorgen baren. In de vierde plaats 
moet de vraag worden gesteld hoe 
de overheid en het CCL mensen 
konden vasthouden, juist in deze 
branche waar de salariëring zo sterk 
achterblijft bij die in het bedrijfsleven. 
Een paar weken geleden hebben wij 
een mondeling overleg gehad over 
automatisering bij Defensie en daar 
kwam precies hetzelfde beeld naar 
voren. De zuigkracht van het bedrijfs-
leven naar goed gekwalificeerde 
mensen op het terrein van automati-
sering is zeer groot. 
Bij te kiezen oplossingen heeft de 
VVD-fractie een vijftal uitgangspunten 
gekozen. In de eerste plaats moeten 
er bij welke vorm van voortzetting 
dan ook reële toekomstkansen zijn. 
De belangen van het personeel 
moeten gerespecteerd worden en 
het belang van de overheid als 
afnemer moet worden meegewogen. 
De afspraken in het kader van de PNL 
ten aanzien van de werkgelegenheid 
moeten zo veel mogelijk worden 
nagekomen en de afspraken met de 
gemeente Heerlen over de huisvesting 
moeten zo goed mogelijk worden 
gehonoreerd. 
Het kabinet heeft voorgesteld om 
het systeemhuisgedeelte van het CCL 
onder te brengen in de nieuwe BV 
met als andere partners het LIOF en 
Philips. De exploitatie-eenheid over 
- 12 arbeidsplaatsen - waarover op 
dit moment overleg wordt gevoerd 
met de gemeenten Kerkrade en 
Simpelveld. 
Wat vandaag aan de orde is, is de 
vraag of wij de minister kunnen 
machtigen om deel te nemen in deze 
nieuwe BV. Het probleem is dat 
enerzijds alle betrokkenen - ik wil dat 
nog eens met nadruk zeggen - erop 
hebben aangedrongen om zo snel 
mogelijk tot de nieuwe constructie 
over te gaan, maar dat anderzijds er 
helaas op een aantal onderdelen nog 
vragen zijn. Ik wil die vragen even 
langslopen. 
In de eerste plaats wordt gedacht 
aan deelname door de Staat voor 
drie jaar. Mij is niet duidelijk, waarom 
dit drie jaar moet zijn en waarom dit 
bij voorbeeld niet één jaar kan zijn.  Twee elementen spelen een rol: het 
ene had kunnen zijn, dat er opdracht-
garanties zouden worden gegeven, 
maar daar zijn wij vanaf gestapt. Dat 
element speelt dus niet meer. Rest 
nog het element van het veiligstellen 
n de belangen van het personeel wat 
betreft hun werkgelegenheid. 
Naar mijn vaste overtuiging moet 
dit echter ook zijn op te lossen door 
een overeenkomst met de andere 
partners en is het daarvoor niet 
noodzakelijk om drie jaar deel te 
nemen. Nu zegt het kabinet, dat het 
om maximaal drie jaar gaat, maar het 
zou ons een lief ding waard zijn om 
inderdaad dit gedeelte zo snel 
mogelijk te privatiseren. 
Het is ook om die reden dat ik in 
het verslag heb gevraagd of het niet 
mogelijk was om die maximale 
periode van drie jaar - waar het 
kabinet nu zelf van uitgaat - in ieder 
geval in de wet zelf op te nemen als 
een soort horizonbepaling. Ik wil 
deze vraag nog eens nadrukkelijk aan 
de staatssecretaris voorleggen. 
In de tweede plaats zijn de 
marktperspectieven van belang, dat 
wil zeggen de omzet- en de winstver-
wachtingen van de nieuwe BV. Wij 
hebben daarover heel weinig 
gehoord, maar het is naar mijn 
mening toch van belang om, mede 
gezien het belang van het garanderen 
van de werkgelegenheid, daarover 
iets meer te horen. 
In de derde plaats is de financiële 
kant van de zaak van belang, dat wil 
zeggen de inbreng van de activa, de 
waardering daarvan, de openingsba-
lans van de nieuwe onderneming en 
het bedrag dat als risicodragend 
kapitaal in welke vorm dan ook ter 
beschikking wordt gesteld. De 
staatssecretaris heeft toegezegd, dat 
de Kamer hierover nog nadere 
informatie zal krijgen op het moment 
dat hij die beschikbaar heeft. 
In de vierde plaats speelt de 
rechtspositie van het personeel een 
belangrijke rol. De heer Hummel 
heeft ook al gewezen op de wacht-
geldproblematiek, die nog niet 
helemaal is afgerond. In dat kader 
spelen ook de zogenaamde spijtop-
tantenregeling en het probleem van 
de pensioenbreuk een rol. Uit de 
stukken heb ik begrepen, dat zich 
hier twee constructies voordoen. In 
de eerste plaats is er de achterbal-
konconstructie. Ik heb er zelf geen 
idee van waarom dit zo wordt 
genoemd. 
De kosten daarvan worden 
geraamd op 388 duizend gulden. De 
andere mogelijkheid is de overdracht 
van de bij het ABP opgebouwde 
wiskundige reserve. In het stuk staat 
dat de kosten daarvoor 1,8 miljoen 
gulden bedragen, minus de over te 
dragen wiskundige reserves. Maar, 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Circle Information Systems B V . 
2134 aangezien ik niet weet hoe groot die 
wiskundige reserves zijn, weet ik ook 
niet wat het saldo van die rekensom 
is. Dat wil ik dan ook aan de staats-
secretaris vragen. Daarbij komt ook 
de vraag hoe hij dat denkt te dekken. 
Dit ligt ook in het verlengde van de 
opmerking van de heer Hummel over 
de begroting 1986 waarin hierbij niet 
is voorzien. 
Ik heb al gememoreerd - dat is 
mijn vijfde vraagpunt - dat het 
overleg met Kerkrade en Simpelveld 
nog niet is afgerond. 
Ik til erg zwaar aan het volgende 
punt, namelijk wat de financiële en 
organisatorische gevolgen zijn voor 
het Rijkscomputercentrum in 
Apeldoorn. In de stukken staat dat 
het kabinet - en ik citeer - 'met zo 
weinig mogelijk tekorten het RCC wil 
belasten'. Dat vind ik een loffelijk 
streven van het kabinet, maar daar 
gaat het toch juist om. Welke 
zekerheden zijn er dat er geen 
tekorten zullen zijn? Als die tekorten 
er wel zullen zijn, welke reservering is 
er dan getroffen om die tekorten te 
dekken ten einde te vermijden dat 
het RCC opgezadeld wordt - zoals ik 
eerder heb gezegd - met een heel 
zwakke poot in de organisatie? 
In dat verband is natuurlijk de 
automatisering van de kadastrale 
registratie - dit punt is ook door de 
heer Hummel genoemd - van belang, 
waarbij de gemiddelde jaaropbrengst 
wordt geschat op 10 miljoen gulden. 
Overigens, als ik mij niet vergis heb 
ik in de kranten gelezen dat de 
tarieven van het kadaster omhoog 
gaan. Ik weet niet of er een directe 
relatie met dit punt bestaat. Dat hoor 
ik dan zo wel. 
Ten slotte heb ik nog een vraag 
over de huisvesting en de daarover 
gedane beloften. Ik heb zeker de 
indruk dat het kabinet de intentie 
heeft, die beloften na te komen. In de 
overleg- en uitwerkingssfeer moet 
daaraan echter nog het een en ander 
gebeuren voor de gemeente Heerlen. 
Wij staan nu voor de vraag hoe wij 
tegen dit summiere wetsontwerp 
moeten aankijken. Er wordt gevraagd 
of een machtiging verleend kan 
worden om deel te nemen in de 
nieuwe BV. 
Er zijn echter nog zoveel open 
vragen. Daarom stel ik in eerste 
termijn de volgende vragen aan de 
staatssecretaris. Is het denkbaar dat 
de minister inderdaad gemachtigd 
wordt om per 1 januari deel te 
nemen, maar dat de feitelijke 
deelneming een aantal maanden 
later komt, waarbij de Kamer en 
zeker de betrokkenen in de gelegen 
heid worden gesteld om over de 
informatie die er nu nog niet is met 
de regering te overleggen en dan op 
1 april - of op welke datum dan ook -
feitelijk van start te gaan? 
Ten slotte, Voorzitter, heb ik nog 
een opmerking van meer algemene 
aard. Dit is toch één van de eerste 
echte privatiseringsprojecten die wij 
van de rijksoverheid zien, zij het dat 
de uiteindelijke privatisering in het 
voorstel van het kabinet over drie 
jaar definitief is afgerond. 
Ik heb begrepen dat is gepoogd, zo 
veel mogelijk te werken tegen de 
achtergrond van de Nota personele 
aspecten van privatisering, al heb ik 
de indruk dat de regering al eerder 
bezig was met het CCL, terwijl de 
nota nog in de maak was. Deze twee 
zaken hebben elkaar een beetje 
doorkruist, maar er is een poging 
gewaagd ze op elkaar af te stemmen. 
Om die reden hecht de VVD er veel 
waarde aan dat het privatiseringspro-
ces na afronding ervan nog eens op 
een rijtje zal worden gezet. Ik 
verwacht dat wij daaruit erg veel 
lessen kunnen trekken voor toekom-
stige privatiseringsprojecten. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="350" partij="CDA" naam="Hennekam">
 Mevrouw 
de Voorzitter! Het is een goede zaak 
dat het Wetsontwerp machtiging tot 
deelneming door de staat in Circle 
Information Systems BV vanavond 
voor ons ligt. In de schriftelijke 
voorbereiding hebben wij hierover al 
met elkaar van gedachten gewisseld 
en daarbij vele details besproken die 
vanavond wat ons betreft dan ook 
kunnen blijven rusten. Enkele vragen 
die bij ons leefden zijn goeddeels al 
gesteld door de heren Hummel en 
Dijkstal. Daarom maak ik slechts 
enkele algemene opmerkingen. 
Het CDA stemt in met de gedachte, 
het zogenaamde 'systeemhuisgedeel-
te' van het CCL onder te brengen in 
de besloten vennootschap, waarbij 
de staat een minderheidsbelang zal 
hebben. Immers, wij zijn van mening 
dat het gewenst is, taken die in de 
private sector kunnen worden 
verricht niet langer onder de paraplu 
van de staat te houden maar ze ook 
werkelijk af te stoten. 
Wij stemmen eveneens in met de 
gedachte, de deelneming van de 
Staat nog slechts tijdelijk te laten 
zijn, al valt over de tijd nog te 
twisten. De heer Dijkstal sprak daar 
al over. Is het een jaar, twee jaar of 
drie jaar? Hoe schat de staatssecre-
taris dat in? 
Daarnaast is het CDA ervan 
overtuigd dat de werkzaamheden 
gewoon doorgang zullen vinden, 
zeker nu ook Philips en LIOF zullen 
deelnemen. Dat lijkt ons een uitste 
kende zaak voor de werkgelegenheid 
in Zuid-Limburg. 
Het is goed - de staatssecretaris 
heeft dat ook bewust bevorderd - dat 
ruime aandacht is besteed aan de 
rechtspositie van het personeel dat 
naar het geprivatiseerde deel gaat. 
De nota naar aanleiding van het 
verslag geeft daarover duidelijk 
uitsluitsel. 
Het moge duidelijk zijn dat 
betreffende de opzegtermijn, 
eventuele pensioenbreuk en de 
wachtgeldregeling de grootst 
mogelijke zorgvuldigheid moet 
worden betracht. Het CDA is ervan 
overtuigd dat de staatssecretaris ook 
hier in staat zal zijn de laatste 
rimpeltjes glad te strijken. 
Wij spreken de hoop uit dat deze 
privatiseringsoperatie zo snel 
mogelijk wordt afgerond en dat 
voorwaarden worden geschapen om 
CIS BV een succesvolle start te 
geven. Wij vinden dit - wij willen dit 
vanavond ook in alle duidelijkheid 
hebben gezegd - een voorbeeld van 
juiste privatisering, dat wil zeggen 
privatisering met mate. Dat gedeelte 
wordt geprivatiseerd dat zich ertoe 
leent, wat ons een verstandige 
aanpak lijkt. 
Ik rond af met een vraag aan de  staatssecretaris: Hoe acht hij de 
kams op welslagen, niet zozeer op 
korte termijn als wel op lange 
termijn? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="351" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Mevrouw 
de Voorzitter! In tegenstelling tot de 
vorige spreker wil ik alvast zeggen, 
vooruitlopend op de evaluatie die ons 
in het vooruitzicht is gesteld, dat als 
deze privatiseringsoperatie model 
gaat staan voor nog komende 
privatiseringsoperaties, er alleen 
maar met grote vrees naar uitgekeken 
kan worden. 
In het algemeen hebben wij - dat 
hebben wij ook in de schriftelijke 
voorbereiding uiteengezet - de 
nodige problemen met privatiserings-
operaties. Dat geldt zeker als het 
gaat om activiteiten die directe 
raakvlakken hebben met toekomstige 
belangrijke ontwikkelingen op het 
vlak van automatisering en de 
betrokkenheid van de overheid 
daarbij. Nu spreken wij vanavond 
strikt genomen niet over privatisering, 
maar juist over het omgekeerde 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Circle Information Systems B.V 
2135 daarvan, namelijk een machtiging tot 
staatsdeelname in een BV, zij het 
voor tijdelijke duur. 
Het doel daarvan is vooral het 
bereiken van een gezonde positie 
voor het bedrijf, alsook het vanuit de 
overheid uitoefenen van invloed op 
het beleid van de onderneming met 
betrekking tot arbeidsvoorwaardelijke 
aspecten en werkgelegenheidsaspec-
ten. De vraag is ook door de Raad 
van State gesteld, in hoeverre die 
belangrijke beïnvloeding bij deze 
operatie kan worden waargemaakt 
met een minderheidsdeelneming van 
een derde van het geplaatste 
aandelenkapitaal. De loutere verwij-
zing naar een aandeelhoudersover-
eenkomst voldoet in dit opzicht 
bepaald niet, want het gaat er 
natuurlijk om wat er in die overeen-
komst komt te staan. 
Na lezing van de stukken - in dat 
opzicht achten wij de schriftelijke 
voorbereiding bepaald nog niet 
voldoende om een helder beeld te 
krijgen - rijst de vraag, waartoe wij 
de regering eigenlijk machtigen. Veel 
is onaf, veel is onduidelijk. Uit de 
nota naar aanleiding van het verslag 
hebben wij op zijn minst een negental 
punten gehaald waarover op dit 
moment nog geen definitieve 
duidelijkheid bestaat, waarover nog 
overleg gaande is en dergelijke. Ik 
noem ze. 
Er is op dit moment nog geen 
overeenkomst met Philips (PTIS) en 
LIOF. Er is geen voorziening opgeno-
men in de begroting voor 1986 met 
het oog op een onverhoopt afspringen 
van de overeenkomst. Er is geen 
waarde vastgesteld van de activa en 
activiteiten die met de overneming 
van het systeemhuisgedeelte 
gemoeid zijn. Er is geen informatie te 
geven over de openingsbalans en 
over het bedrag aan risicodragend 
kapitaal. Over rechtspositionele 
aspecten en in het bijzonder de 
pensioenproblematiek is nog overleg 
gaande. 
Een definitieve bereidheid van de 
gemeentebesturen van Kerkrade en 
Simpelveld over de gemeentelijke 
automatiseringsactiviteiten is er nog 
niet. Over de financiële gevolgen is 
departementaal en interdepartemen-
taal overleg gaande. Over de dekking 
daarvan is geen definitieve informatie 
te verschaffen. Onderzocht wordt 
nog, wat de financiële consequenties 
bij overname van de verantwoordelijk-
heid voor het project automatisering 
kadastrale registratie zullen zijn. 
Dit zijn negen niet onbelangrijke 
punten, die wij uit het op zichzelf vrij 
beperkt van omvang zijnde ontwerp 
en de stukken daarbij, hebben 
gehaald. Wij zijn er daarbij van 
uitgegaan - zelfs dat is overigens niet 
geheel zeker - dat de huisvesting in 
elk geval wel geregeld is. 
Eerlijk gezegd vinden wij de 
toezegging van een evaluatie in 
verband met al deze onduidelijkheden 
een te schrale troost. Bij ons is de 
vraag gerezen, of dit verantwoord is 
en zo ja, met het oog op welk belang 
precies. Praten wij hier in feite niet 
over een blanco volmacht aan de 
regering en misschien zelfs over een 
blanco cheque? In dit kader vinden 
wij^het gewenst dat alsnog helderheid 
wordt gegeven over de keuze voor 
deelname door Phillips. De heer  Dijkstal heeft er al op gewezen: in 
eerste instantie was Minihouse in de 
markt. 
De regering heeft de overwegingen 
genoemd, namelijk dat na de 
overgangsperiode zicht moet zijn op 
een zelfstandig, levensvatbaar 
bedrijf, terwijl de werkgelegenheid in 
en de regionale ontwikkeling van 
Limburg in het oog moeten worden 
gehouden. Dat waren de overwegin-
gen die leidden tot een keuze voor 
Philips. De vraag die daarbij rijst is, 
of Minihouse of die punten zo weinig 
kon bieden dat het daardoor afviel? 
Wij vragen op dit punt alsnog een 
duidelijk antwoord van de regering. 
Verder stellen wij nogmaals de 
vraag die in de nota naar aanleiding 
van het verslag niet is beantwoord, 
namelijk of het bericht in De Volks-
krant van 1 8 november jongstleden 
juist is, dat overname van het 
systeemhuisgedeelte maar liefst 70 
min. aan orders oplevert voor degene 
die daarin gaat deelnemen. Is dat 
wellicht het belang, waarom zoveel 
haast achter deze in onze ogen in alle 
opzichten 'onaffe' operatie wordt 
gezet? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="352" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
Mevrouw de Voorzitter! Ik ben de 
Kamer zeer erkentelijk voor het feit 
dat zij in haar drukke agenda tijd 
heeft vrijgemaakt om op korte termijn 
te beslissen over het wetsvoorstel tot 
deelneming door de Staat en het 
LIOF, maar in het bijzonder door de 
Staat, in Circle Informations Systems 
B V . Dit is het eerste object van 
privatisering na het verschijnen van 
de desbetreffende kabinetsnota. 
Ik ben de woordvoerders erkentelijk 
voor de aandacht die zij hieraan 
hebben gegeven. Wat de indringende 
vragen betreft die zij hierover gesteld 
hebben - het woord 'dankbaarheid' 
zou hier niet opzijn plaats zijn - zal ik 
mijn uiterste best doen, die te 
beantwoorden. 
Het voornemen om het systeem-
huisgedeelte van het Computercen-
trum Limburg onder te brengen in 
een privaatrechtelijke structuur, staat 
niet op zichzelf. Het is onderdeel van 
een grotere operatie, namelijk een 
herstructurering van het computer 
centrum Limburg in zijn geheel. Daar 
is een aantal jaren van voorbereiding 
aan voorafgegaan. Ik heb daarbij 
steeds voor ogen gehad dat in deze 
operatie voldoende voorwaarden 
geschapen moesten worden voor  twee aspecten: continuering van de 
diensten die het computercentrum 
verleent en, gelijk daarmee, continu-
ering van de werkgelegenheid in dit 
gedeelte van Limburg. Ik denk dat ik 
daarmee meteen de vragen van de 
heer Ernsting heb beantwoord over 
het belang dat met deze operatie is 
gediend. 
De maatregelen die daarvoor 
getroffen moesten worden, zijn  ingrijpend: het meest voor het 
gedeelte van het CCL, dat wij 
aanduiden als het 'systeemhuisdeel', 
dat geprivatiseerd wordt, en voor de 
medewerkers die daar direct bij 
betrokken zijn. Voor dat deel van het 
CCL zie ik alleen kans de continuïteit 
te waarborgen door privatisering. 
Er zijn hierbij veel vragen gerezen. 
Ik heb bij de voorbereiding van dit 
wetsvoorstel al veel vragen onder 
ogen gezien. Ik wil eerst ingaan op 
de vragen die direct verband houden 
met het voornemen tot privatisering 
en daarna op de andere aspecten die 
daaraan zijn verbonden. De belangrijk-
ste vraag is natuurlijk waarom wij 
hier een privatiseringsoperatie willen 
volvoeren en waarom wij dit gedeelte 
niet ook kunnen continueren binnen 
de overheid. 
Ik roep in herinnering dat mijn 
inspanningen inderdaad lange tijd 
erop gericht zijn geweest, ook dit 
gedeelte van het CCL binnen de 
overheid te houden en een oplossing 
te zoeken waardoor de CCL-activitei-
ten ook op dit gebied konden worden 
gecontinueerd binnen de overheid. Ik 
heb daarover verleden jaar advies 
gevraagd aan de commissie Overheids-
bestedingen op het gebied van 
Informatietechnologie, beter bekend 
als de commissie-Pannenborg. Die 
commissie wees erop dat de weg die 
ik mij voorstelde, zou inhouden dat 
het computercentrum met de 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Circle Information Systems B V . 
2136 bestaande activiteiten, in concurrentie 
zou treden met het bedrijfsleven en 
wel op basis van een bevoorrechte 
positie. Dit zou naar het oordeel van 
de commissie niet garanderen dat de 
werkgelegenheid op lange termijn 
bewaard zou kunnen blijven. 
De commissie adviseerde daarom 
te onderzoeken of voortzetting van 
de systeemhuisactiviteiten in 
geprivatiseerde vorm op korte 
termijn haalbaar en effectueerbaar 
zou zijn. Op die manier is het begrip 
'privatisering' in deze operatie 
terecht gekomen. Ik heb dat advies 
overwogen en overgenomen. De 
ministerraad heeft in oktober 1984 
ook dienovereenkomstig besloten, 
namelijk dat het systeemhuisdeel 
ondergebracht zou worden in een 
privaatrechtelijke structuur. 
Ik kom dan meteen op hetgeen ik 
genoemd heb als een van de belang-
rijke doelstellingen, namelijk de 
personele aspecten en de werkgele-
genheid. Alle woordvoerders hebben 
daarvoor aandacht gevraagd. Ik 
besef zeer wel dat de overgang voor 
degenen die bij het systeemhuisdeel, 
dus bij Circle Information Systems, 
te werk gesteld zullen worden, 
ingrijpend is. Ik besef zeer wel dat 
die mensen indertijd bewust gekozen 
hebben voor een baan bij de overheid, 
die een zekere bescherming biedt. 
Na die overgang zijn zij echter niet 
meer in dienst van de overheid en 
zijn ze geen ambtenaar meer, niet in 
de zin van de Ambtenarenwet en ook 
niet in de zin van de Algemeen 
Burgerlijke Pensioenwet. Hun 
arbeidsvoorwaarden vinden dan niet 
meer hun basis in ambtelijke regelin-
gen, maar in een collectieve arbeids-
overeenkomst. Dat is een ingrijpende 
wijziging. Welnu, in dit besef heeft 
zorgvuldig beraad plaatsgevonden 
over het geheel van arbeidsvoorwaar-
den voor het personeel dat overgaat 
naar Circle. De nota Personele 
aspecten van privatisering is hierbij 
leidraad geweest. 
Ik meen dat de arbeidsvoorwaarden 
en de overgangsregeling, zoals die 
voor Circle Information Systems zijn 
ontwikkeld, volledig recht doen aan 
de uitgangspunten van deze nota. 
Dat werd natuurlijk ook bevorderd 
door het feit dat het sociale beleid bij 
Philips inhoudelijk in heel belangrijke 
mate aansluit bij het beleid dat bij de 
overheid wordt gevoerd. 
Dat maakt het mogelijk, de 
Philips-CAO's integraal van toepas-
sing te doen zijn. Wij konden ook 
gebruik maken van de Philipspensi-
oenregeling. Vanwege de aard van 
sommige verschillen was het 
noodzakelijk, dat een pakket over-
gangsbepalingen werd samengesteld. 
Wij hebben daarnaar onderzoek 
verricht. Vast is komen te staan, dat 
de indeling in functiegroepen en 
vakgroepen en ook de inschaling van 
de salarisschalen van Philips op 
aanvaardbare wijze aansluiten bij de 
huidige situatie bij het CCL. 
Mevrouw de Voorzitter! Een zeer 
belangrijk element in de arbeidsvoor-
waarden vormt de pensioenregeling. 
De heren Hummel en Dijkstal hebben 
hierover vragen gesteld. De heer 
Hennekam heeft mij op het hart 
gedrukt hierbij de grootst mogelijke 
zorgvuldigheid te betrachten. Ik zeg 
hem dat gaarne toe. Met een 
deelneming van 50% door Philips in 
de nieuwe BV is voldaan aan de 
hoofdvoorwaarde voor deelneming 
van de medewerkers aan het 
Philips-pensioenfonds. 
Deze eis is voor die deelneming 
gesteld. Het grootste deel van deze 
medewerkers zal bij Philips een 
pensioen opbouwen van 2% per 
dienstjaar. Dat begint pas op 
25-jarige leeftijd en eindigt op de 
leeftijd van 60 jaar. Er is derhalve 
sprake van een pensioen van 70%. Bij 
het ABP is de pensioenopbouw 1% 
procent per jaar; de pensioengerech-
tigde leeftijd is 65 jaar. Op die 
manier komt men ook op 70%. Dit 
levert een nadeel op voor de personen 
die op het moment van overgang 
ouder zijn dan 25 jaar. Zij kunnen niet 
meer op hun zestigste jaar een 
volledig Philips-pensioen bereikt 
hebben. Hiervoor zijn overgangsrege-
lingen in voorbereiding. Er zijn 
verschillende opties ontwikkeld. Een 
van de constructies heet 'het 
achterbalkon'. Dat is een term, die ik 
evenals de heer Dijkstal ben tegen-
gekomen bij de voorbereiding van dit 
wetsvoorstel. Ik kan hem hiervoor 
geen etymologische verklaring 
geven. 
Wij menen, dat met die opties voor 
de betrokken medewerkers het 
nadelig gevolg van de overgang 
wordt geëlimineerd. Beslissingen 
daarover zijn nog niet genomen. Dat 
zou ook niet goed kunnen, omdat het 
overleg met de Bijzondere commissie 
over het gehele pakket van arbeids-
voorwaarden nog moet plaatsvinden. 
Mijn streven is erop gericht een 
voorziening mogelijk te maken, die 
behoud van rechten zoveel mogelijk 
verzekert. De daaraan verbonden 
kosten maken deel uit van de totale 
financieringsproblematiek, waarover 
het overleg eveneens nog gaande is. 
De heer Dijkstal heeft een vraag 
gesteld over de invloed, die de 
herstructurering van het CCL zou 
kunnen uitoefenen op de financiële 
resultaten van het RCC op langere 
termijn. Ik heb al in het verslag aan 
de Kamer gesteld, dat ik als algemene 
beleidslijn steeds heb voorgestaan, 
dat nieuw te vormen eenheden zo 
weinig mogelijk worden belast met 
de negatieve gevolgen van het 
verleden. De heer Dijkstal wees erop, 
dat 'zo weinig mogelijk' geen 
absolute uitspraak is. Dat is waar. 
Niettemin handhaaf ik dit als 
uitgangspunt voor de exploitatie van 
grote computersystemen in het 
RCC-Heerlen, dus in dat gedeelte van 
het CCL, dat ondergebracht wordt bij 
het RCC. De beslissing, die de 
ministerraad daarover in oktober 
verleden jaar heeft genomen, houdt 
mede in, dat RCC-Heerlen op korte 
termijn onder de managementverant-
woordelijkheid van de directeur van 
het RCC wordt gebracht. 
Dit zal nauwere organisatorische 
en financiële banden nodig maken 
hetgeen pas op termijn en in fasen 
aangepakt kan worden. Dit houdt een 
zekere compartimentering in totdat 
vaststaat dat de financiële resultaten 
daarvan niet een onaanvaardbaar 
negatief effect zullen ondervinden. 
De heer Dijkstal vraagt waarom de 
deelneming van de Staat voor drie 
jaar plaatsvindt. Waarom wordt die 
termijn niet in de wet opgenomen als 
maximum? Mevrouw de Voorzitter! 
Die deelneming van de Staat voor 
drie jaar vindt haar basis in de 
verwachting dat met de ontwikkeling 
van de nieuwe onderneming tot een 
rendabel bedrijf ongeveer een 
periode van drie jaar gemoeid zal 
zijn. Wij denken dat de verliessituatie 
niet eerder in een winstgevende 
opzet zal kunnen worden omgezet. 
Inderdaad wordt er geen opdrachten-
garantie gegeven. In feite is zo'n 
garantie nimmer verleend. Er is wel 
sprake van geweest; wij hebben 
onderzocht of zo'n garantie mogelijk 
zou zijn maar wij zijn tot de conclusie 
gekomen dat die er niet in zat. 
Uiteraard lag er aan de idee van een 
opdrachtgarantie wel een soortgelijke 
prognose van de winstverwachting 
ten grondslag. 
Om nu de overgang van het 
personeel van de ambtelijke status 
naar de positie van werknemer bij 
CIS zo goed mogelijk te laten 
verlopen, heb ik overigens overgangs-
bepalingen in gedachten, die al een 
periode van twee jaar omvatten. Ik 
vind het reëel dat de Staat, na de 
overgang van het personeel, enige 
tijd bij de ondernemingen betrokken 
blijft. Dit is voor mij de belangrijkste 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Circle Information Systems B V . 
2137 overweging geweest om een deelne-
ming van de Staat, zij het tijdelijk, 
voor te staan. Het is van belang dat 
men invloed kan uitoefenen, zij het 
geen beslissende, op de gang van 
zaken bij de nieuwe BV, in het 
bijzonder met het oog op waarborgen 
betreffende de werkgelegenheid en 
de belangen van het personeel. 
Ik zou niet graag in het wetsvoorstel 
een fatale termijn opnemen. De 
deelneming moet zorgvuldig worden 
afgewikkeld; de heer Dijkstal is het 
hiermee zeker eens. Welnu, die 
afwikkeling zou ik niet graag onder 
de druk van zo'n termijn zetten. Ik 
vond het daarom ook niet raadzaam 
om die termijn van drie jaar in de wet 
vast te leggen. Wèl is het mijn 
voornemen om de deelneming van 
de Staat na drie jaar te beëindigen. 
Ik spreek de heer Ernsting tegen 
als hij zegt dat deze operatie daarom 
in feite het tegendeel van privatisering 
is. Hij kan reeds in de eerste herover-
wegingsrapporten een definitie van 
privatisering vinden, waarin deze 
operatie wel degelijk past. Privatise-
ring is niet alleen een overheidsacti-
viteit, die is gericht op het geheel en 
al overdragen van zaken aan de 
particuliere sector. Er zijn diverse 
varianten aan te geven, waaronder 
die van verzelfstandiging van 
overheidsactiviteiten. Daartoe 
kunnen wij deze operatie zeker 
rekenen. 
De heer Dijkstal stelt een vraag 
over de marktperspectieven. Voorzit-
ter! Dat is een moeilijke vraag. 
Uitgangspunt voor de marktstrategie 
zal zijn dat een geleidelijke penetratie 
op de particuliere markt zal plaatsvin-
den. Wij moeten niet vergeten dat 
het CCL zich op het ogenblik geheel 
en al op de overheidsmarkt beweegt 
en dat het marktperspectief van de 
nieuwe onderneming in eerste 
instantie in belangrijke mate zal 
afhangen van de bereidheid van de 
overheid om orders bij de nieuwe BV 
te plaatsen. Nietttemin is het het 
voornemen van de nieuwe onderne-
ming om zich ook op de particuliere 
markt te richten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="353" partij="VVD" naam=" Dijkstal">
 Misschien 
is het goed, dat de staatssecretaris 
iets zegt over de opmerking van het 
CIVI, dat het desbetreffende markt-
segment een dalende tendens heeft. 
Wordt daarmee de overheid bedoeld 
of wordt er de markt mee bedoeld 
waar Circle Information Systems 
straks gaat opereren? Als dat zo is, 
heeft of het CIVI ongelijk, en is het 
marktsegment niet dalende, of heeft 
het CIVI wel gelijk en is het perspectief 
niet zo gunstig.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="354" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
Ik herinner mij die opmerking in het 
CIVI-rapport. Ik herinner mij ook dat 
zij betrekking had op de vooruitzichten 
op opdrachten uit de overheidssector. 
Een andere markt was niet voorzien 
bij de rapportage door het CIVI. Wij 
hebben het CIVI gevraagd welke de 
marktperspectieven voor het CCL 
waren, als het zou blijven opereren 
op de overheidsmarkt. 
Het CIVI heeft toen geconstateerd 
dat, als er niets zou veranderen in de 
houding van de centrale overheid en 
de gemeentelijke overheden, de 
perspectieven voor het CCL weinig 
rooskleurig waren. Dat is voor mij 
ook de reden geweest om aanvankelijk 
te trachten, in die houding verandering 
te brengen. Later is het besluit tot 
privatisering daarvoor in de plaats 
gekomen. 
Ik meen ook, mevrouw de Voorzit-
ter, dat men of het een moet doen of 
het ander. Men moet zich geheel op 
de overheidsmarkt blijven richten en 
dan ook opereren als staatsbedrijf, of 
men moet mede de vrijheid krijgen 
zich op de particuliere markt te 
richten, maar dat moet dan om 
concurrentievervalsing te vermijden 
uiteindelijk in onafhankelijkheid van 
de overheid plaatsvinden. Wij 
verwachten nu dat de vraag naar 
produkten en diensten die Circle 
Information Systems kan aanbieden 
nog ettelijke jaren zal groeien. Alle 
drie de deelnemers verwachten, dat 
de BV op termijn goede perspectieven 
biedt, onder één voorwaarde, 
namelijk dat in de komende tweea
drie jaren de heroriëntatie gestalte 
krijgt. Tot zolang zijn de winstver-
wachtingen negatief. Vanaf dat 
moment zijn de winstverwachtingen 
positief. 
Ik kom nu bij de beantwoording 
van een aantal meer concrete vragen, 
gesteld door de heer Hummel. Hij 
heeft gevraagd om de in het vooruit-
zicht gestelde nota, waarin een 
weergave van de bereikte resultaten 
is gegeven, binnen korte tijd in de 
Kamer aan de orde te doen stellen. 
Hij wenste dat afhandeling in de 
Kamer voor 1 maart mogelijk zou 
zijn. 
Mevrouw de Voorzitter! Een harde 
toezegging, dat de bespreking voor 
die datum mogelijk zal zijn, durf ik 
niet te doen. Wel is het mijn verwach-
ting dat dit voor deze datum mogelijk 
zal zijn. 
Een volgende vraag van de heer 
Hummel was of het personeel in 
rijksdienst zal blijven, totdat de 
overeenkomst met Philips en het 
LIOF perfect is en of de nieuwe BV in 
administratieve zin op 1 januari a.s. 
zal kunnen starten. 
Mevrouw de Voorzitter! Vanwege 
de noodzaak om op zo kort mogelijke 
termijn met de feitelijke werkzaamhe-
den te kunnen starten, heb ik in de 
nota naar aanleiding van het eindver-
slag reeds gesteld, dat de nieuwe 
onderneming bij voorkeur zo spoedig 
mogelijk in administratieve zin dient 
te worden geformeerd. Dit houdt 
tevens in dat vanaf dit moment de 
activiteiten plaatsvinden voor risico 
van Circle Information Systems, 
maar vanwege de zorgvuldigheid die 
betracht moet worden bij de overgang 
van in het bijzonder het personeel 
dient daarna echter de nodige tijd te 
worden genomen om de overname 
formeel volledig af te ronden. 
Daartoe acht ik een periode van drie 
maanden nodig. Mijn antwoord op de 
concrete vraag van de heer Hummel 
luidt dat het personeel tot het einde 
van deze periode in rijksdienst zal 
zijn. 
De heer Hummel neemt aan dat er 
nog nader overleg met de Kamer zal 
plaatsvinden over de uiteindelijke 
oplossingen. Ook de heer Dijkstal 
heeft zich in die zin uitgelaten. Ik heb 
dit al in de stukken toegezegd, maar 
ik herhaal bij dezen graag dat ik 
bereid ben de Kamer periodiek te 
informeren over de ontwikkelingen 
bij Circle Information Systems en bij 
het RCC-gedeelte te Heerlen. Of dit 
zal gebeuren in een passage van de 
begrotingstoelichting, zoals de heer 
Hummel vroeg, zal ik nog bezien. Ik 
neem de vrijheid om hiervoor de 
meest passende vorm te zoeken. 
De heer Hummel heeft gevraagd 
op welke wijze de overheid aan de 
bijzondere verantwoordelijk die zij 
meent te hebben voor de instandhou-
ding van de werkgelegenheid in dat 
deel van ons land gestalte geeft. Wij 
hebben getracht dit te doen in de 
vorm van een kapitaaldeelneming in 
de nieuwe BV gedurende een aantal 
jaren. 
De heer Hummel heeft terecht 
gezegd dat er in 1986 geen bedragen 
meer op de rijksbegroting staan om 
de kosten ten laste van dat dienstjaar 
te verantwoorden. Hij heeft daaraan 
de vraag gekoppeld wat de regering 
doet als de operatie niet lukt. Dit is 
een moeilijke vraag. Ik kan hier alleen 
op antwoorden dat hier oplossingen 
voor moeten worden gevonden, die 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Circle Information Systems B.V. 
2138 dan bij de presentatie van de 
voorjaarsnota aan de Kamer meege-
deeld worden. 
De heer Hummel heeft voorts 
gevraagd of ik bereid ben de taxatie-
rapporten die de grondslag voor de 
overdracht van de activa vormen ter 
vertrouwelijke kennisneming aan de 
Kamer te doen toekomen. Ik zal 
onderzoeken of dit mogelijk is. Dit is 
ook het antwoord op de vragen van 
de heer Hummel over de openings-
balans en de samenstellende delen 
daarvan. Ik geef dit voorzichtige 
antwoord, omdat ik mij realiseer dat 
de staat geen meerderheidsbelang in 
de nieuwe BV zal hebben.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="355" partij="PvdA" naam="Hummel">
 Zou een 
eventueel minderheidsbelang van het 
Rijk het de staatssecretaris bemoeilij-
ken de Kamer op gepaste wijze 
volstrekte openheid van zaken te 
geven op de twee door mij aangehaal-
de punten? De staatssecretaris zegt 
dat hij het moeilijk vindt. Ik vind dat 
een mager antwoord. Wat is dan 
precies de moeilijkheid? Het gaat om 
de staatsdeelneming en de voorwaar-
den waaronder die plaatsvindt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="356" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
Ik heb gezegd dat ik de mogelijkheid 
zal onderzoeken de taxatierapporten 
ter vertrouwelijke kennisneming aan 
de Kamer te brengen. Dit houd ik 
staande. Ik kan op dit moment niet 
toezeggen dat ik de Kamer de 
openingsbalans en de samenstellende 
delen daarvan zal overleggen. Ik zal 
dit onderzoeken. Ik kan alleen 
toezeggen dat ik die inspanningsver-
plichting op mij neem. 
De heer Hummel heeft naar de 
mogelijkheid van een privaatrechtelij-
ke stichting bij het ministerie van 
Economische Zaken gevraagd. In de 
stukken hebben wij hierover al van 
gedachten gewisseld. Ik zou graag 
aan dit verzoek tegemoet willen 
komen, maar de moeilijkheid is dat ik 
mij dan op het beleidsterrein van een 
collega-bewindsman moet begeven. 
Ik vind het niet juist op een vraag in 
te gaan die eigenlijk door de minister 
van Economische Zaken beantwoord 
moet worden. Wellicht kan deze 
vraag schriftelijk beantwoord worden. 
Ik ben het graag eens met de vijf 
criteria die de heer Dijkstal heeft 
genoemd voor de te kiezen oplossin-
gen. Ik meen ook, dat de operatie die 
wij nu voorstellen toetsbaar is aan 
die criteria en dat zij de toets 
daaraan kan doorstaan. 
De heer Dijkstal is het met mij 
eens dat het RCC met zo weinig 
mogelijk tekorten moet worden 
belast. Hij zei in dat verband dat het 
RCC niet moet worden opgezadeld 
met een zwakke poot. De beeldspraak 
laat ik maar voor zijn rekening. Ik 
moet zeggen dat er beslist niet van 
een zwakke poot sprake is. Integen-
deel, dat deel dat voor het kadaster 
werkt, kan mijns inziens worden 
aangemerkt als een sterk onderdeel 
van het CCL. Bij interruptie heb ik al 
te kennen gegeven dat er geen 
directe relatie bestaat tussen onze 
voornemens met betrekking tot het 
RCC Heerlen en de verhoging van de 
tarieven van het kadaster, waarover 
berichten in de krant zijn verschenen. 
Ik ben het met de geachte afgevaar-
digde eens dat wij bezig zijn met een 
operatie die wij kunnen gebruiken om 
lessen te leren voor komende 
onderwerpen van privatisering. De 
nota die daarover verschenen is en 
die de heer Dijkstal ook aanhaalde, 
heeft natuurlijk ook tijdens de 
totstandkoming ervan invloed 
uitgeoefend op de vormgeving van 
de privatisering van het CCL. ik ben 
het geheel met hem eens dat wij uit 
deze operatie lessen moeten trekken 
voor de toekomst en acht ook 
daarom de rapportageplicht die ik 
ben aangegaan ten opzichte van de 
Kamer mede van belang voor de 
toekomstige beslissingen van het 
kabinet. 
Ik val de heer Ernsting bij als hij 
zegt dat deze operatie moeilijk model 
kan staan. Hij bedoelde dat vast wel 
ironisch, maar ik neem het ernstig 
op. Deze privatisering gaat tot stand 
komen, is voorbereid, min of meer 
onder dwang van de omstandigheden, 
nl. omstandigheden van een verlies-
lijdend bedrijf. Wij hopen komende 
privatiseringsprojecten zonder die 
dwang tot stand te kunnen brengen. 
Inderdaad is er veel onzeker, maar 
niet datgene wat de heer Ernsting 
concreet noemde, nl. de kadastrale 
registratie. Wat daarmee gaat 
gebeuren, staat wel vast! 
De heer Ernsting heeft ook  gevraagd: waarom nu eigenlijk 
Philips? Ik ben daar in de stukken al 
op ingegaan. Wij hebben er ook in 
het mondeling overleg dat ik enkele 
keren met de vaste commissie heb 
gevoerd, over gesproken. Ik zal er 
daarom niet veel meer over zeggen, 
want het meeste is al medegedeeld. 
In het kort komt het erop neer dat 
Philips in een bepaald stadium van 
de onderhandelingen een aanbod 
heeft gedaan dat in twee opzichten 
beter was dan alle aanbiedingen die 
wij tot dan hadden gekregen, in 
financieel opzicht, maar vooral ook in 
personeel opzicht beter. Het had dan 
ook onmiddellijk de voorkeur van de 
vertegenwoordiging van het perso-
neel. Ik spreek de heer Dijkstal tegen 
als hij uit een krantebericht heeft 
opgemaakt dat er nu veel orders van 
de overheid naar Philips zullen gaan.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="357" partij="VVD" naam=" Dijkstal">
 Dat heb ik 
niet gezegd!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="358" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
Zei ik Dijkstal? Ik bedoelde Ernsting.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="359" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Haal ons 
vooral niet door elkaar, want dat zou 
wel eens ernstige gevolgen kunnen 
hebben!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="360" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
Ik heb al gezegd dat er geen enkele 
garantie voor toekomstige orders aan 
wie dan ook is gegeven. Dat is zelfs 
een moeilijkheid geweest bij de 
voorbereiding van deze operatie!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="361" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 De staats-
secretaris sprak mij tegen op het 
punt van de kadastrale registratie. In 
de nota naar aanleiding van het  verslag staat letterlijk: 'Thans wordt 
nog onderzocht welke financiële 
consequenties de overname van de 
verantwoordelijkheid van dit project 
voor de RCC-organisatie heeft.' Dat 
is ook alles wat ik gereleveerd heb.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="362" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
De financiële consequenties zullen 
onderzocht moeten worden. Ik kan 
me overigens niet voorstellen dat een 
reorganisatie als deze belangrijke 
financiële consequenties zou hebben, 
want er verandert niet veel. De 
feitelijke organisatie blijft geheel in 
Heerlen, alleen wordt de verantwoor-
delijkheid daarvoor gelegd bij het 
Rijkscomputer Centrum in Apeldoorn.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="363" partij="PvdA" naam="Hummel">
 Maar er 
zijn toch zeker financiële consequen-
ties, niet rechtstreeks in verband met 
de reorganisatie, maar in de vorm 
van de onbeschreven boedel van het 
deel dat naar het RCC overgaat? Ik 
neem aan dat de staatssecretaris dat 
onderzoekt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="364" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
Zeker doe ik dat; dat zal ook wel 
moeten. Overigens zouden de 
consequenties die de heer Hummel 
noemt, er ook zijn zonder de privati-
seringsoperatie, als zijn veronderstel-
ling juist is. Ze hebben dus niets te 
maken met de privatisering die wij 
ons voorgenomen hebben. 
De heer Dijkstal heeft nog een 
opmerking gemaakt over de invloed 
van de afstand tot Den Haag. Ik denk 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Circle Information Systems B V . 
2139 dat die inderdaad een rol gespeeld 
heeft, al is dat moeilijk vast te stellen. 
Wij waren al in een eerder stadium 
tot de slotsom gekomen dat het goed 
zou zijn, een dependance van het 
CCL in Den Haag te vestigen, om de 
binding met de klanten te verstevigen 
en om meer in de nabijheid van die 
klanten te zijn. Misschien is het in dit 
verband ook illustratief dat het 
kadaster in zijn opdrachtgevende 
functie in Heerlen gevestigd is. 
De heer Hummel heeft nog heel 
concreet gevraagd, voor welke 
rijksdiensten het Rijkskantorenge-
bouw geconstrueerd wordt. De 
diensten die naast het RCC-Heerlen 
in het Rijkskantorengebouw worden 
gehuisvest, zijn de dienst voor de 
verkeersongevallenregistratie en het 
bureau ontwikkeling automatisering 
kadastrale registratie, beide belang-
rijke klanten voor het RCC-Heerlen. 
De vooruitzichten voor realisering 
van dit gebouw zijn zeer gunstig. 
Nog een enkele opmerking over 
het gedeelte van het CCL dat niet in 
het RCC ondergebracht wordt en dat 
ook niet terechtkomt in het te 
privatiseren gedeelte. Er is nog een 
klein derde deel, dat werkzaamheden 
verricht ten behoeve van lagere 
overheden. Ik heb in de stukken 
vermeld dat de gemeenten Kerkrade 
en Simpelveld belangstelling hebben 
voor overname van dat gedeelte. Ik 
verwacht binnenkort definitief te 
vernemen, of deze gemeenten 
daartoe bereid zijn. Informeel is er al 
overeenstemming over. De heer 
Dijkstal heeft gevraagd, waarom deze 
kwestie nog niet geregeld is. De 
eenvoudige reden is dat de colleges 
van B en W van deze gemeenten de 
zaak nog niet ter goedkeuring aan de 
gemeenteraad hebben voorgelegd. 
Althans, ik heb daarover nog geen 
bericht ontvangen. 
Ik ben de heer Hennekam erkentelijk 
voor zijn instemming met dit wets-
voorstel. Hij vroeg nog of de operatie 
twee dan wel drie jaar zal duren. Ik 
vermoed dat wij de drie jaar wel vol 
zullen maken, maar ik streef ernaar 
de termijn zo kort mogelijk te 
houden, ook al in het belang van de 
zekerheid voor het personeel, dat 
daarover uiteraard gaarne zo gauw 
mogelijk uitsluitsel heeft. 
Ten slotte sluit ik me graag aan bij 
de karakterisering die de heer  Hennekam van dit voorstel gaf: 
privatiseren met mate. Het voorstel is 
in zoverre opmerkelijk dat we niet 
hebben voorgesteld, het gehele 
Computercentrum Limburg te 
privatiseren. Het lijkt een enigszins 
moeizame operatie om het geheel in 
drie categorieën uiteen te laten 
vallen en daarvoor drie verschillende 
oplossingen te geven. Toch geloof ik 
dat het kabinet hiermee aantoont dat 
privatisering geen hobby of dogma 
is. Juist ook privatiseringsvoorstellen 
trachten wij toe te snijden op de 
situatie die wij in een overheidsbedrijf 
of een overheidsdienst aantreffen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="365" partij="PvdA" naam="Hummel">
 Voorzitter! 
Ik dank de staatssecretaris voor de 
gegeven antwoorden. Ik ben hem 
erkentelijk voor de toezegging, zij het 
dat die wat mager is, dat hij ernaar 
streeft dat uiterlijk begin maart aan 
de hand van de bedoelde nota in de 
Kamer van gedachten kan worden 
gewisseld over de resterende vragen. 
Ik neem aan dat hij er zich van 
bewust is dat hij dan half februari 
een eind op weg moet zijn. 
De staatssecretaris heeft er goed 
aan gedaan, heel nadrukkelijk te 
zeggen dat het personeel van het te 
privatiseren gedeelte in rijksdienst 
blijft, met alle rechtspositionele 
voorwaarden die daaraan verbonden 
zijn, totdat de overeenkomst met 
Philips helemaal perfect is. Het is 
goed om dit hier vast te stellen, 
zodat daarover geen misverstand 
ontstaat. 
Ik begrijp dat de staatssecretaris 
ons op de hoogte houdt van de 
ontwikkelingen met betrekking tot de 
wachtgeldproblematiek en die van de 
pensioenbreuk. Ik neem aan dat hij 
dan ook antwoord kan geven op mijn 
vraag wat de huidige stand van zaken 
is bij de wijziging van de ABP-wetge 
ving aangaande de pensioenbreuk. 
Van mensen die er verstand van 
hebben, heb ik gehoord dat aan de 
indiening van zo'n wetswijziging niet 
veel in de weg behoeft te staan. Zal 
die wijziging met terugwerkende 
kracht van toepassing zijn voor het 
personeel dat in de loop van het 
voorjaar in dienst komt bij de nieuwe 
onderneming? Misschien kan de 
staatssecretaris hierop nog ingaan. 
Ik laat het graag aan de staatsse-
cretaris over hoe hij de Kamer in het 
vervolg op de hoogte houdt van de 
ontwikkelingen bij CIS BV en RCC. 
De opvatting van de regering is 
heel nadrukkelijk dat er geen sprake 
is noch ooit is geweest van duidelijke 
opdrachtgaranties van het Rijk aan 
de nieuwe onderneming. Ik neem 
echter aan, dat dit wèl opgaat voor 
het RCC-gedeelte. De omschrijving 
van de manier waarop de regering 
inhoud geeft aan de specifieke 
verantwoordelijkheid van het Rijk 
jegens het CCL is bepaald mager te 
noemen. 
Ik heb geen antwoord gekregen op 
mijn vraag gedurende welke termijn 
Philips bereid is om het overgaande 
personeel zekerheid te verschaffen. 
Het minste, dunkt mij, zijn toch de 
rechtspositionele regels voor het 
Philips-personeel. Ik neem daarbij 
aan dat de overheidsdienstjaren als 
Philips-dienstjaren gelden en dat dit 
ook van toepassing is op het over te 
nemen personeel. 
De staatssecretaris is optimistisch 
over de marktperspectieven. Ik laat 
dit zo, voor zover het gaat over het 
aandeel in de particuliere markt. Wij 
zijn namelijk nog steeds van mening 
dat die perspectieven gunstiger zijn 
dan bij een onwillige rijksoverheid, 
zoals tot nu toe gebleken is. Wij 
zullen de ontwikkelingen wat dat 
betreft op de voet volgen. 
Ik heb twee vragen gesteld over de 
taxatierapporten en de openingsba-
lans. Daarop heeft de staatssecretaris 
een wat terughoudend antwoord 
gegeven. Zo zegt hij dat hij bereid is, 
een en ander te onderzoeken. 
Dat is op zich zelf een goede zaak. 
Nog beter zou echter zijn als hij ons 
ook kan zeggen binnen welke periode 
hij ons van de uitkomsten van de 
onderzoekingen in kennis zal stellen. 
Hierbij ware aandacht te schenken 
aan de omstandigheid dat mag 
worden aangenomen dat wij dinsdag 
a.s. over het wetsontwerp kunnen 
stemmen. Mijn fractie hecht er 
waarde aan dat de uitkomsten van de 
onderzoekingen ten aanzien van deze 
twee punten uiterlijk dinsdag bij de 
aanvang van de vergadering bij ons 
bekend zijn. Dan kunnen wij bij onze 
uiteindelijke standpuntbepaling acht 
slaan op hetgeen de staatssecretaris 
heeft onderzocht. 
De staatssecretaris ontweek 
andermaal de vragen over de 
privaatrechtelijke stichting, al dan 
niet opgericht - wij weten dat niet 
precies - door of op gezag van de 
minister van Economische Zaken. Hij 
gaf er nu wel een reden voor. Hij zei 
dat hij er zich op dit moment niet 
over kan uitlaten, omdat hij dan het 
terrein van de minister van Economi-
sche Zaken betreedt. Hij doet dat 
liever niet. Ook hieromtrent zal hij de 
Kamer schriftelijk inlichten. Ook wat 
dit punt betreft verzoek ik de staats-
secretaris, het daarheen te leiden dat 
wij dinsdag a.s. over deze nadere 
informatie kunnen beschikken, opdat 
wij ons standpunt erover kunnen 
bepalen. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Circle Information Systems B.V. 
2140 Ik heb in eerste termijn vragen 
gesteld over de exploitatie van het 
RCC-gedeelte en over de kosten en 
de opbrengst van de kadastrale 
registratie. Ik heb er geen bezwaar 
tegen als de staatssecretaris deze 
vragen nog eens op zich laat inwerken. 
Hij kan dan alsnog schriftelijk 
antwoord geven op niet alleen de 
vraag over de geldomzet, maar ook 
de vraag over de kosten. Op die 
manier krijgen wij enig inzicht in het 
resultaat. Het zou voor onze fractie 
niet plezierig zijn als wij door 
tussenkomst van de Algemene 
Rekenkamer inzicht moeten krijgen in 
de bedrijfseconomische ontwikkeling 
op dat terrein. Dit is eerder wèl 
gebeurd bij het CCL. 
De vooruitzichten om in Heerlen 
tot nieuwbouw van een Rijkskantoren-
gebouw te komen, krijgen des te 
meer inhoud als de staatssecretaris 
zijn opmerkingen over de concrete 
plannen ook ter kennis brengt van 
het gemeentebestuur van Heerlen. 
Dan kan ook het gemeentebestuur 
van Heerlen er kennis van dragen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="366" partij="VVD" naam=" Dijkstal">
 Mevrouw 
de Voorzitter! Ik dank de staatssecre-
taris voor de antwoorden. Op veel 
punten waren de antwoorden 
bevredigend, zij het dat ik een lichte 
teleurstelling voelde toen de staats-
secretaris begon over de commissie-
Pannenborg. Hij zei dat de commis-
sie-Pannenborg tot de conclusie 
kwam dat het een oneerlijke concur-
rentie voor het bedrijfsleven zou 
betekenen, als het CCL bij de 
overheid werd gehouden. Om deze 
reden zou het CCL moeten worden 
geprivatiseerd. Dat is een negatieve 
reden om te privatiseren. Privatisering 
is echter een van de grote operaties. 
Wat de rechtspositionele aspecten 
betreft zijn er nog twee 'open' 
punten. Ik vraag daar voor alle 
zekerheid naar. De wachtgeldrege-
lingen zijn nog niet helemaal rond, 
waar het de overgangsbepalingen 
betreft. Bij de ingangsdatum van het 
wachtgeld is het bij voorbeeld de 
vraag, of de - onverhoopte - datum 
van ontslag bij de nieuwe BV moet 
gelden. 
Het tweede punt betreft de 
pensioenen. Wat zijn daarvan de 
kosten? Hoe passen die in het totale 
financiële plaatje? 
Ik kom tot de effecten voor het 
Rijkscomputer Centrum. Ik ben niet 
helemaal gerust op die effecten. De 
staatssecretaris zit op zich zelf op het 
goede spoor met de compartimente-
ring. Die heeft namelijk het voordeel 
dat je de ene organisatie op je gemak 
in de andere kunt schuiven. Bovendien 
kun je eventuele verliezen, maar in 
ieder geval bepaalde kosten gemak-
kelijker toerekenen aan de plaats 
waar ze ontstaan zijn. Voor de 
duidelijkheid is dat gewenst. Ik moet 
met nadruk zeggen dat ons vanuit 
het RCC enkele ongeruste berichten 
hebben bereikt. De vraag was, wat 
het straks voor het RCC zou beteke-
nen. De staatssecretaris moet er 
rekening mee houden dat de organi-
satorische inpassing kosten met zich 
kan brengen. Het is ook mogelijk dat 
er bedrijfsmatige verliezen optreden, 
afhankelijk van het antwoord op de 
vraag hoe het verder zal gaan met 
het kadaster. Dit is allemaal niet zo 
erg, zolang het kabinet er maar 
rekening mee houdt dat de zaak in 
voorkomende gevallen financieel juist 
moet worden afgehandeld. 
Met betrekking tot de termijn van 
drie jaar heb ik in eerste termijn 
gezegd dat hierbij twee overwegingen 
een rol spelen. De eerste betreft de 
werkgelegenheid en de tweede 
betreft de financiële consequenties. 
De staatssecretaris spreekt over een 
mogelijke verliessituatie gedurende 
de eerste drie jaar. Pas daarna wordt 
de nieuwe BV rendabel, althans 
volgens de huidige verwachtingen. 
Dit betekent dat de Staat gedurende 
deze drie jaar een normaal onderne-
mersrisico loopt. Ik vind dit niet zo 
erg, als er maar rekening mee wordt 
gehouden. 
Ik ben blij dat de staatssecretaris 
zal proberen de overgangsbepalingen 
in twee jaar te regelen. Ik ben 
overigens van mening dat dit ook bij 
overeenkomst had gekund. Daarvoor 
hoeft men niet drie jaar in de BV deel 
te nemen. 
Het is toch jammer dat de geplande 
datum over drie jaar niet in de wet 
staat. Ik had liever gezien dat er een 
horizonbepaling was opgenomen. Als 
dat toch niet mogelijk is, kan er 
verlengd worden. De te volgen weg 
is nu iets moeilijker. Ik moet echter 
toegeven dat dit voor de bedrijfsvoe-
ring totaal irrelevant is, want ik ga 
ervan uit dat de overheid zich met de 
bedrijfsvoering als zodanig nauwelijks 
zal bemoeien zodra de nieuwe BV 
start. Het enige belang van de 
genoemde drie jaar zit in de toekomst-
verwachtingen, in de marktperspec-
tieven. Dat moeten wij nu nog 
afwachten. 
Naar aanleiding van de opmerking 
van de heer Hummel meende ik eerst 
dat wij de rapportage zouden krijgen 
bij de toelichting op de begroting 
voor 1987. Naderhand heb ik 
begrepen dat dit wordt gecorrigeerd, 
want dat zou zeker niet moeten 
gebeuren. De staatssecretaris vraagt 
aan de Kamer om mee te werken, 
hoewel - en dat geeft hij zelf toe - de 
Kamer nog niet alle informatie heeft. 
Die informatie moet binnen de 
komende weken, misschien maanden, 
op tafel komen, want anders kan de 
nieuwe onderneming niet van start 
gaan. Wij praten hier dus over een 
periode van ongeveer twee maanden. 
De staatssecretaris heeft ons 
toegezegd om ons op verschillende 
onderdelen te informeren. Ik vraag 
hem nadrukkelijk om dit binnen dat 
tijdsbestek te doen. Het gaat mij 
daarbij om de financiële kant de 
desbetreffende punten heb ik in 
eerste termijn genoemd, de rechtspo-
sitionele kant, het huisvestingsvraag-
stuk en het overleg met Kerkrade en 
Simpelveld. 
Dan kom ik tot mijn conclusie. De 
heer Ernsting sprak in eerste termijn 
over een blanco voorwaarde. Ik zie 
dat anders. Als medewetgever - dat 
zijn wij vandaag, of in ieder geval 
volgende week dinsdag - voer je 
gelijktijdig een zekere controle op de 
regering uit. Je vormt namelijk een 
oordeel op basis van de argumentatie 
van de regering en op basis van de 
gegevens die door de regering 
worden verstrekt. 
Er zijn nu nog veel vragen onbeant-
woord. Hoe moeten wij nu verder? 
Het is normaal in ons staatsrecht dat 
wij de regering achteraf controleren. 
Wij zijn - met andere woorden - best 
bereid de machtiging nu te geven. 
Wij gaan ervan uit dat wij alle 
informatie die wij nog willen hebben, 
zullen krijgen in de komende maan-
den. Wij kunnen dan, als wij vinden 
dat de regering het verkeerd heeft 
gedaan, onze functie uitoefenen. Ik 
moet zeggen dat de staatssecretaris 
ons tot nu toe voldoende vertrouwen 
heeft gegeven dat hij deze taak op de 
juiste manier verder zal afhandelen.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="367" partij="PvdA" naam="Hummel">
 Mevrouw 
de Voorzitter! Deelt de heer Dijkstal 
de opvatting waarvan ik zoeven blijk 
heb gegeven, dat wij ten minste enig 
inzicht moeten hebben in de balans-
positie van de onderneming 
waaraan de staat gaat deelnemen 
voordat wij besluiten aan het 
avontuur te beginnen? Dat is geens-
zins een uitspraak van wantrouwen 
tegen deze staatssecretaris, maar dat 
moet men minimaal weten om te 
kunnen beoordelen aan welke 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Circle Information Systems B.V. 
2141 onderneming wij überhaupt deelne-
men. Het kan natuurlijk zijn dat de 
staatssecretaris formeel-juridische 
redenen weet op te noemen om dat 
antwoord niet nu te geven. Het 
minste wat wij moeten weten is 
echter aan welke onderneming wij 
eigenlijk gaan deelnemen? Welke 
risicoverhoudingen houdt dit in? 
Het moet zeer wel mogelijk zijn om 
ons zodanig te informeren dat wij in 
gemoede aan de te verlenen machti-
ging medewerking kunnen verlenen. 
Wanneer de staatssecretaris niet 
rechtstreeks over deze gegevens kan 
beschikken, is er gegarandeerd 
binnen de hele rijksoverheid kennis 
over beschikbaar.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="368" partij="VVD" naam=" Dijkstal">
 Dat zou 
wenselijk zijn. Wij zullen straks van 
de staatssecretaris horen welke 
informatie hij ons nog voor aanstaan-
de dinsdag kan leveren. Ik ben er 
eerlijk gezegd van uitgegaan, ook op 
grond van de stukken die wij tot nu 
toe hebben ontvangen, dat wij het 
antwoord op een aantal vragen niet 
voor aanstaande dinsdag zullen 
hebben. Dat plaatst ons voor een 
dilemma. Moeten wij de regering nu 
wel machtigen, of moeten wij zeggen 
'neen, het spijt ons, dat doen wij niet, 
kom maar eerst met de gegevens'? 
Vanwege het feit dat alle hierbij 
betrokken partijen er nadrukkelijk op 
hebben aangedrongen, zo snel 
mogelijk van start te gaan en gelet 
op het feit dat het normale staatsrech-
telijke praktijk is, de regering 
achteraf te controleren, vragen wij de 
regering ons nog voor aanstaande 
dinsdag datgene te geven wat zij ons 
kan geven. Wel zijn wij bereid, de 
regering alvast te machtigen, in de 
wetenschap dat wij naderhand toch 
nog informatie zullen krijgen en de 
regering alsnog zullen kunnen 
controleren. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="369" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Mevrouw de 
Voorzitter! Om meteen aan te sluiten 
op de opmerkingen van de vorige  spreker: de regering achteraf 
controleren? Dat is allemaal tot je 
dienst, maar wij praten natuurlijk wel 
over een wisseling van een rol van de 
regering in die zin, dat wij na 1 
januari - als wij akkoord gaan met 
deze machtiging - de regering 
controleren als minderheidsdeelne-
mer in een BV. De vraag is, wat dan 
nog de directe invloed van uitspraken 
van deze Kamer is. 
Onze conclusie na deze termijn is 
in elk geval, dat alle losse einden die 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
wij in eerste termijn hebben genoemd 
- negen punten in totaal - in feite 
nog steeds even los zijn als in de 
nota naar aanleiding van het verslag. 
En nu instemmen met de gevraagde 
machtiging betekent in feite niet 
anders dan dat de regering in die BV 
aan de slag kan met haar minderheids-
belang en dat zij ervan moet maken 
wat ervan te maken valt. De Kamer 
wordt in die situatie niet anders dan 
geïnformeerd. Haar rechtstreekse 
invloed is dan in feite nogal ver te 
zoeken, althans waar het gaat om de 
effectiviteit ervan.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="370" partij="VVD" naam=" Dijkstal">
 Even voor  de zuiverheid van de redenering: wij 
wisten dat. In de procedurevergade-
ring hebben wij gevraagd hoe wij nu 
verder moesten, omdat wij wisten 
dat wij op een aantal vragen het 
antwoord niet zouden hebben. Toch 
hebben wij besloten het wetsontwerp 
in behandeling te nemen. Die 
aantekening moet ik er wel bij 
maken!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="371" partij="CPN" naam=" Ernsting">
 Ja, dat is 
best, maar dat heeftuer niet van 
weerhouden om ook in de schriftelijke 
voorbereiding vooral vragen te 
stellen over de financiële aspecten en 
consequenties, waarin wij ons willens 
en wetens zouden begeven. Voor ons 
is het wat betreft de financiële maar 
ook formele aspecten te veel 
gevraagd en kunnen wij die instenv 
ming niet geven. Dat is onze afweging. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="372" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
Mevrouw de Voorzitter! De heer 
Hummel heeft in tweede termijn nog 
eens indringend gevraagd hoe het nu 
zit met de wetswijziging inzake het 
ABP en of daaraan terugwerkende 
kracht zal worden verleend. De 
aanpassing van deze wet zal naar 
verwachting nog voor het eind van 
dit jaar naar de Tweede Kamer 
worden verzonden en inderdaad zal 
het wetsvoorstel terugwerkende 
kracht kennen. Ik kan hieraan 
toevoegen, dat er op het ogenblik 
een wijziging in voorbereiding is 
waarin de overdracht van de wiskun-
dige reserve op verzoek van individu-
ele personen mogelijk zal worden. Dat 
kan actueel zijn in de CCL-operatie. 
In het wetsvoorstel is een bepaling 
opgenomen, dat na de totstandko-
ming van de wet de ex-ambtenaar 
binnen twee jaar na de privatisering 
een verzoek om overdracht van de 
wiskundige reserve kan indienen. In 
die zin is er een terugwerkende 
kracht van twee jaar aan verbonden. 
Circle Information Systems B V . 
Zoals de heer Hummel vragender-
wijs stelde, zijn er geen opdracht en 
garanties voor het RCC-Heerlen. Er 
zijn lopende contracten en die 
worden uitgevoerd. Daarom zie ik 
ook geen reden voor opdracht en 
garanties. Er is een relatie van 
contractuele aard en garanties 
kunnen daarin geen plaats vinden. 
De heer Hummel heeft een termijn 
verbonden aan de taxatierapporten, 
openingsbalansen enz. Hij wil dat 
namelijk graag voor de stemming 
dinsdag weten. Ik zal onderzoeken of 
ik deze antwoorden voor of uiterlijk 
op dinsdag as . zal kunnen geven.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="373" partij="PvdA" naam="Hummel">
 Ik hoop, 
dat er geen misverstand ontstaat; het 
gaat om het standpunt.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="374" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
Het gaat niet om de balans zelf?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="375" partij="PvdA" naam="Hummel">
 Precies!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="376" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
Ik zal dus uiterlijk dinsdag de vraag 
beantwoorden of ik die gegevens zal 
kunnen leveren.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="377" partij="PvdA" naam="Hummel">
 En zo nee, 
waarom!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="378" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
En zo nee, waarom niet! Hij heeft ook 
gevraagd of hij dinsdag eveneens zijn 
informatie kan verkrijgen over de 
problematiek waarbij het ministerie 
van Economische Zaken betrokken is. 
Ik ga daarbij een stapje verder. Het 
lijkt mij dat die wel voor dinsdag kan 
worden gegeven. 
Over de kadastrale registratie heb 
ik zoeven al gesproken. De gang van 
zaken hangt natuurlijk af van de 
inhoud van de contracten. Ik zal er 
zeker voor zorgen dat het gemeente-
bestuur van Heerlen kennis krijgt van 
hetgeen ik aan de heer Hummel heb 
geantwoord over de huisvesting. 
De heer Dijkstal betoogde dat de 
organisatorische inpassing, ook wat 
de kadastrale registratie betreft, 
kosten kan meebrengen. Dat is 
natuurlijk waar, maar ik meen dat die 
kosten geen grote omvang zullen 
aannemen. De bestaande contracten 
zullen voor het grootste deel bepalend 
zijn voor de ontwikkeling. Die 
ontwikkeling zal dan ook niet 
afhankelijk zijn van de privatisering. 
Wij houden een klein verschil van 
mening over de vraag, of de datum 
waarop de overheidsdeelneming zal 
moeten eindigen in de wet moet 
worden opgenomen. Ik zou het niet 
fraai vinden, nu een datum in de wet 
te zetten en het erop aan te laten 
komen dat die bepaling straks 
2142 verlengd moet worden. Ik voel mij 
beter thuis met een zekere bewe-
gingsvrijheid in dat opzicht. 
Het is inderdaad mijn bedoeling 
om de rapportage over deze kwestie 
eerder aan de Kamer voor te leggen 
dan bij de begrotingsbehandeling in 
het komende jaar. Ik zou uiteraard 
een toezegging kunnen doen, hoewel 
het niet zeker is dat ik die persoonlijk 
ten uitvoer kan leggen. De informatie 
zal zo spoedig mogelijk komen. Dat is 
mijn bedoeling. In die zin is het ook 
een toezegging. De heer Dijkstal 
heeft in dit verband uitdrukkelijk naar  een viertal zaken gevraagd: de 
financiën, de rechtspositie van het 
personeel, de huisvesting en de 
positie van het gemeentelijke deel 
van het CCL.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="379" partij="PvdA" naam="Hummel">
 Ik heb 
zoeven toch goed begrepen dat de 
staatssecretaris ernaar zal streven 
omstreeks 1 maart aanstaande met 
de Kamer van gedachten te wisselen 
over die nota? Daar neemt hij toch 
niets van terug?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="380" naam="Staatssecretaris Van Amelsvoort">
 
Als ik dat niet gezegd heb, dan heb ik 
het overgeslagen; het is wel zo. 
Ik dank de heer Dijkstal voor het 
vertrouwen dat hij heeft uitgesproken. 
Ik wil afsluiten met een opmerking 
over het belang van een openingsba-
lans, van taxatierapporten en 
dergelijke. Die zijn natuurlijk niet 
zonder belang, maar ik kan mij niet 
voorstellen dat ze doorslaggevend 
zouden zijn voor een beslissing van 
de Kamer. Ik kanuzeggen dat ze niet 
doorslaggevend zijn voor mijn 
beslissing, evenmin als de waardering 
van de activa. Het is een onderdeel 
waarnaar wij in alle ernst zullen 
kijken en dat wij ook in alle ernst 
zullen behandelen. Een openingsba-
lans zullen wij met de grootst 
mogelijke zorgvuldigheid samenstel^ 
len. Als ik echter de onderdelen en 
de bedragen die daarachter gezet 
worden doorslaggevend had gevon-
den, dan zou ik geen machtiging 
hebben gevraagd. 
De algemene beraadslaging wordt 
gesloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="381" naam="De voorzitter">
 Ik stel voor, aanstaan-
de dinsdag te stemmen. 
Daartoe wordt besloten. </spreker>
</blok>
</onderwerp>
<onderwerp pagina="">

Aan de orde is de behandeling van 
het wetsvoorstel  Wijziging van de De algemene beraadslaging wordt 
geopend. 

<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="382" partij="D'66" naam="Tommei">
 Mevrouw 
de Voorzitter! Toen bij de behandeling 
van de begroting van Volkshuisves-
ting, Ruimtelijke Ordening en 
Milieubeheer voor 1 986 werd 
opgemerkt dat de verpakking van het 
milieubeleid aanzienlijk mooier was 
dan de inhoud, verdedigde de 
minister zich met een opmerking die 
belangrijk genoeg is om hier aan te 
halen. Hij merkte op dat er toch 
belangrijke delen van het milieubeleid 
waren waarop door de Kamer geen 
kritiek was uitgeoefend, zodat moest 
worden aangenomen dat de Kamer 
tevreden was met het gevoerde 
beleid. Als een van de onderdelen 
waar dit voor gold, noemde hij de 
bestrijding van de geluidhinder. 
Voor de fractie van D'66 sprekend, 
moet ik de minister teleurstellen en 
hem meedelen dat het niet zozeer 
tevredenheid was die mij deed afzien 
van het maken van opmerkingen, 
alswel een gevoel van chronische 
onvrede, gecombineerd met de 
wetenschap dat de kans op verbete-
ring op korte termijn van het geluid-
hinderbeleid verwaarloosbaar moet 
worden geacht. 
De regeringspartijen hebben hierin 
immers helaas geen intresse. Sterker 
nog, zelfs een theoretische kans op 
een economisch voordeel is voor hen 
voldoende om het geluidhinderbeleid 
met een forse zwaai aan de kant te 
schuiven. Het zaluen de minister 
duidelijk zijn dat ik het nu over het 
vliegveld Beek heb. 
Als ik zojuist stelde dat het beleid 
verbetering behoeft, verdient dat 
nadere specificatie, omdat ik juist 
zeer tevreden ben over de voorberei-
ding en uitvoering van de Wet 
geluidhinder en de steun die de 
lagere overheden in dit kader krijgen.  De problemen liggen elders: veel te 
lange saneringstijden - voor het 
wegverkeerslawaai zo'n 25 jaar - een 
groot gebrek aan coördinatie binnen 
de regering, en het niet voldoende 
serieus nemen van de problematiek 
van de geluidhinder op de arbeids-
plaats. Joost van Kasteren formuleer-
de het in Intermediair van 29  november jongstleden aldus: 'De 
vraag blijft of Nederland stiller is 
geworden in de afgelopen vijftien 
jaar. De lawaaibestrijding aan de 
bron laat nog steeds te wensen over. 
De zonering rond verkeers- en 
industrielawaai moet nog grotendeels 
van de grond komen. En aan een 
belangrijke bron van geluidoverlast, 
burengerucht, is de afgelopen vijftien 
jaar weinig gedaan. Toch lijkt men op 
de goede weg met de aanpak van het 
probleem van geluidoverlast in 
Nederland. Er is in ieder geval het 
perspectief dat over een aantal jaren 
iets is gedaan aan de meest kwalijke 
uitwassen.'. Ik moet mij hier helaas 
bij aansluiten. 
Ook de bestrijding van het indus-
trielawaai verloopt niet naar wens. 
Ondanks een uitstekende voorlichting 
aan de lagere overheden, verloopt de 
zonering niet zoals mocht worden 
verwacht. Uit de in de nota naar 
aanleiding van het verslag verstrekte 
gegevens moet ik opmaken dat 
medio november in 25% van de te 
zoneren industrieterrein nog niet 
eens met de werkzaamheden is 
begonnen. De minister raamt dat op 
1 september 1986, de uiterste datum 
waarop de zonering gereed moet 
zijn, slechts ruim 60% van de 
industrieterreinen daadwerkelijk zal 
zijn gesaneerd. 
In het bijzonder de gemeenten 
hebben het hier lelijk bij laten zitten, 
en zichzelf hiermee een brevet van 
onvermogen verschaft. Mijn enthou-
siasme voor verdergaande decentra-
lisatie van bevoegdheden op milieu-
gebied is hierdoor bepaald niet 
toegenomen. De minister verdient 
overigens alle lof voor de hulp die hij 
de gemeente biedt. Die hulp gaat 
zelfs zo ver dat ik het bijna gênant 
begin te vinden. 
De datum van 1 september 1 986 
is bij mij trouwens heilig. Een verder 
uitstel van de zoneringsoperatie 
wordt terecht door de minister 
afgewezen. Zo'n uitstel zou er onder 
andere toe leiden dat steeds vaker 
aan bedrijven eisen worden gesteld 
ter beperking van de geluidhinder, 
gebaseerd op een toekomstige 
zonering; een zonering die er echter 
nog niet is. Dit probleem doet zich nu 
reeds voor en ik stel prijs op de visie 
van de minister hierop. 
Op de zonering zal in veel gevallen 
sanering volgen. Hiervoor is een 
periode van tien jaar uitgetrokken, te 
beginnen op 1 september aanstaande. 
Hiervan uitgaande, zijn de kosten van 
de bestrijding van het industrielawaai 
begroot op 25 min. per jaar. Hier is 
echter een probleem ontstaan, 
omdat jaar na jaar VVD en CDA 
weigeren, goedkeuring te verlenen 
aan de voorstellen van de minister 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Circle Information Systems B V . 
Industrielawaai 
2143 om door middel van heffingen dit 
bedrag te kunnen incasseren. 
Twee jaar geleden ging dat onder 
het motto dat de saneringskosten 
ongetwijfeld aanzienlijk lager zouden 
uitvallen dan destijds was begroot. 
Toen dit afdoende was weerlegd, 
werd vorig jaar de grote kostenstijging 
voor het bedrijfsleven ten tonele 
gevoerd. De regering stelde immers 
voor, de inkomsten te verhogen van 
12,5 min. naar 22,5 min., een stijging 
van 80% ofte wel een bedrag van 10 
min. De ongetwijfeld catastrofale 
uitwerking hiervan op het Nederland-
se bedrijfsleven moet dan wel 
worden bezien tegen de algemene 
lasten verlichting voor het bedrijfsle-
ven in de jaren 1983 tot en met 
1985, namelijk 3,4 mld. Dat geeft de 
verhoudingen aardig weer. Deson-
danks kwamen de regeringspartijen 
met een amendement, waarbij de 
opbrengst 5 min. lager werd gesteld. 
Ik mag de minister wel hartelijk 
feliciteren met deze steun. 
Deze gang van zaken heeft ertoe 
geleid dat de regering dit jaar is 
gekomen met een voorstel, de 
opbrengst van de heffingen te 
verhogen tot 20 min. in plaats van 
het benodigde bedrag van 25 min., 
vermeerderd met de in de afgelopen 
jaren opgebouwde inkomensachter-
stand. Regeren wordt zo steeds meer 
het vooruitschuiven van de moeilijk-
heden. Uiteraard kan ik hiermee niet 
instemmen en ik heb een amendement 
ingediend dat ertoe strekt, de 
opbrengst van de heffingen te 
verhogen tot 25 min. Dat is dus een 
beperkte stijging die nog geen 
soelaas biedt voor de opgelopen 
achterstand in inkomsten. 
Het voorstel van de regering heeft 
overigens wel de vraag opgeroepen 
waarom de verhoging van de 
opbrengst van de heffing op 2,5 min. 
is gesteld en niet op 5 min. Immers, 
verleden jaar is de Kamer met de 
stijging van 5 min. akkoord gegaan. 
Wil de minister deze vraag - die ik 
ook al in het verslag had gesteld -
alsnog beantwoorden in het licht van 
de zo vaak door deze Kamer uitge-
sproken wens tot continuïteit in het 
beleid en in het licht van de weten-
schap dat ook bij een stijging van 5 
min. de stijging percentueel lager is 
dan verleden jaar? 
Voor het geval de regeringspartijen 
niet het werkelijk benodigde bedrag 
op tafel willen leggen en ook niet het 
door mij voorgesteld compromis van 
25 min., heb ik ook een amendement 
ingediend dat de heffing bepaalt op 
22,5 min. Bij het aannemen hiervan 
is de stijging van de heffing dus gelijk 
aan die voor dit jaar. Ik vraag de 
minister om een inhoudelijk oordeel 
over beide amendementen en tevens 
om daarbij aan te geven welk bedrag 
hij in feite nodig zou hebben, mede 
als gevolg van de opgelopen achter-
stand in inkomsten. 
De gevolgen van deze financierings-
problematiek mogen niet worden 
onderschat. Uitgaande van een 
saneringstermijn van 10 jaar - ik 
benadruk dat die zeker niet langer 
mag worden - betekent dit dat de 
heffing nog een aantal jaren zal 
moeten worden betaald, nadat de 
sanering zal zijn voltooid. Dit zal 
ongetwijfeld problemen opleveren. 
Daarbij ga ik ervan uit dat deze 
heffing, die is bedoeld voor een 
beperkte periode, in stand blijft ook 
als het door de regering voorgestelde 
nieuwe financieringsstelsel voor het 
milieubeleid door de Kamer wordt 
geaccepteerd, in welke vorm dan 
ook. Maar zover is het nog niet. 
Daarnaast lijkt het mij niet onmo-
gelijk dat het afgesproken plafond 
van 4 0 0 min. zal worden overschre-
den, dan wel dat als gevolg van 
gebrek aan kasmiddelen de zonering 
extra zal worden vertraagd. Kan de 
minister hierover nadere mededelin-
gen doen? 
Ten slotte een enkel woord over de 
gevolgen van de verhoging van de 
heffing voor de individuele bedrijven. 
De door de regering verstrekte 
gegevens hebben duidelijk gemaakt 
dat voor het overgrote deel van de 
bedrijven de heffing in financieel 
opzicht van volstrekt ondergeschikt  belang is: 80% van de bedrijven 
betaalde in 1985 minder dan 
f 18.000 en 65% zelfs minder dan 
f 10.800. Deze gegevens ontzenuwen 
definitief de indianenverhalen die 
voortdurend over de heffing worden 
gehouden. Een verhoging van de 
inkomsten tot het bedrag dat 
minimaal nodig is - 25 min. - betekent 
voor 80% van de bedrijven een 
verhoging van de heffing met nog 
geen f8 0 0 0 en voor 65% van de 
bedrijven een verhoging van de 
heffing met ten hoogste f4 5 0 0 . Dat 
dit financieel een probleem zou 
opleveren, valt werkelijk niet vol te 
houden. Het gaat slechts om zeer 
marginale bedragen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="383" partij="PvdA" naam="Veldhoen">
 Mevrouw 
de Voorzitter! Voor de vierde maal 
behandelen wij hier de Heffingwet 
industrielawaai. Bijna een lustrum. 
Wat mijn fractie betreft zullen wij dit 
wetsontwerp ook volgend jaar 
behandelen, niet om dat lustrum te 
vieren, maar om te pogen de 
beoogde saneringsoperatie industrie-
lawaai goed te begeleiden. Naast de 
natuurkundige grootheid decibel en 
zelfs decibel-uur, spelen voor ons de 
grootheden tijd en geld een belang-
rijke rol. 
Wij twijfelen niet aan de goede wil 
van de minister om de aanstaande 
saneringsoperatie - dit is geen 
peuleschil, dat geven wij toe - in de 
geplande tien jaar af te ronden. Maar 
wij vinden het jammer dat hij het niet 
wat harder speelt. In die zin hadden 
wij een aangepast tarief verwacht, 
dat niet zou neerkomen op een 
heffingopbrengst van 20 min., maar 
van 25 min. Immers, dat laatste 
bedrag is nodig om de gestelde taak 
- liever taken - te vervullen binnen de 
gestelde limiet, te weten de voorbe-
reiding, gevolgd door een tien-jaren-
operatie. Het is dan ook te betwijfelen 
dat bij reële opbrengsten van 1 1 , 1 7 
en 20 min. in de afgelopen jaren, 
hetzelfde programma kon worden 
uitgevoerd, alsof de geschatte 25 
min. zou zijn geïnd. Dat is natuurlijk 
onzin. 
Een en ander houdt in, dat er 
vertraging is opgetreden. De fractie 
van de PvdA gaat er nog steeds 
vanuit, dat de afspraken over het 
programma behoorlijk moeten 
worden nagekomen. De bedragen 
zijn en waren f2 5 min. per jaar. De 
technische onderbouwing van het 
programma is - zeker na het Metra-
rapport in 1984 - richtinggevend en 
maakt dus nu aanpassingen niet 
nodig of gewenst. Een stabiele 
geldstroom is nodig om de doelstel-
lingen in de geplande tijd te halen. 
Wij gaan uit van het feit, dat gedu-
rende de eerste jaren minder geld 
binnenkwam dan gepland. Dit heeft 
te maken met de eerste uitwerking 
van criteria voor de heffing. 
In feite heeft het niets te maken 
met de achtergrond van de tariefstel-
ling en het gekibbel over tariefaanpas-
sing en vermindering van de geluid-
produktie. De aanpassing van de 
heffing was nodig vanwege rekenfou-
ten en kinderziektes in dit toch 
unieke en moeilijke systeem. De 
discussie in het verleden over de 
mate van tariefstijgingen is dan ook 
irreëel. Die heeft niets met de 
doelstellingen, principes of gemaakte 
afspraken te maken. Door de 
kinderziektes is op een te laag niveau 
gestart. De industrie heeft jarenlang 
te weinig betaald. Zij weet dat, en ze 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Industrielawaai 
2144 

Veldhoen
maakt er een soort welles-nietes-spel-
letje van in haar clubblad, zoals de 
minister eens heeft gezegd. Helaas 
trapten de regeringspartijen er tot 
vreugde van de industrie in. Wat 
hebben ze daar gelachen! 
Ik zou nog eens helder uitgelegd 
willen zien, wat precies de aangerichte 
schade is en welke temporisering 
toegepast moet worden. De nota 
naar aanleiding van het eindverslag 
doet daarover nogal luchtig. Als de 
gederfde heffing geen rol speelt, dan 
was de heffing in de afgelopen jaren 
te hoog getaxeerd. Dan zou de 
minister zich zelf ook tegenspreken. 
Het beroerde is namelijk, dat een 
belangrijk deel van de uitgaven de 
apparaatskosten betreft;f8af 9 min. 
Bij een te lange operatie zijn dit extra 
kosten, die straks door de heffings-
plichtigen opgebracht moeten 
worden. 
Ik zou ook willen vernemen 
waarom de minister niet gewoon f2 5 
min. wil innen; f2 5 min. is f2 5 min. 
In 1984 schreef de minister nog in 
een stuk aan de Kamer (18 100, nr. 
1 66) dat dit bedrag veilig gesteld 
moest worden. In ons verslag ben ik 
hierop teruggekomen. 
Percentages - 15, 60 of 80 -
zeggen mij niets, omdat de start 
ongelukkig was. Wie met een 
dubbeltje begint maar een gulden 
nodig heeft, moet het tarief met 
900% verhogen. Ik schat in, dat de 
regeringspartijen nu wel akkoord 
gaan, want het geld moet er toch 
eens komen. Of heeft de vertragings-
tactiek een andere achtergrond? 
Wordt het doel van de saneringsope-
ratie nog wel onderschreven of 
krijgen de regeringspartijen spijt? Is 
lawaai - industrielawaai - dan niet zo 
erg meer? 
Of zit er misschien nog wat achter, 
bij voorbeeld het gegeven dat er 
plannen zijn om de financiering van 
het milieubeleid anders te gaan 
regelen? Ik doel dan op de bekende 
brandstofheffing. Dan kunnen de 
kosten van de berokkende schade, de 
toegebrachte achterstand in dit 
beleid - sanering van het industriela-
waai - straks keurig worden opge-
bracht door de automobilist en de 
gebruiker van elektriciteit en gas. De 
categorie-A inrichtingen behoeven 
dan niet meer te betalen, de gewone 
belastingbetaler wel. Ik zou op dit 
vermoeden graag een reactie 
vernemen. Is, als de automobilisten 
gaan betalen, die f2 5 min. wel 
mogelijk? Dat zou een rare zaak zijn. 
In het verleden heb ik geen 
antwoord gekregen op mijn indringen-
de vraag, hoe de regeringspartijen 
het door henzelf aangebrachte gat in 
de begroting van deze minister willen 
dichten. Als men toegeeft, dat het 
geld nodig is, en men toch de 
tarieven verlaagt, dan is er tekort. Ik 
hebvande regeringspartijen nooit 
een antwoord ontvangen op de vraag 
over de negatieve dekking. 
De minister moest het destijds met 
minder doen; deed daar nogal 
kribbig over en kon zijn programma 
niet geheel realiseren. Minder 
heffingsopbrengsten betekenen een 
tekort. De fractie van de PvdA 
betreurt dit maar het is op dit 
moment nu eenmaal niet anders. 
Wij vinden bovendien dat de 
heffing-industrielawaai in feite buiten 
het nieuwe financieringssysteem zou 
moeten blijven omdat de heffing in 
dit geval heel sterk het principe 'de 
vervuiler betaalt' benadrukt. Het is 
slechts - ik geef het toe - voor een 
gedeelte een regulerende heffing. 
Het heffingsbedrag is eigenlijk te laag 
om regulerende effecten te kunnen 
verwachten, zo zegt men. En dan 
maar blijven zeuren dat het bedrag 
zo hoog is . . . . 
Bij afwezigheid van een heffing 
wordt in nieuwe situaties natuurlijk 
geen rekening gehouden met het 
ontwerp inzake stille technologie. De 
brandstofverbruiker betaalt het 
immers wel. Ik vrees dat bij voorbeeld 
bij nieuwe vervangingen en partiële 
investeringen door de afwezigheid 
van een lawaaiheffing minder gezien 
zal worden naar de toepassing van 
stille technologie. In feite kan het 
voorgestelde systeem - ik zeg niet 
dat het beslist zo zal verlopen - de 
aandacht van de stille technologie 
afleiden en zo een uitnodiging 
vormen om weer nieuwe herrie te 
produceren. 
Omdat zoiets niet de bedoeling kan 
zijn en omdat de geplande sanerings-
operatie berust op principes en 
afspraken, verzoek ik de minister, 
deze heffing die naar ik meen in 1996 
wordt beëindigd, buiten het nieuwe 
systeem van brandstofheffing te 
laten. Ik wijs erop dat ook de 
bodemsanering daar niet onder valt, 
terwijl die sanering toch ook eindig 
is. Veelal zijn de vervuilers in deze 
sector nog moeilijker te vinden. 
Waarom zou dan de sanering van 
industrielawaai er wél onder moeten 
vallen? Ik overweeg, hierover in 
tweede termijn een motie in te 
dienen. 

:::NLANK::: pagina="" :::

</spreker>
<spreker pagina="" anker="384" partij="CDA" naam="Oomen - Ruijten">
 
Mevrouw de Voorzitter! Het vorige 
jaar hebben wij, tijdens het debatje 
over de heffingenwet-1 9 8 4 - 1 985 in 
feite een voorschot genomen op de 
behandeling van dit jaar. Wij kondig-
den toen aan, dat wij niet nog eens 
met een sterke verhoging akkoord 
zouden gaan. De minister heeft daar 
goed naar geluisterd. Hij stelt nu een 
verhoging van 1 5% voor. Ik geef toe 
dat hiermee geen toonbeeld van 
stabiliteit wordt gegeven maar er is 
ook geen sprake van belangrijke 
discontinuïteit in de tariefstelling ten 
opzichte van voorafgaande jaren. 
Bovendien moet het beleid voortgang 
vinden, zo vindt de fractie van het 
CDA. Wij stemmen dus in met de 
voorgestelde wetswijziging. 
Mijn collega's hebben gesproken 
over de tekorten, die er ten gevolge 
van de amendementen, eerder 
aangenomen, zijn ontstaan. Graag 
zou ik nu eens van de minister 
vernemen wat de exacte opbrengsten 
zijn geweest. 
De heer Tommei heeft een heel 
roerend verhaal gehouden over die 
achterstand. De fractie van D'66 is 
ook met twee amendementen 
gekomen om de tarieven in het kader 
van de heffingenwet opnieuw te 
verhogen. Er zijn twee amendementen 
omdat men het compromis aan de 
Kamer en aan de minister wil 
voorleggen. Graag verneem ik de 
reactie van de minister hierop. Is het 
überhaupt wel nodig, dat er meege-
gaan zou worden met het amende-
ment-Tommel? 
De minister schetst in de nota naar 
aanleiding van het verslag een heel 
wat gunstiger beeld van de zonering 
dan het vorige jaar het geval was. 
Wij zijn daar blij mee, te meer daar 
uit het uitvoeringsprogramma blijkt 
dat voor alle industrieterreinen, waar 
al A-inrichtingen zijn gevestigd, 
subsidie is aangevraagd en/of 
toegezegd. De terreinen, die nu nog 
moeten worden gezoneerd omdat 
zich daar A-inrichtingen mogen 
vestigen, hadden voor de gemeenten 
een lagere urgentie. Het komt ons 
voor dat uit de zonering van deze 
tweede categorie terreinen voorals-
nog geen saneringsmaatregelen 
behoeven voort te vloeien. Is deze 
visie juist? 
De minister spreekt in de nota naar 
aanleiding van het eindverslag de 
verwachting uit dat per 1 januari 
1986 meer dan 60% van de te 
zoneren terreinen ook daadwerkelijk 
zal zijn gezoneerd. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Industrielawaai 
2145 Dan blijft er dus 30%a40% aan 
nog niet gezoneerde terreinen over. 
De zonering laat langer op zich 
wachten. Nu blijkt uit de brief van de 
minister aan het IPO van 26 septem-
ber jl., dat deze 60% in verregaande 
mate correleert met de terreinen 
waar A-inrichtingen zijn gevestigd. 
Andersom geldt dan, dat het bij de 
30%a40% vooral gaat om terreinen 
waar nog A-inrichtingen gevestigd 
mogen worden. Daarvan zullen er 
nog een aantal afvallen, omdat de 
vestigingen via bestemmingsplanpro-
cedures alsnog zullen worden 
verboden Onze conclusie luidt dan 
ook, dat het met de zonering de 
goede kant op lijkt te gaan. De 
ingangsdatum 1 september 1986 
loopt geen enkel gevaar door de 
sanering. 
Ook financieel is de druk van de 
ketel, nu voor 1986 de heffingenop 
brengst de uitgaven naar onze 
mening zal dekken. 
Ik zou graag weten hoe het precies 
staat met de evaluatie van de Wet 
geluidhinder. Wanneer krijgt de 
Kamer de resultaten daarvan? 
Ik ga nog in op twee korte puntjes 
Hoe staat het met de sanering 
rondom het DSM-terrein en met de 
Boschpoort? Ik heb de indruk dat de 
gemeenten rond DSM wat roerig 
beginnen te worden. Het lijkt mij zaak 
dat er op korte termijn afspraken 
worden gemaakt. 
Een ander punt is de geluidhinder 
bij de buitenlandse vliegvelden. Hoe 
zit het precies met het meetnet en 
met de evaluatie van de algemene 
maatregel van bestuur die voor het 
volgend jaar is toegezegd? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="385" partij="SGP" naam="Van der Vlies">
 
Mevrouw de Voorzitter! Materieel 
heeft de wetswijziging tegen het licht 
van de eerdere, voor de heffingen 
van 1984 en 1985, niet veel omhan-
den. De heffing wordt nu met 15% 
verhoogd, tegen 67,7% respectievelijk 
40% in beide eerdere jaren. Tweemaal 
moest de Kamer de minister door 
middel van amendering tot matiging 
van de verhogingen manen. Die 
waren relatief fors. 
In de context van de lastendruk 
voor het bedrijfsleven en de werkelijke 
verhoudingen in oorzaken en 
schuldvragen konden zij beter 
worden getemporiseerd. De minister 
heeft geluisterd. Hij stelt nu een 
verhoging van 1 5% voor. Dat geeft 
een continu tarievenbeeld, bij een 
constant programmatisch beleid. 
Deze aanpak is voor de SGP-fractie 
op zichzelf acceptabel. 
Met de heffing wordt beoogd, het 
geluidhinderbeleid inzake het 
industrielawaai te financieren. De 
regulerende werking van de heffing is 
beperkt. De heffing heeft meer de 
gewone financieringsfunctie gekre-
gen. Zij is meer dekkingsmiddel dan 
beleidsinstrument. In hoeverre kan 
hetzelfde worden gezegd van de 
andere heffingen, in het licht van het 
uitgangspunt dat de vervuiler 
betaalt? Uiteindelijk moet ook deze 
financieringsstroom worden opgeno-
men in een nieuw financieringsstelsel 
voor het milieubeleid. De UCV van 16 
september 1985 ligt achter ons. 
Wellicht wil de minister en passant 
meedelen hoever hij is met de 
verwerking van de uitkomsten van 
dat debat. 
Belangrijk gesprekspunt was welke 
kosten nu wel en welke niet als 
directe, als eigenlijke kosten kunnen 
worden toegerekend aan de veroor-
zakers van de milieubelasting, de 
vervuilers. In de context van wat  concreet voorligt de volgende vraag: 
blijven de uitgaven voor schadever-
goedingen aan bedrijven in verband 
met bovennormale vergunningeisen 
en voor stimulering van technologie 
daartoe behoren? De component 
schadevergoedingen bij voorbeeld 
zal in verhouding sterk toenemen. 
Duidelijkheid is op dit punt vereist. 
Mevrouw de Voorzitter! De 
zonering moet per 1 september a.s. 
rond zijn. Per medio november jl . 
moesten nog een 300 te zoneren 
terreinen aan snee komen, al met al 
nog heel wat. Door de inschakeling 
van het externe adviesbureau zullen 
die waarschijnlijk niet allemaal in de 
nog resterende tien maanden over de 
eindstreep kunnen worden gehaald, 
ook al omdat een termijn van acht 
maanden nodig is voor de hele  procedure: meting, zonering en de 
neerslag daarvan in bestemmings-
plannen. 
Wat zullen de consequenties zijn? 
Zal automatisch van rechtswege 
worden overgegaan tot overdracht 
van de zoneringsbevoegdheid aan de 
provincie, respectievelijk het rijk, een 
mogelijkheid die de wetgever zelf 
heeft bepaald? Hoe stelt de minister 
zich voor om - als het nodig is -
daarmee om te gaan? Om welke 
terreinen gaat het? Om welke 
gemeenten en provincies gaat het? 
Zijn het vooral kleine gemeenten 
zonder grote eigen diensten? Hoe is 
de moeilijkheidsgraad en wat is de 
waarschijnlijke emissie van de 
terreinen die het traagst worden 
opgenomen in de zoneringsprocedu-
re? Is het overigens inderdaad zo, dat 
pas nadat de periode van zonering is 
afgerond nauwkeurig duidelijk wordt 
wat er gaande is? Het zicht op de 
meeste knelpunten was er toch al? 
Mevrouw de Voorzitter! Direct 
aansluitend op de zoneringsfase 
moet de saneringsfase starten. De 
minister deelt mee dat de onderzoe-
ken om te komen tot saneringspro-
gramma's bij de meeste industriete-
reinen nog niet gaande of net gestart 
zijn. Pas na de opstelling zal op grote 
schaal begonnen kunnen worden met 
de terugdringing van de geluidsbelas-
ting. Er is een inspanningsplan voor 
tien jaar met een financieel taakstel-
lingsritme. 
Verdraagt zich de geplande 
ontvangstenkant met de meest 
waarschijnlijke vraag naar beschik-
baar budget als de grote stroom aan 
saneringsprogramma's loskomt? Er 
zal sprake kunnen zijn van een 
ongelijke belasting over de diverse 
jaren, onder de voorwaarde dat een 
en ander binnen redelijke termijn in 
uitvoering wordt genomen. Betrokke-
nen mogen niet gefrustreerd worden 
door een trage gang van zaken. 
Bovendien moet optimaal kunnen 
worden aangesloten op vervangings-
investeringen. Dat is toch de bedoe-
ling? Het gaat om een bedrag van 
gemiddeld 15 miljoen per jaar. Hoe 
zal de spreiding rond dat gemiddelde 
zijn? 
Ik kan mij voorstellen dat de 
minister dat ook niet weet en straks  zal zeggen: Dat zien wij wel. Maar 
dan moet natuurlijk de vraag gesteld 
worden hoe die spreiding zal kunnen 
zijn. Wil de minister zich daarover 
eens uitlaten? Welke instrumenten 
staan hem eventueel ten dienste? Ik 
noem kapitalisering, voorfinanciering 
uit andere fondsen en dergelijke. 
De kostenpost 'schadevergoedin-
gen' is van 1985 op 1986 gegroeid 
van 8 ton tot 2 miljoen. Kennelijk zijn 
er de eerste aanzetten. De minister 
noemt zelf Stork Werkspoor Diesel te 
Amsterdam. Wat betreft de kosten-
post voor 1985 wordt in de nota naar 
aanleiding van het verslag overigens 
een bedrag van 1,1 miljoen genoemd. 
In een maand of vier is er dus drie 
ton bijgekomen. Kennelijk gebeurt er 
in korte tijd zo het een en ander in 
deze sfeer. Kan de minister daarvan 
een overzicht geven? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="386" partij="VVD" naam=" Braams">
 Mevrouw de 
Voorzitter! Dit onderwerp heeft al 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Industrielawaai 
2146 enkele jaren de belangstelling van 
een bepaald clubje kamerleden. Dit 
clubje vertelt in onveranderde 
samenstelling vanavond het vervolg 
van het verhaal. 
In de nota naar aanleiding van het 
eindverslag staat dat in 1986 de 
uitgaven en de heffingsopbrengst 
met elkaar overeenkomen. Naar onze 
mening duidt dit erop dat er geen 
tekorten zijn en dat het programma 
uitgevoerd kan worden. Wellicht kan 
de minister dit toelichten, omdat 
door de oppositie voortdurend wordt 
gesteld dat er veel hogere bedragen 
geïnd hadden moeten worden. Ook 
nu nog worden van die kant bezwaren 
gemaakt tegen de tabel die vorig jaar 
is vastgesteld.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="387" partij="D'66" naam="Tommei">
 Dit wordt 
niet alleen door de oppositie gezegd, 
maar ook door de minister zelf. Als 
de heer Braams de nota naar 
aanleiding van het verslag heeft 
gelezen, dan heeft hij kunnen 
constateren dat de minister hierin 
nog eens schrijft dat de bedragen die 
hij nodig heeft, niet zijn veranderd 
vergeleken met eerdere ramingen. 
Het gaat om 25 min. per jaar.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="388" partij="VVD" naam=" Braams">
 Ja, maar 
wat ik opmerkte, staat ook in dat 
verslag. Ik wijs de minister op deze 
mogelijke tegenspraak die in dat 
verslag geconstateerd kan worden en 
vraag hem om een toelichting. 
Inderdaad staat er dat er 25 min. 
nodig is - maar dat wordt nu al 
enkele jaren door de minister en zijn 
ambtenaren geschreven - maar dat 
blijkt niet uit andere gegevens die 
naar voren komen. De vraag is, of de 
opgetreden vertraging, doordat veel 
zoneringsplannen niet op de gestelde 
datum zullen zijn voltooid, een factor 
van betekenis is. Ik laat het graag aan 
de minister over om ons dat duidelijk 
te maken. 
Uit het verslag en de verdere 
toelichtingen blijkt ook dat per 1 
september 1986 meer dan 60% van 
de terreinen zal zijn gezoneerd. Dat is 
meer dan de helft en dat is op zich 
verheugend, maar het houdt ook in 
dat ruim 40% van de terreinen nog 
niet gezoneerd is. De vraag is 
wanneer voltooiing van de zonering 
daarvan verwacht mag worden. 
Als die zoneringsactiviteiten zijn 
voltooid, kunnen de saneringspro-
gramma's worden opgesteld. Hoever 
staat het daarmee? Is het al zo ver 
dat inzicht begint te ontstaan in de 
uitgaven die gedaan zullen moeten 
worden op basis van werkelijke 
saneringsplannen? Die bedragen 
zullen uiteindelijk toch bepalend zijn 
voor de inkomsten die in de sanerings-
jaren nodig zijn. 
De heren Tommei en Veldhoen zijn 
nog eens ingegaan op de discussies 
van vorig jaar. Deze blijken hen niet 
tot het inzicht gebracht te hebben 
wat destijds een heel belangrijk 
argument was en voor ons nog 
steeds is. Een overheid mag eenvou-
digweg niet van het ene op het 
andere jaar bedragen met zeer grote 
percentages verhogen als diezelfde 
overheid lagere bestuursorganen 
corrigeert als zij hun tarieven met 
percentages van meer dan 10 
verhogen. Of er nu kinderziektes zijn 
opgetreden of fouten zijn gemaakt 
- hetgeen de heer Veldhoen aan-
voert - is in werkelijkheid geen 
excuus. De overheid heeft jaren de 
tijd gehad om deze zaak zorgvuldig 
voor te bereiden en heeft de tarieven 
vastgesteld. Als er dan een tegenvaller 
optreedt, moet maar de tering naar 
de nering worden gezet. 
Wij zijn zo genereus geweest om 
ermee akkoord te gaan dat foute 
schattingen toch aanzienlijk werden 
verhoogd, wij stemmen dit jaar in 
met een verhoging van 15%, maar 
het zal de heer Tommei wellicht 
duidelijk zijn dat wij geen steun 
kunnen geven aan zijn twee amende-
menten die respectievelijk verhogin-
gen ten opzichte van het afgelopen 
jaar voorstellen van 28,5 en 43%. Wij 
vinden dat ver buiten de grote orde 
liggen die in deze situatie verdedig-
baar is. 
Ik heb eerder wel eens geïnfor-
meerd naar de toepassing van de 
WIR-milieutoeslag die ook mogelijk 
is voor investeringen in nieuwe 
apparatuur die voldoet aan de 
nieuwe geluidseisen. Is er enige zicht 
op dat daar meer gebruik van wordt 
gemaakt? De heer Tommei suggereer-
de dat industrieën bij nieuwe 
investeringen toch niet de goede 
apparatuur zullen aanschaffen, maar 
dat lijkt mij een slag in de lucht.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="389" partij="D'66" naam="Tommei">
 Voorzitter! 
Dat heb ik in het geheel niet gezegd! 
Ik heb daar absoluut niet over 
gesproken!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="390" partij="VVD" naam=" Braams">
 Uit uw 
verhaal heb ik begrepen datuervan 
uitging dat industrieën niet meer 
serieus in geluidsarme apparatuur 
zouden investeren.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="391" partij="D'66" naam="Tommei">
 Ik heb daar 
niets over gezegd. Overigens, zo 
pessimistisch als de heer Braams 
veronderstelt, ben ik niet!  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="392" partij="VVD" naam=" Braams">
 Ik zal de 
Handelingen er op nalezen en er 
volgend jaar op terugkomen! 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="393" naam="Minister Winsemius">
 Mevrouw de 
Voorzitter! Allereerst dank voor het 
voorrecht om weer met de leden van 
uw Kamer te kunnen spreken over 
mijn favoriete onderwerp. De leden 
zijn er geroutineerd op ingegaan. 
Een paar kanttekeningen bij de 
woorden van de heer Tommei, die in 
algemene zin over de bestrijding van 
de geluidhinder en over de acties op 
dat gebied sprak. Je kunt van alles 
zeggen over specifieke punten 
waarop het nog niet zo goed gaat als 
wij zouden willen - ik denk aan een 
aantal vliegvelden en aan spoorwegla-
waai, waarvoor nu een regeling 
getroffen is, maar waaraan toch nog 
veel gedaan moet worden - maar ik 
denk dat wij bij voorbeeld op het 
belangrijkste gebied, dat van het 
verkeerslawaai, de zaak wel degelijk 
zo langzamerhand in het spoor 
beginnen te krijgen. Wezijn er nog 
niet, maar de zaak begint wel al 
aardig te marcheren. Op veel 
plaatsen is er serieuze voortgang. 
Ik wil hier echter niet te lang bij 
stilstaan, want binnenkort zullen we 
waarschijnlijk nog de gelegenheid 
hebben om hierover langdurig te 
praten. Volgens de planning zal de 
commissie-Wessel op 19 december 
rapport uitbrengen over haar 
evaluatie van de Wet geluidhinder. 
Op dat moment kunnen we een 
aantal dingen ten principale naast  elkaar zetten: wat gaat er goed, wat 
gaat er niet goed en wat zou soepeler 
of juist minder soepel moeten gaan? 
Zodra ik het rapport heb, zal ik het de 
Kamer doen toekomen. Natuurlijk 
moeten wij nog enige studie verrich-
ten voordat wij er een reactie op 
kunnen geven, maar ik denk dat het 
zinvol is om het rapport in ieder geval 
aan de Kamer toe te zenden, opdat 
het een rol kan spelen in de gedach-
tenvorming in dit Huis. 
Verder is er gewezen op het 
probleem dat wij al een beetje  hebben zien aankomen: zal de datum 
van 1 september 1986 gehaald 
worden of zal hij overschreden 
worden? De huidige schatting is, 
meen ik, dat op 1 september 80% 
van de terreinen aan een zonerings-
onderzoek onderworpen zal zijn. Dat 
betekent dat er op het ogenblik een 
versnelling plaatsvindt. Bij de 
overblijvende gevallen gaat het om 
een aantal heel moeilijke kwesties, 
waarbij het verstandig is om meer 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Industrielawaai 
2147 tijd te gebruiken, en een aantal 
gevallen waarin men domweg te laat 
is begonnen. Daar vroeg de heer Van 
der Vlies nog naar. 
Wat kun je daaraan doen? Verleden 
jaar hebben wij een brief geschreven. 
Daar is vrij goed op gereageerd. We 
hebben ook gezorgd voor uitgebreide 
ondersteuning vanuit Rijk en provin-
cies om het zoneringsonderzoek tot 
stand te brengen. Veel meer dan dit 
zou zo langzamerhand ook een 
beetje overdreven worden. De 
provincie Friesland heeft gezegd, dat 
zij de zaak op een gegeven moment 
zal overnemen. In het algemeen zorgt 
de provincie voor de zonering, in een 
enkel geval het Rijk. 
De provincie Friesland had hierbij  nog een aardigheidje in petto: 'Als 
wij het onderzoek ter hand nemen, 
dan sturen wij er meteen de rekening 
bij.' Wel, dat zal ongetwijfeld een 
aanzet tot spoed in die provincie zijn. 
Ik overweeg om iets soortgelijks toe  te passen: is men te laat, dan heeft 
men nog drie maanden; daarna 
wordt de geldkraan langzaam 
dichtgedraaid, dan moet men zelf 
maar weten wat er gaat gebeuren, 
dan zullen wij wel ingrijpen met de 
middelen die wij hebben. Maar in het 
algemeen gaat het vrij redelijk, en de 
laatste tijd is er sprake van een 
versnelling. 
Ik denk dat we de zaak in 1986 wel 
rond krijgen; ongetwijfeld blijft er 
nog een aantal moeilijke gevallen 
over. Dat is niet zo erg, omdat zij 
heel concreet kunnen worden 
aangewezen. Ik noem in dit verband 
de Bospoort, waarover mevrouw 
Oomen sprak, en DSM. Dit verloopt 
overigens toevallig wel vlot, maar het 
heeft geen zin om dergelijke gevallen 
in een tijdschema te stoppen. 
Immers, daarmee kan alleen maar 
meer schade worden aangericht. Wij 
proberen die concrete gevallen dus 
aan te pakken. 
De gestelde datum is niet helemaal 
heilig, maar het blijft wel een 
richtdatum. Anders ga je steeds 
meer verschuiven en dat is niet de 
bedoeling. 
Praktisch alle woordvoerders 
hebben geïnformeerd naar de schade 
die is ontstaan door de achterstand. 
Men kan zich hiervan zelf min of 
meer een beeld vormen naar aanlei-
ding van het overzicht ter zake in de 
nota naar aanleiding van het verslag. 
Daaruit is wel te concluderen dat de 
uitgaven inzake industrielawaai 
aanmerkelijk hoger waren dan de 
opbrengsten via de heffingen. In feite 
is dit een voorfinanciering binnen 
onze begroting.  De vragen die hierbij rijzen, zijn: is 
dat een volledige voorfinanciering en 
is daarin niets gefaseerd? Ik geloof 
dat op dit moment de schade nog te 
overzien is. Een voorfinanciering 
houdt overigens ook in dat er een 
nafinanciering moet komen. Het geld 
wordt namelijk later wel via heffingen 
gebeurd. Intussen wordt het geld 
ergens anders vandaan gehaald. Met 
de prioriteitenstelling is toch aange-
geven dat het industrielawaai een 
belangrijke kwestie is. Ik herhaal niet 
wat ik hierover vorige jaren heb 
gezegd. Het mag wel duidelijk zijn, 
dat mijn voorkeur er niet naar uitgaat 
om op dit gebied de bedragen enorm 
te verlagen, ondanks dat ik respect 
heb voor de argumenten die zijn 
aangedragen voor een dergelijke 
verlaging. 
De heer Veldhoen heeft gevraagd 
waarom ik geen 25 miljoen gulden 
wil innen. Dit lijkt hem beter. Ik had 
daarbij de kanttekening willen 
plaatsen van de REAL-politiek, maar 
mevrouw Oomen heeft het mij 
gemakkelijk gemaakt. 
Ik kom te spreken over het 
amendement van de heer Tommei. 
Belangrijk is dat blijkt, met name de 
laatste maand, bij de optelling van 
voorgaande jaren dat de ontvangsten 
hoger zijn geweest dan was verwacht. 
In 1983 waren de meerontvangsten 
nog gering. Er was ook een vrij laag 
bedrag geraamd. In 1984 is er 
evenwel ongeveer 2 min. gulden 
meer ontvangen dan de 12,5 min. 
gulden die verwacht was. Waarschijn-
lijk zal dit ook in 1 985 het geval zijn. 
Dit betekent dat wij ruwweg 10% tot 
1 5% meer ontvangen. De vraag die 
hierbij een rol speelt, is hoe die komt. 
Ik denk, maar ik heb er geen duidelijke 
aanwijzing voor, dat men, gezien de 
discussies van verleden jaar, op mijn 
departement bij de schattingen op de 
conservatieve toer is gegaan.  Men dacht blijkbaar: het zal ons 
niet weer overkomen dat wij 60% te 
hoog ramen. Men is dus lager 
uitgekomen dan wat in werkelijkheid 
de situatie is gebleken. Te verwachten 
is dat de uitkomst in het komende 
jaar met dezelfde omvang hoger is, 
en wel 10% tot 1 5%. Dit betekent dat 
er in plaats van 20 min., 22 min. tot 
23 min. gulden wordt ontvangen. 
Tegen deze achtergrond (de 
inclusieve verhoging en het te 
ontvangen bedrag) is er nu geen 
verdere verhoging nodig. De achter-
stand kan iets worden ingelopen. 
Ook kan het tempo op sommige 
onderdelen iets worden verhoogd, 
vooral als veel saneringsonderzoeken 
tegelijk worden afgerond. Ik denk 
hierbij aan het enigszins gematigde 
tempo waartoe wij hebben moeten 
besluiten in de afgelopen jaren. 
Dit verlicht het totaalprobleem met 
een aantal miljoenen. In 1983 zal het 
heel weinig zijn, maar in 1984 en 
1985 zal het om 2 min.a2,5 min. 
gulden gaan. Ik meen dat de heer 
Tommei hierover een vraag heeft 
gesteld. Dit helpt, ondanks het feit 
dat dit lager is dan wij aanvankelijk 
geschat hebben. Dit was echter te 
verhapstukken via de voorfinancie-
ring. In de komende jaren lijkt mij&quot;de 
huidige voorfinanciering ook niet 
meer nodig. De amendementen zijn 
dan ook niet nodig, gezien deze 
nieuwe informatie. Ik meen dat wij 
met de huidige financiële middelen, 
zoals die er voor staan, heel redelijk 
uit de voeten komen. Dit sluit ook 
redelijk aan - maar dat is toeval - bij 
het bedrag dat in het tweede 
amendement van de heer Tommei 
wordt genoemd, en wel 2 min.a2,5 
min. gulden. 
Ik ben al ingegaan op het punt van 
de vertraging. Door de voorfinancie-
ring hebben wij die sterk kunnen 
beperken. De tot stand gebrachte 
schade zal dan ook beperkt zijn 
gebleven. Ik heb dat het vorige jaar 
ook gezegd. Je krijgt natuurlijk wel te 
maken met het voorfinancieringsef-
fect. Dat moet later worden recht 
getrokken. 
De heer Tommei vroeg ook, of ik 
nog iets zou kunnen zeggen over de 
mogelijkheid dat het overeengekomen 
budget van f4 0 0 min. - taakstellend, 
en dergelijke - in het kader van de 
sanering wordt overschreden. In de 
loop van1986 zal er voor de aanpak 
van de sanering een leidraad worden 
gepubliceerd. In deze leidraad zullen 
wij onder andere een beheerssyste-
matiek voor de saneringsoperatie 
voorleggen. Ik kan daar nu niet veel 
meer over zeggen. Het is volstrekt 
duidelijk dat wij nog niet over een 
volledig inzicht beschikken. Er 
kunnen zich nog verrassingen 
voordoen. Dit kan leiden tot een 
andere voorfinanciering. De heer 
Braams vroeg hiernaar. 
Wij mogen misschien echter ook 
hopen dat zich op een aantal 
plaatsen meevallers zullen voordoen. 
Het is evenwel denkbaar dat het in 
principe aanleiding geeft tot verdere 
voorfinanciering. Ik kan op dit 
moment geen beter inzicht verschaf-
fen dan het inzicht dat wij eerder 
hebben gegeven op basis van een vrij 
globale inschatting. Ik hoop dat er in 
de komende paar jaren een duidelijke 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Industrielawaai 
2148 verbetering te zien zal zijn, als de 
saneringsonderzoeken serieus tot 
stand komen. 
De vraag van de heer Veldhoen 
over de achterstand en de te lage 
heffing heb ik eigenlijk al beantwoord. 
Hij stelde verder een aantal vragen 
die niet speciaal aan mijn adres 
gericht waren. Dat heb ik althans 
begrepen. 
De heer Veldhoen vroeg wel, of wij 
de heffing niet buiten de brandstof-
heffing moesten laten. Op dit punt 
ligt er ook de vraag van de heer Van 
der Vlies hoe ver het eigenlijk is 
gevorderd met de wijziging van de 
W A B M en vooral met het hoofdstuk 
'financiële structuur' daarin. Hierbij is 
vanzelfsprekend sprake van een 
samenhang. Het ontwerp ligt op dit 
moment bij de Raad van State. Wij 
hebben natuurlijk rekening gehouden 
met een groot aantal bij de eerdere 
behandeling gemaakte opmerkingen. 
Men zal wel ongeveer kunnen raden 
welke lijn wij in het ontwerp hebben 
uitgezet. Ik heb die lijn ook aangege-
ven. Opmerkingen over de brandstof-
heffing en de relatie met de sanering 
van het industrielawaai, zoals door 
de heer Veldhoen gemaakt, komen 
meer ten principale aan de orde als 
het wetsontwerp in dit huis aan de 
orde komt. 
Ik moet hierbij nog één ding 
vermelden. Er is een wezenlijk 
verschil met de bodemsanering. 
Deze is om een heel andere reden 
buiten de brandstofheffing gelaten. 
De achtergrond daarvan was - die 
discussie is vóór mijn tijd gevoerd -
dat de relatie met de veroorzaker 
buitengewoon moeilijk was te vinden. 
In het onderhavige geval is er altijd 
wel een relatie tussen de actuele 
bron - die is er nog steeds - en de 
hinder die ervan ondervonden wordt. 
Deze relatie heeft toen ten principale 
aan de besluitvorming ten grondslag 
gelegen; algemene middelen om het 
milieuprobleem op te lossen, maar 
halen wat je kunt halen uit de 
verhaalsactie! Dat is dus een wezenlijk 
verschil met de vergelijking die de 
heer Veldhoen maakte met de 
bodemsanering. 
Mevrouw Oomen vroeg wat exact 
de opbrengst was. Ik heb al gezegd 
dat die hoger werd. Ik meen dat ik  hier de correcte cijfers heb: 
- in 1983f11,7 min.; 
- in 1984f14,6 min.; 
- in 1985 waarschijnlijkf19a 2 0 
min. Het laatste is natuurlijk een 
schatting. 
De voortgang van de sanering kan 
redelijk positief worden genoemd. Er 
zijn wel een paar kanttekeningen bij 
geplaatst. Het is maar hoe je ernaar 
kijkt. Ik vind dat wij in september een 
hoger percentage hadden moeten 
halen. Maar nogmaals, wij zitten 
eigenlijk hoger dan de 60%. Dat is 
mijn laatste informatie. De voortgang 
verloopt dus vrij goed. Wij hopen de 
rest dit jaar te krijgen. 
Mevrouw Oomen vroeg ook hoe 
het met DSM zit. Volgens de 
planning - wij, dat wil zeggen de 
overheden en DSM te zamem, 
denken dat wij deze planning kunnen 
halen - moet het zonevoorstel begin 
volgend jaar klaar zijn. Er is daar 
natuurlijk een betrokkenheid met de 
gemeente. Je komt immers meteen 
ten principale voor de vraag te staan, 
wat er met de woningbouw en de 
vervangende nieuwbouw moet 
gebeuren. Al dergelijke vragen doen 
zich dan voor. De voorlopers ervan 
bereiken ook mij. Als je in het zuiden 
komt, word je van alle kanten aan je 
jas getrokken wat dit punt betreft. 
Wat DSM betreft, zullen wij, ook 
omdat deze vraagstelling zo actueel 
speelt, dus proberen zo vlug mogelijk 
duidelijkheid te vinden met de 
anderen die daarbij betrokken zijn. 
Onze rol, met die geluidhinder, komt 
altijd een beetje uit de tweede hand. 
De initiatieven moeten vanuit de 
gemeenten en provincies komen. 
Bospoort is een heel goede zaak, 
zoals het zich ontwikkelt. Maastricht 
heeft inmiddels besloten om het 
structuurplan van 1979, waarin geen 
milieuparagraaf was opgenomen, te 
herzien. De verwachting is dat dit 
eind 1986 zal zijn gebeurd. Hierbij zal 
de invulling van een uitgebreide 
milieuparagraaf, mede gebaseerd op 
het project Bospoort, een belangrijke 
peiler vormen. 
Het is heel wezenlijk om daar te 
praten over het serieus bezig zijn met 
die stad. Het is een groot probleem 
dat het binnen de wallen van Maas-
tricht zit. Wij zijn met Maastricht en 
betrokken adviesbureaus een aantal 
heel goede oefeningen aan het doen, 
goede oefeningen die ook praktisch 
nut kunnen hebben, echt binnen die 
gemeenten, maar ook verdere 
ervaring met zich kunnen brengen. 
Mevrouw Oomen-Ruijten stelde 
een vraag over het meetnet. Ik moet 
haar het antwoord schuldig blijven. 
De desbetreffende actuele informatie 
heeft mij nog niet bereikt. Ik wil dat 
graag opzoeken, maar op dit moment 
heb ik daarover geen concrete 
informatie. In ieder geval heeft dit 
mijn verzameling hier niet uit hogere 
sferen bereikt. 
De heer Van der Vlies zei dat de 
financiële structuur meer een 
dekkingsmiddel is dan een beleidsin-
strument. Ja, dat is waar. Dat geldt 
overigens voor praktisch alle milieu-
heffingen, behalve voor de heffing 
voor verontreinigd oppervlaktewater, 
uit hoofde van de WVO en voor de 
aparte heffingen - zoals hier ter tafel 
ligt - voor de loodvrije benzine en 
dergelijke. 
Hiervan gaat wel degelijk een soort 
regulerend effect uit omdat men 
weegschaaltjes laat doorslaan. De 
weegschaal ligt voor de andere 
heffingen zover uit balans, dat men er 
op kan laden wat men wil, maar dat 
scheelt te weinig. Dan zou men in 
tienvoud of in twintigvoud moeten 
denken en dat zouuook niet willen. 
Daaruit blijkt dat het meer een 
dekkingsmiddel is dan iets anders. 
Dan stelde de heer Van der Vlies 
nog concrete vragen. Hij vroeg 
waarom wij achter zijn. Daar ben ik al 
op ingegaan. Ook vroeg hij naar de 
schade van de temporisering. Hij 
vroeg of het vooral kleine gemeenten 
zijn die hier een rol spelen. 
Tot dusverre is inderdaad wel 
gebleken dat kleine gemeenten 
betrekkelijk bang waren om hieraan 
te beginnen. Het is heel goed dat er 
op vrij veel plaatsen nu gemeenschap-
pelijke geluidshinderdiensten zijn, 
waardoor men het werk nu een stuk 
gemakkelijker aan kan. Dat slaat over 
van de ene gemeente op de andere. 
Ik meen dan ook dat wij te maken 
hebben met aanloopproblemen die 
wij door het gewenningsproces 
steeds beter onder controle krijgen. 
Wie zou na 1 september in de 
plaats moeten stappen? Dat is de 
naast-hogere bestuurslaag, die het 
voortouw zou kunnen overnemen. Ik 
verwacht dat dat in een aantal 
gevallen zal gebeuren, wanneer 
duidelijk is dat er sprake is van 
non-actie. Als er geen redelijke reden 
is, moet men ook niet flauw zijn maar 
zeggen 'we hebben hier een hoepel 
neergezet, en daar moet wel iemand 
doorheen'. 
De heer Braams vroeg of er inzicht 
bestaat in de werkelijke saneringskos-
ten. Dat inzicht is nog ontoereikend, 
zoals ik ook al zei tegen de heren 
Veldhoen en Van der Vlies. Als de 
kosten afwijken, is voorfinanciering 
denkbaar, mogelijk en misschien 
zelfs noodzakelijk. 
De heer Braams vroeg verder of de 
WIR-milieutoeslag ook geldt voor 
stille technologie. Dat is het geval. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Industrielawaai 
2149 Wij proberen in allerlei situaties zo te 
doen. Als voorbeeld noem ik Stork/ 
Werkspoor-Diessel, dat in dit kader 
een bedrag van 300.000 gulden 
heeft ontvangen met het oog op de 
sanering. Deze toepassing van de 
WIR-milieutoeslag acht ik dan ook 
wel mogelijk, al moeten wij dit per 
geval bezien. 
Ik heb geprobeerd, de meeste 
vragen hiermee te behandelen. Ik 
weet dat ik een aantal meer techni-
sche vragen niet heb kunnen beant-
woorden, door een gebrek aan 
kennis. Die vragen zal ik met alle 
vreugde schriftelijk beantwoorden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="394" naam="De voorzitter">
 Ik begrijp dat er 
leden zijn die nu nog moties willen 
indienen. Een ieder heeft in eerste 
termijn ruim de tijd genomen. Ik 
neem aan dat de tweede termijn niet 
meer tijd zal vergen. 
Ik hoorunu wel 'ja' zeggen, maar 
iedereen heeft langer gesproken dan 
van tevoren was opgegeven. Als 
iedere spreker in tweede termijn 
slechts een minuut spreekt en de 
minister ook, dan kunnen wij het net 
halen. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="395" partij="D'66" naam="Tommei">
 Voorzitter! 
Ik wil mijn minuut graag gebruiken 
om de minister te bedanken voor zijn 
antwoorden. Wat mijn opmerkingen 
betreft, is hij vrijwel volledig geweest. 
Als er nog een nader schriftelijk 
antwoord komt, dan zou ik graag zien 
dat hij daarin ook antwoordde op mijn 
vraag wat er moet gebeuren als aan 
bedrijven eisen worden gesteld ter 
beperking van de geluidshinder, 
eisen die gebaseerd worden op een 
toekomstige zonering, dus een 
zonering die er nog niet is. Dat 
schept voor die bedrijven een 
buitengewoon vervelende situatie. 
Wat mijn amendementen betreft, 
ben ik blij met de verhoogde op-
brengst. Ik zal mij er nader op 
beraden. 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="396" partij="PvdA" naam="Veldhoen">
 Ook ik 
dank de minister voor de beantwoor-
ding, maar ik vrees dat wij van 
mening blijven verschillen over de 
manier waarop deze heffing tot stand 
komt en over de vraag wie de 
heffingsplichtigen in de toekomst 
zullen zijn. Daarom dien ik mijn motie 
toch maar in. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Motie  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="397" naam="De voorzitter">
 Door het lid Veldhoen 
wordt de volgende motie voorgesteld. 
De Kamer, 
gehoord de beraadslaging; 
overwegende, dat de sanering van 
industrielawaai een reeds sedert 
1982 ingezette, met de Kamer 
afgesproken, en eindige operatie is 
met overeengekomen scenario en 
financieringssysteem; 
verzoekt de regering, dit systeem 
voor de betreffende saneringsperiode 
te blijven hanteren, 
en gaat over tot de orde van de dag. 
Naar mij blijkt, wordt deze motie 
voldoende ondersteund. 
Zij krijgt nr. 1 0 ( 1 9 140). 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="398" partij="CDA" naam=" Oomen-Ruijten">
 
Voorzitter! Ik dank de minister voor 
zijn uitgebreide beantwoording die 
ook voor de CDA-fractie naar 
tevredenheid is geweest. Een van 
mijn vragen is niet beantwoord, nl. 
de vraag inzake het meetnet buiten-
landse vliegvelden en de evaluatie 
van de algemene maatregel van 
bestuur die daarmee samenhangt. 
Mogelijk kan daar nog schriftelijk op 
gereageerd worden.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="399" naam="De voorzitter">
 Wenst de heer Van 
der Vlies het woord te voeren in 
tweede termijn?  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="400" partij="SGP" naam=" Van der Vlies">
 Om 
destijds wille zie ik daarvan af! 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="401" partij="VVD" naam=" Braams">
 Mevrouw de 
Voorzitter! Ik dank de minister voor 
zijn toelichting. Ik heb nog één vraag, 
namelijk over het verschil tussen de 
kolommen voor 1985 en 1986 in de 
memorie van toelichting en in de 
nota naar aanleiding van het eindver-
slag. In de laatste is de post zonerings-
onderzoeken in 1985 sterk gestegen 
en in 1986 constant gehouden. 
Loopt die post nu beduidend af in 
1 987 en verschuiven de uitgaven dan 
sterk naar de richting schadevergoe-
ding? 
</spreker>
</blok>
<blok pagina="">

 
<spreker pagina="" anker="402" naam="Minister Winsemius">
 Mevrouw de 
Voorzitter! Ik wiluervoor bedanken 
dat het mogelijk is om nog in tweede 
termijn te antwoorden, want wij 
zitten inderdaad met het tijdsaspect 
Industrielawaai 
Ingekomen stukken 
wat betreft de behandeling in de 
Eerste Kamer. 
Ik zal graag schriftelijk ingaan op 
de vragen van de heren Tommei en 
Braams, want ik kan de getallen niet 
zo snel overleggen. Ik hoop deze 
cijfers morgen in de namiddag bij de 
Kamer te hebben. 
Wat betreft de motie van de heer 
Veldhoen wil ik opmerken, dat het 
wetsvoorstel op het ogenblik bij de 
Raad van State ter advisering ligt. 
Tegen die achtergrond vind ik de 
motie prematuur. Het is mijns inziens 
niet verstandig. Het komt aan de 
orde en totdat dit voorstel tot wet is 
verheven, is er natuurlijk geen sprake 
van enigerlei verandering. Op het 
moment dat het gaat spelen, is de 
Kamer daar natuurlijk volledig bij 
betrokken. Het is een wetsontwerp 
en wij zullen zeker niet proberen die 
discussie te ontlopen. 
Mevrouw Oomen heeft gevraagd 
naar de evaluatie van de algemene 
maatregel van bestuur betreffende 
noord- en midden-Limburg. De 
evaluatie is in gang gezet. De 
besprekingen met de buitenlandse 
autoriteiten, onder andere over de 
'vliegtuigbewegingen' zijn op korte 
termijn afgerond. Stillere vliegtuigen 
blijken niet haalbaar te zijn. Dat is 
jammer. De voorbereidingen zijn 
getroffen om in proefopstellingen 
twee meetposten uit te breiden. Naar 
verwachting hebben wij het volgende 
jaar het definitieve meetnet compleet. 
Dat is de stand van zaken op dit 
moment. 
De algemene beraadslaging wordt 
gesloten.  

</spreker>
<spreker pagina="" anker="403" naam="De voorzitter">
 Ik dank de minister 
en de leden voor hun snelle medewer-
king. 
Ik stel voor, donderdagmiddag over 
dit wetsvoorstel en de motie te 
stemmen. 
Daartoe wordt besloten. 

. 
 Lijst van ingekomenstukken, 
 met de door de Voorzitterter   zake gedane voorstellen: 
1. een Koninklijke boodschap, ten 
geleide van wetsvoorstel Wijziging 
van hoofdstuk IV (Kabinet voor 
Nederlands-Antilliaanse Zaken) van 
de begroting van de uitgaven van het 
Rijk voor het jaar 1 984 (slotwet; 
eerste wijzigingsvoorstel) (1 9 324). 
Deze Koninklijke boodschap, met de 
erbij behorende stukken, is al 
gedrukt; 
2 1 5 0 
• 

:::NLANK::: pagina="" :::2. de volgende brieven: 
drie, van de minister van Buiten- landse Zaken, te weten: 
twee, ten geleide van Overeenkom-
sten ( 1 9 3 2 5 en 1 9 3 2 6 ) ; 
een, over de Europese Raad van 2 
en 3 december 1985 (19 334); 
een, van de minister voor Ontwik-
kelingssamenwerking over de 
begrotingsbehandeling (19 200-V, nr. 
31); 
een, van de staatssecretaris van 
Justitie over de rechtspositie van ter 
beschikking gestelden ( 1 9 3 3 0 ) ; 
een, van de minister van Binnen-
landse Zaken, over het Minderheden^ 
beleid (16 102, nr. 128); 
een, van de minister van Onderwijs 
en Wetenschappen, ten geleide van 
het activiteitenoverzicht Volwasse-
neneducatie 1 9 8 6 ( 1 9 3 2 2 ) ; 
een, van de staatssecretaris van 
Onderwijs en Wetenschappen, de 
heer Van Leijenhorst, over capaciteits-
bepalingen schippersinternaten 
(19200-VIII, nr. 42); 
een, van de minister van Financiën, 
over de deregulering van de Neder-
landse kapitaalmarkt ( 1 9 2 0 0 - I X B , 
nr. 14); 
een, van de staatssecretaris van 
Defensie, de heer Van Houwelingen, 
over de verkoop van defensiemateri-
eel(19 200-X, nr. 23); 
een, van de staatssecretaris van 
Defensie, de heer Hoekzema, over de 
geestelijke verzorging in de krijgs 
macht (19 200-X, nr. 24); 
twee, van de minister van Volkshuis-
vesting, Ruimtelijke Ordening en  Milieubeheer, te weten: 
een, over het storten van radio-ac-
tief afval (19 224, nr. 4 ) ; 
een, over sociale veiligheid en de 
kwaliteit van de openbare ruimten in 
de stad ( 1 9 3 2 1 ) ; 
een, van de minister en de staats-
secretaris van Economische Zaken, 
de heer Van Zeil, over het regionaal 
sociaal-economisch beleid ( 1 9 0 8 4 , 
nr. 24); 
een, van de staatssecretaris van 
Economische Zaken, de heer Van 
Zeil, over de garantieprovisie 
(19200-XIII, nr. 39); 
een, van de minister van Welzijn, 
Volksgezondheid en Cultuur, over de 
beveiliging computer R I V M . 
(19 200-XVI, nr. 70); 
twee, van de staatssecretaris van 
Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur, 
te weten; 
een, over het gehandicaptenbeleid 
(14 4 0 6 , nr. 119); 
een, over planning en spreiding 
van revalidatievoorzieningen (18 108, 
nr. 23). 
i 
Deze brieven zijn reeds gedrukt en 
rondgedeeld.  3. de volgende brieven: 
twee, van de minister van Buiten-
landse Zaken, over Overeenkomsten; 
een, van de minister van Onderwijs 
en Wetenschappen, ten geleide van 
jaarrekening en accountantsrapport 
over het A.Z.L. over 1983. 
De Voorzitter stelt voor, deze brieven 
niet te doen drukken en voor kennis-
geving aan te nemen; kopie is 
gezonden aan de betrokken commis-
sies;  4. de volgende adressen: 
een, van R. Roos te Amsterdam, 
met betrekking tot belastingen; 
een, van Mevr. M. C. E. Reenen-Grij-
zenhout te Ermelo, met betrekking 
tot belastingen; 
een, van N. J . C. A. Doeswijk te 
Apeldoorn, met betrekking tot 
belastingen; 
een, van A. Bena te Utrecht, met 
betrekking tot toewijzing woonruimte; 
een, van A. J. M. Bos te Amsterdam, 
met betrekking tot belastingen; 
een, van Mevr. W. C. Hortinga-Mul-
ler te Amsterdam, met betrekking tot 
belastingen; 
een, van A. J. J . M. Kloppenburg te 
Arnhem, met betrekking tot belastin-
gen; 
een, van het Psychiatrisch Zieken-
huis Voorburg te Vught, met betrek-
king tot de eigen bijdrage AWBZ; 
een, van R. W. van Oers te Uden, 
met betrekking tot belastingen; 
een, van D. Krommenhoek te Den 
Haag, met betrekking tot energiever-
bruik; 
een, van J. M. Verhoef te Breukelen, 
met betrekking tot belastingen; 
een, van J. C. J. Peters te Noord-
wijkerhout, met betrekking tot 
belastingen; 
een, van G. Bron te Den Haag, met 
betrekking tot onroerend-goedbelas-
ting; 
een, van E. C. O. Pols te Amsterdam, 
met betrekking tot belastingen; 
een, van A. Schrotenboer te 
Lutten, met betrekking tot belastin-
gen; 
een, van O. Kalan te Amsterdam, 
met betrekking tot belastingen; 
een, van P. Ghisaidoobe te 
Lelystad, met betrekking tot belastin-
gen; 
een, van Mevrouw F. Sahin-Sahin 
te Winterswijk, met betrekking tot 
belastingen; 
een, van Zeevisserijbedrijf Tanis te 
Goedereede, met betrekking tot 
belastingen; 
een, van H. Hagers te Hilversum, 
met betrekking tot belastingen; 
een, van L. D. van Riel te Utrecht, 
met betrekking tot zijn veroordeling 
(T.B.R.); 
een, van Mevr. M. H. Nurmohamed 
te Rotterdam, met betrekking tot de 
kinderbijslag; 
een, van W. H. M. Bolk te Almelo, 
met betrekking tot belastingen; 
een, van Mevr. E. Deugdzaam te 
Amsterdam, met betrekking tot een 
verblijfsvergunning; 
een, van M. Schipper te Emmen, 
met betrekking tot belastingen; 
een, van V. Nikolov te Amsterdam, 
met betrekking tot belastingen; 
een, van K. C. Snijtsheuvel te 
Reuver, met betrekking tot belastin-
gen. 
Deze adressen zijn gesteld in handen 
van de commissie voor de Verzoek-
schriften;  5. de volgende brieven e.a.: 
een, van de C W M , inzake de 
W A G W ; 
een, van de Kontaktcommissie 
publiekrechtelijke ziektekostenrege-
lingen voor ambtenaren, inzake 
wetsvoorstel MOOZ; 
een twintigtal openbare rapporten 
van de Nationale ombudsman; 
een, van de Vereniging 'Nederland 
in den Vreemde', over de knelpunten-
nota van de vergeten provincie; 
een, van de Vereniging voor 
Openbaar Onderwijs, over de 
Ontwikkelingswet Voortgezet 
Onderwijs. 
Deze brieven e.a. liggen op de griffie 
ter inzage. Kopie is zonodig gezonden 
aan de betrokken commissies.  6. de volgende brieven e.a.: 
een, van J. G. Bleijenberg, over 
lessen in de Engelse taal voor 
volwassenen; 
een, van J. Batteljee, over de 
beginselen van behoorlijk bestuur; 
een, van P. de Gast, over het 
regeringsbesluit inzake plaatsing van 
kruisraketten; 
een, van de Taakgroep Leefbaar-
heid, inzake de eenmalige uitkering; 
een, van de Stichting Geluidshinder 
Schiphol, t.g.v. een motie; 
een, van het gemeentebestuur van 
Anloo, over de problematiek rond 
bejaardenhuis De Laarhof te Annen; 
een, van het gemeentebestuur van 
Haarlem, over gasprijzen voor 
kleinverbruikers; 
een, van A. S. Tuijnenburg Muijs-
Breugem c.s., over de bestuurlijke 
toekomst van Rijnmond; 
Tweede Kamer 
10 december 1985 
Ingekomen stukken 
2151 

een, van de Actiegroep 'De 
Steen-wijkt', over de plaatsing van 
kruisraketten; 
een, van het College van Bestuur 
van de TH te Wageningen, over de 
begrotingsbehandeling van Land-
bouw en Visserij; 
een, van het gemeentebestuur van 
Purmerend, t.g.v. een motie; 
een, van het gemeentebestuur van 
Rheden, over vergoeding van 
renteverliezen door het Rijk; 
een, van dr. J. Linthorst, over 
wijzigingen in de BKR-regeling. 
Deze brieven e.a. liggen op de griffie 
ter inzage. 
Tweede Kamer 
10 december 1985 Ingekomen stukken 
2152 

	
	
	

Noot 1 (zie blz. 2093) 
 Bijvoegsel 
 Schriftelijke antwoorden van de minister van 
 Onderwijs en Wetenschappen op vragen, 
 gesteld bij de openbare behandeling in eerste 
 termijn van hoofdstuk VIII (Onderwijs en Weten-
 schappen) van de rijksbegroting voor 1986 
 (19200-VIII) 
In juni 1985 is een EG-resolutie 
aangenomen door de Raad van de 
Ministers van Onderwijs van de 
Raad, houdende een actieprogramma 
betreffende gelijke kansen voor 
meisjes en jongens in het onderwijs. 
Eén van de aanbevelingen richt 
zich op ouders, vakorganisaties en 
besturenbonden. Concretisering van 
deze aanbeveling vindt onder meer 
plaats door het organiseren van een 
conferentie voor deze doelgroepen. 
Vraag van mevrouw Janmaat - Abee
(CDA) over advies 'Vrouw en 
Informatica' 
Het advies is uitgebracht naar 
aanleiding van enkele vragen van 
staatssecretaris mw. Ginjaar-Maas 
die betrekking hadden op de invoering 
van informatie-technologie in de 
eerste fase van het v.o. 
De Emancipatieraad heeft zijn taak 
ruimer opgevat; terecht, gezien het 
groeiendebelang van informatie-
technologie in andere onderwijssec 
toren en daarbuiten. 
Nu het advies verder reikt dan de 
sector onderwijs, is het gewenst dat 
vanuit meer departementen er op 
wordt gereageerd. Een interdeparte-
mentale reactie is thans in voorberei-
ding en kan in het voorjaar 1986 
verwacht worden. 
Het ministerie van Sociale Zaken 
en Werkgelegenheid is belast met de 
coördinatie van deze reactie. 
Het is niet aanvaardbaar dat één 
sekse (meisjes) de capaciteiten én de 
mogelijkheden die het onderwijs 
biedt, onvoldoende benut. De 
regering meent maatregelen voor te 
stellen waardoor
worden geschapen om de achterstand 
van meisjes te kunnen inhalen. 
Er wordt niet opgelegd. Dit alles 
gebeurt met de inachtneming van de 
vrijheid van onderwijs. 
Vraag van de heer Konings(PvdA) 
over Artikel Schmidt over de omvang 
van het departement 
In de onderstaande tabel is 
weergegeven wat de gerealiseerde 
departementale personeelsuitgaven 
(inclusief de personeelskosten ten 
behoeve van de inspectie, die ca. 1/5 
van het departementale totaal 
betreffen, en de kosten voor het 
ambtelijk apparaat voor uitvoering 
voor de studiefinanciering die wel 
sterk gestegen zijn, maar in feite 
geen enkele relatie hebben met de 
totale personeelsuitgaven van O en 
W.) 
Overigens is het zuiverder om, 
indien men een relatie wil leggen 
tussen de departementale omvang, 
lees uitgaven, en de totale programma 
van Onderwijs en Onderzoek, dit 
zowel voor het personele als ook het 
materiële deel te doen. Zie hiervoor 
onderstaande tabel. Totale departe-
mentale kosten ten opzichte van de 
totale uitgaven O en W. 
Uit deze tabellen blijkt dat de 
cijfers van de heer Schmidt uit het 
desbetreffende artikel van NRC-Han-
delsblad niet juist zijn. 
Aandacht is gevraagd voor de 
opmerkingen van de commissie-Von-
hoff over de planprocedures in onder 
meer de concept-beleidsnota 
beroepseducatie voor volwassenen. 
Inmiddels zijn de over deze concept-
beleidsnota gevraagde adviezen 
ontvangen. In vele adviezen wordt 
gewezen op de ingewikkeldheid van de 
voorgestelde planningssystemen en 
•procedures. Er wordt naar gestreefd 
op grond van analyse van de adviezen 
in het voorjaar 1986 een beleidsnota 
uit te brengen. 
Begr. jaar Personeelsuit-
gaven van het 
Departement van 
Oen W ' 
x min 
1978 
182,8 
1979 
202,6 
1980 
215,5 
1981 
214,4 
1982 
219,5 
1983 
229,7 
1984 
212,4 
Begr. jaar Departementale 
uitgaven 
x min 
1978 
206,5 
1979 
223,0 
1980 
239,0 
1981 
237,0 
1982 
244,5 
1983 
251,6 
1984 
247,0 
Personeelsuit- Departementale per-
gaven Onderwijs' sonole uitgaven als % 
van de totale perso-
neelsuitgaven Onder-
wijs 
x min. 
15 071 
1,21 
16 052 
1,26 
16 604 
1,29 
17 107 
1,25 
17 845 
1,23 
18 562 
1,24 
18 790 
1,13 
Onderwijsuitgaven Departementale uit-
gaven als % van de 
totale uitgaven 
x min. 
20 358 
1,01% 
21 795 
1,02% 
22 572 
1,06% 
23 311 
1,02% 
24 376 
1,00% 
26 689 
0,94% 
26 437 
0,93% 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2319 

Vraag van de heer  Leerling (RPF) 
over deelname vrouwen uit minder-
heidsgroepen aan basiseducatie 
Absolute cijfers omtrent deelname 
van volwassen vrouwen uit minder-
heidsgroepen zijn niet beschikbaar. 
Op grond van evaluatiegegevens van 
voorlopers basiseducatie die zich 
onder andere op deze doelgroep 
richten, zoals projectenbeleid 
alfabetisering, educatie minderheden 
en intensieve taakcursussen binnen 
het (dag-)avondonderwijs VJV blijkt 
dat de deelname van vrouwen 
relatief gezien per werksoort sterk 
uiteenloopt. 
Bij minder tijdsintensieve projecten, 
bijvoorbeeld projecten voor culturele 
minderheden en VJV bestaat 
ongeveer 50% van de deelnemers uit 
vrouwen uit minderheidsgroepen. In 
meer intensieve vormen van educatie 
(ITC (dag-)avondonderwijs) is de 
verhouding vrouwen en % mannen. 
Naar schatting gaat het bij voorlopers 
basiseducatie om ± 20.000 deel-
neemsters uit minderheidsgroepen. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over schoolmanagement (basisonder-
wijs) 
De heer Hermes heeft erop 
aangedrongen dat schoolmanage-
mentactiviteiten van de Landelijke 
Pedagogische Centra worden 
gecontinueerd, in afwachting van de 
bespreking van de nota Meer over 
management in de Kamer. 
De Centra hebben plannen 
voorgelegd voor de ondersteuning 
van schoolmanagement in het 
basisonderwijs. Over deze plannen 
zijn in afwachting van bespreking van 
genoemde nota nog geen beslissingen 
genomen. Naar aanleiding van 
signalen die al eerder waren bereikt 
vanuit de Kamer zijn de ambtelijke 
voorbereidingen voor het uitzetten 
van elf proefprojecten nascholing 
schoolmanagement als voorgesteld 
in de nota stopgezet. Voor de 
ondersteuning van schoolmanage-
ment basisonderwijs zijn geen andere 
instituten benaderd. 
Los van de concrete vormgeving 
van de ondersteuning van schoolma-
nagement blijft het uitgangspunt dat 
de Centra om wille van hun deskun-
digheid op dit terrein bij de ondersteu-
ning (en uitvoering) zullen worden 
betrokken. 
Wat de continuering van lopende  activiteiten betreft: alleen het KPC 
heeft in de schooljaren 8 2 - 8 3 , 8 3 - 8 4 
en 8 4 - 8 5 het project Schoolleiders-
trainingen met extra middelen 
uitgevoerd. CPS en APS hebben 
schoolmanagementactiviteiten met 
reguliere middelen bekostigd. Het 
KPC heeft toestemming gekregen het 
project Schoolleiderstrainingen dat 
formeel per 1 augustus jl. afliep, te 
continueren met gebruikmaking van 
nog niet aangewende extra gelden 
die voor dit project beschikbaar 
werden gesteld. 
Vraag van de heer  Lankhorst (PPR) 
over Meerhoofdige schoolleiding 
In de discussie vorig jaar over het 
onderwerp meerhoofdige schoollei-
ding is door staatssecretaris Ginjaar 
gesteld dat meerhoofdige schoollei-
ding verhullend op de emancipatie 
van vrouwelijk onderwijspersoneel 
zou kunnen uitwerken. Deze opmer-
king werd geplaatst in relatie tot de 
opvatting dat aan de emancipatie 
echt inhoud zou worden gegeven 
indien meer vrouwen tot directeur 
van de basisscholen zouden worden 
benoemd in een eenhoofdige 
schoolleiding. Destijds werd gevreesd 
dat benoeming van vrouwen in een 
meerhoofdige schoolleiding altijd 
gepaard zou gaan met de benoeming 
van een mannelijke directeur die 
alsdan feitelijk als dé directeur van 
de school zou worden beschouwd. 
Vraag van de heer Willems (PSP)  over HOS: inkomsten ex-hoofdleid-
sters, thans directeur basisschool 
De heer Willems constateert dat 
bepaalde ex-hoofdleidsters thans 
directeur in het basisonderwijs, 
minder zouden verdienen dan 
anderen aan de school. 
De situatie die de heer Willems 
schetst, kan zich onder het H0S-
systeem inderdaad voordoen. Het 
HOS-systeem gaat uit van functiebe-
loning. Een uitgangspunt bij de 
functiebeloning is dat voor een 
leidinggevende functie in het 
algemeen een hogere maximum-sala-
risschaal beschikbaar is dan voor de 
niet-leidinggevende functies in 
dezelfde organisatie. 
Naast de beschikbare maximum-
schaal is evenwel het zogeheten  'carrièrepatroon' van belang: men 
wordt niet terstond in de maximum-
schaal geplaatst, maar bereikt deze 
via aanloopschalen. Het kan dus 
voorkomen dat een nog niet in salaris 
'uitgegroeid' directielid een salaris 
heeft dat lager is dan een - in het 
algemeen oudere - leraar aan 
dezelfde school. Dit verschijnsel is 
inherent aan de overeengekomen 
salarissystematiek en zal zich niet' 
alleen bij de invoering van de HOS 
(waarbij men op basis van het 
bestaande salaris is ingeschaald in 
het betreffende HOS-carrièrepatroon) 
voordoen, maar ook in de toekomst. 
Overigens kwamen onder het oude 
bezoldigingssysteem dergelijke 
situaties ook voor. 
Vraag van de heren  Lankhorst 
(PPR) en Willems (PSP) over positie 
vrouwen in het onderwijs 
De inventarisatie van de inspectie 
in het rapport Directeursbenoemingen 
in het Basisonderwijs per juli 1985 
laat zien dat het aandeel van vrouwen 
in leidinggevende functies in het 
basisonderwijs 40% is. Dit is een 
daling ten opzichte van de situatie bij 
k.o. en l.o., waar het 46% was. 
Van het aantal directeuren is 10% 
vrouw, van het aantal adjunctdirecteu-
ren is 82% vrouw. Bij dit laatste moet 
worden bedacht dat nog bij een 
kwart van de scholen de man/ 
vrouw-verdeling onbekend was. 
Indien ook op deze scholen 82% van 
de adjunctdirecteuren vrouw zou zijn 
- hetgeen niet onwaarschijnlijk is -
stijgt het aandeel vrouwen in 
leidinggevende functies tot 45%. De 
daling ten opzichte van de situatie 
vóór de invoering basisschool is dan 
zeer gering. 
De resultaten uit het rapport zullen 
worden verwerkt in de notitie 
Vrouwelijk Onderwijspersoneel, die 
binnenkort zal verschijnen. Daarin zal 
ook worden ingegaan op de maatre-
gelen, die gezien onder meer deze 
gegevens, mogelijk zijn. 
De heer Willems vraagt zich af of 
de wijze waarop bevoegde gezagsor-
ganen het directeursschap aan de 
basisscholen hebben ingevuld niet in 
strijd is met de bepalingen van de 
Wet Gelijke Behandeling mannen en 
vrouwen. 
De wijze waarop benoemingen in 
het onderwijs plaatsvinden onttrekt 
zich niet alleen aan mijn waarneming, 
maar in verband met de vrijheid van 
benoeming heb ik daar ook geen 
bevoegdheid. De vraag of bij de 
directeursbenoemingen in strijd is 
gehandeld met de genoemde wet is 
door mij dan ook niet te beantwoor-
den. 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2320 

Vraag van de heer Wagenaar (RPF) 
over schoolwerkplanverplichting in 
relatie tot de vrijheid van onderwijs 
Het schoolwerkplan betekent voor 
een school geen nieuw soort verplich- ting: de verplichting om over een 
leerplan respectievelijk speelwerkplan 
te beschikken is van gelijksoortige 
aard. Het schoolwerkplan laat de 
school vrij wat betreft de inhoud van 
de vak- en vormingsgebieden, en 
zelfs wat betreft het aantal uren per 
gebied. Het verplicht slechts de 
inhoud en organisatie van het 
onderwijs te verantwoorden en aan 
te geven op welke wijze aan wettelijke 
voorschriften wordt voldaan. 
Vraag van de heer  Lankhorst (PPR) 
over combinatieklassen 
De opvatting van de heer Lankhorst 
dat combinatieklassen in een school 
taakverzwarend voor de leraren 
kunnen werken is juist. Desondanks 
slagen veel scholen erin dit door een 
hechte samenwerking binnen het 
team en een perfecte schoolorgani-
satie goed op te vangen. 
Een van de oplossingen voor het 
gesignaleerde probleem is te 
voorkomen dat er teveel kleine 
scholen ontstaan, die uit het oogpunt 
van opleiding niet strikt noodzakelijk 
zijn. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over evaluatie Formatiebesluit en 
Onderwijskundig besluit 
Bij de behandeling van beide 
besluiten heb ik de Kamer reeds 
toegezegd dat er ten aanzien van 
twee belangrijke elementen, te weten 
de symbioseregeling en de regeling 
ambulante begeleiding, na 2 - 3 jaar 
een evaluatie zal plaatsvinden. Ook 
andere onderdelen van het Formatie-
besluit en het Onderwijskundig 
Besluit kunnen desgewenst bij die 
evaluatie worden betrokken. 
Een evaluatie van de desbetreffende 
besluiten op een eerder moment is 
niet zinvol omdat eerst enige tijd 
nadat de besluiten in werking zijn 
getreden een duidelijk beeld kan 
worden verkregen van de zich in de 
praktijk voordoende knelpunten. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over het gevolg van de ADV-regeling 
in het basisonderwijs voor wat betreft 
het effect op de arbeidsplaatsen. Wat 
is er waar van het verhaal dat de 
vacatures niet kunnen worden 
vervuld c.q. invalsproblemen. 
De uitbreiding van het aantal 
arbeidsplaatsen als gevolg van de 
ADV-regeling bedraagt voor het 
schooljaar 1985/1986 rond 8 0 0 en 
voor het schooljaar 1986/1 987 rond 
1650. Voor het vervullen van 
vacatures in het kader van de 
ADV-regeling zijn geen beduidende 
problemen gemeld. Vanuit de grote 
steden is gemeld, dat er bij het 
openbaar onderwijs problemen zijn 
bij het vinden van vervangers, 
voornamelijk voor vervangingen van 
korte duur. Het is waarschijnlijk dat 
de vervangingsproblematiek mede is 
veroorzaakt door de min of meer 
abrupte vervulling van de ADV-vaca-
tures. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over de versnippering in het kader 
van de ADV 
Het aantal meldingen van basis-
scholen met versnipperingsproble-
men is gering. Tot op heden zijn van 
20 scholen verzoeken ingekomen om 
ontheffing van de verplichting tot het 
aanstellen van overgangsboventalli-
gen om te voorkomen dat de 
leerlingen van een klas worden 
geconfronteerd met méér dan twee 
leerkrachten. Alle verzoeken zijn 
ingewilligd. 
Slechts twee verzoeken zijn 
ingekomen van leerkrachten die op 
grond van hun status als overgangs-
boventallige verplicht zijn meer dan 
twee betrekkingen aan verschillende 
scholen te vervullen en daarvan 
ontheffing vragen. Ook deze verzoe-
ken zijn ingewilligd. 
Ik ben van mening dat de ADV-re-
geling past binnen het beleid tot 
bevordering van deeltijdarbeid en in 
het algemeen geen aanleiding geeft 
tot de veronderstelling dat de 
regeling versnippering zal bevorderen. 
Vraag van mevrouw  Den Ouden -
 Dekkers (VVD) over doorverkoop 
van computers 
Het betreft hier een schenking van 
de gemeente Den Haag en het 
bedrijfsleven, om de toepassing van 
de microcomputer in het basisonder 
wijs te bevorderen. Voorzover 
bekend is, had het bevoegd gezag 
van een aantal scholen voor bijzonder 
onderwijs reeds een computer van 
een ander merk aangeschaft. Zowel 
die laatste aanschaf, als de doorver-
koop van de geschonken apparatuur 
zijn een zaak van het bevoegd gezag 
van de desbetreffende scholen, 
waarin ik niet wil treden. Naar mijn 
oordeel is bij de hier aangehaalde 
kwestie geen sprake van een elegante 
handelwijze. Juister zou het zijn 
geweest, indien deze apparatuur 
teruggegeven was, opdat daarmee 
een andere school geholpen zou 
kunnen worden. 
Vraag van de heer Mik (D'66) over 
zorgverbreding, speerpunt lezen 
Het speerpunt lezen is gekozen om 
een aantal redenen. De eerste reden 
is dat een goede leesvaardigheid 
uiterst belangrijk is voor het verdere 
schoolsucces. Uit onderzoek blijkt 
dat in het bijzonder bij het leren lezen 
zich vele problemen voordoen, die 
leiden tot achterstanden en verwijzin-
gen naar het speciaal onderwijs. Ér 
is, wat de aanpak betreft, gekozen 
voor een versterking van de didacti-
sche en planmatige capaciteiten 
van de leerkracht. In de nascholings-
cursussen wordt uitgegaan van de 
meest gehanteerde leesmethoden en 
worden bovenbedoelde vaardigheden 
centraal gesteld. Vanuit de noodzaak 
tot efficiënt omgaan met de beschik-
bare middelen is gekozen voor een 
aanpak in de vorm van speerpunten. 
Uiteraard betekent dit niet dat door 
het speerpunt lezen alle probleemge-
bieden en soorten problemen worden 
gedekt. Ik hoop echter wel op een 
zekere uitstraling naar andere 
leergebieden en problemen, bijvoor-
beeld gedragsproblemen. Het gaat 
om een stapsgewijze aanpak. Op 
deze wijze zal de basisschool 
geleidelijk meer leerlingen met 
problemen adequaat onderwijs 
kunnen geven. Ik ga ervan uit dat 
hierdoor geleidelijk minder leerlingen 
naar het speciaal onderwijs zullen 
behoeven te worden verwezen. 
Vraag van de heren Hermes (CDA) 
en  Evenhuis (VVD) over groeibeper-
king voortgezet speciaal onderwijs 
Door te wijzen op de mijns inziens 
verontrustende ontwikkeling van het 
aantal leerlingen in het voortgezet 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2321 

speciaal onderwijs heb ik geenszins 
willen suggereren dat de directe 
oorzaak hiervan bij het voortgezet 
speciaal onderwijs zelf moet worden 
gezocht. Het is evenwel zeer goed 
denkbaar dat er vanuit het voortgezet 
speciaal onderwijs zelf aanzetten 
worden geleverd om deze groei af te 
remmen. Op dit moment wordt 
bezien welke maatregelen kunnen 
worden getroffen die tot beteugeling 
van de groei in het VSO zullen leiden. 
Uitgangspunt zal hierbij zijn dat deze 
maatregelen niet ten koste mogen 
gaan van die leerlingen die een 
speciale benadering nodig hebben. 
Indien in dit verband bij voorbeeld 
voor het treffen van bepaalde 
maatregelen aanvullend beleid in het 
regulier voortgezet onderwijs 
noodzakelijk is, zal dit tevens in de 
beschouwing worden betrokken. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over herhalingsonderzoek voortgezet 
speciaal onderwijs (VSO) 
De zin van de invoering van een 
herhalingsonderzoek voor VSO-leer-
lingen is reeds aan de orde geweest 
bij de behandeling van het wetsvoor-
stel voor het (voortgezet) speciaal 
onderwijs in de Tweede Kamer. Het 
nut ervan werd destijds niet in twijfel 
getrokken. Uit maatschappelijk 
oogpunt is het in het belang van de 
leerling hem of haar zo kort als 
mogelijk in een apart onderwijssys-
teem als het (voortgezet) speciaal 
onderwijs te handhaven. Thans is die 
mogelijkheid van invoering wel 
aanwezig, waardoor ook aan deze 
leerlingen de garantie wordt geboden 
dat de vraag naar de noodzaak van 
het voortgezet verblijf op de school 
gesteld wordt en op een verantwoorde 
wijze wordt beantwoord. Het is ook 
na een periode van enkele jaren nog 
bijzonder zinvol om bijvoorbeel tot de 
conclusie te komen, dat het voor een 
leerling mogelijk is om aan een 
school voor regulier voortgezet 
onderwijs een diploma te halen. In 
die zin kan invoering van deze 
maatregel beschouwd worden als het 
opvullen van een leemte in de 
huidige wetgeving. Immers voor het 
speciaal onderwijs bestaat de 
verplichting van het herhalingsonder-
zoek wel. Wanneer het herhalingson-
derzoek voor VSO-leerlingen ook nog 
wordt geplaatst in het verlengde van 
de mogelijkheden die de Interimwet 
biedt ten aanzien van de ambulante 
begeleiding dan ben ik van mening 
dat hiermee een adequaat pakket van 
maatregelen wordt gepresenteerd 
dat effectief en, gelet op het voorgaan-
de, ook zeker in het belang van de 
leerling en zeker niet overbodig is. 
De suggestie het beschikbare geld 
te besteden aan de regeling ambulan-
te begeleiding acht ik niet noodzake-
lijk. Het Formatiebesluit ISOVSO 
voorziet in een regeling ambulante 
begeleiding waar iedere leerling die 
aangewezen blijkt te zijn op deze 
ambulante begeleiding gebruik van 
kan maken. De beantwoording van 
de vraag of de regeling voor de 
ambulante begeleiding al dan niet 
uitbreiding behoeft, kan mijns inziens 
pas worden beantwoord bij de 
toegezegde evaluatie van de regeling 
zelf. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over beperking soorten speciaal 
onderwijs 
Voor het ontwikkelingsproces 
speciaal onderwijs zijn de in de 
ISOVSO genoemde schoolsoorten 
het uitgangspunt. Kenmerken van het 
ontwikkelingsproces zijn zorgvuldig-
heid en fasering. Onder fasering 
wordt verstaan, dat de ontwikkelingen 
in het veld regelmatig geëvalueerd 
zullen worden, op grond waarvan 
beslissingen genomen worden. 
Beperking van het aantal schoolsoor-
ten is voorlopig niet aan de orde. 
Onder zorgvuldigheid wordt onder 
meer verstaan dat behoedzaam 
wordt omgegaan met de verworven-
heden van het speciaal onderwijs. De 
sterk gedifferentieerde indeling heeft 
bijgedragen aan een hoogwaardige 
specialisatie en concentratie van 
deskundigheid in het speciaal 
onderwijs. Een mogelijke nieuwe 
indeling zal niet mogen leiden tot een 
vermindering, laat staan verlies van 
deze deskundigheid. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over begeleiding speciaal onderwijs 
De beperkte uitbreiding met 
soorten speciaal onderwijs waartoe 
tot nu toe is overgegaan komt voort 
uit de wens van het onderwijsveld. 
In de advies- en overlegprocedure 
die aan deze uitbreiding vooraf ging 
werd door het georganieerde 
onderwijsveld (CCOO) bij herhaling 
aangedrongen op uitbreiding met alle 
scholen voor speciaal onderwijs. Ook 
de Onderwijsraad adviseerde in die 
richting. 
Het feit dat nog uitgezonderde 
vormen van speciaal onderwijs 
begeleiding door een SBD wensen,  blijkt uit een inventarisatie: circa 50% 
van deze schoolsoorten heeft reeds 
een begeleidingsrelatie met een 
SBD. Het merendeel daarvan is 
gebaseerd op een formele begelei-
dingsovereenkomst. 
De wens van scholen om aanvullend 
systeembegeleiding te kunnen 
krijgen van een SBD komt voort uit 
het feit dat deskundigheid op het 
terrein van schoolwerkplanontwikke-
ling juist bij de SBD voorhanden is. 
De schoolbegeleidingsdiensten 
kunnen naar mijn mening in ieder 
geval waardevolle hulp verschaffen 
bij de schoolwerkplanontwikkeling, 
het werken met handelingsplannen 
en het verstrekken van informatie. De 
rapportage van de inspectie over de 
reguliere begeleiding van scholen 
voor buitengewoon onderwijs 
bevestigt deze opvatting. Deze 
werkzaamheden dienen goed 
afgestemd te zijn op de leerlingenbe-
geleiding door het schoolteam. Dit is 
vooral nodig, indien de bevindingen 
van het onderzoek bij toelating en bij 
het herhalingsonderzoek in toene-
mende mate worden afgestemd op 
het orthopedagogisch en orhtodidac-
tisch handelen van de leraar. 
De wijze van afstemming tussen 
interne en externe begeleiding kan in 
de schoolbegeleidingsovereenkomst, 
c.q. de begeleidingsafspraak worden 
vastgelegd. 
Het bovenstaande geeft aan dat 
een koppeling, binnen dat beleidsper-
spectief van de ontwikkeling van het 
speciaal onderwijs, met de verdere 
ontwikkeling van de systeembegelei-
ding, als een belangrijke randvoor-
waarde gezien kan worden. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over aansluitingsproblematiek 
Bij twee van de inmiddels gereed 
gekomen adviezen van de ARBO heb 
ik mijn beleidsstandpunt geformu-
leerd en ter besprekeing voorgelegd 
aan de Centrale Commissie vooor 
Onderwijsoverleg. In januari verwacht 
ik het derde advies over het voortgezet 
speciaal onderwijs en een afsluitend 
advies waarin alle lijnen samenkomen. 
In de beleidsnotities bij deze 
adviezen en vooral in het door mij uit 
te brengen beleidsplan voor de 
ontwikkeling van het speciaal en 
voortgezet speciaal onderwijs 
gedurende de periode van de 
Interimwet, ga ik ondermeer in op de 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2322 

aansluitingsproblematiek. Adequate 
informatie over de leerling binnen 
een zorgvuldige verwijzingsprocedure 
naar het (voortgezet) speciaal 
onderwijs en ambulante begeleiding 
gericht op een zo succesvol mogelijke 
plaatsing in het reguliere onderwijs 
zijn voorbeelden van onderwerpen 
die in het kader van een te verbeteren 
aansluiting aan de orde wil stellen. 
Over dit ontwikkelingsbeleid en de 
daarmee samenhangende maatrege-
len zal ik met de Kamer voeren.  Vraag van de heer  Leerling (RPF): 
Worden door de verhoging van de 
opheffingsnormen identiteitsgebon-
den scholen met name op het 
platteland niet onevenredig zwaar 
getroffen? 
Neen. Daartoe is in het wetsvoorstel 
een stelsel van afstandsreducties 
opgenomen. Bovendien kan de 
minister in uitzonderlijke situaties 
ook nog artikel 107, vierde lid van de 
WVO toepassen. Al met al zijn er dus 
voldoende waarborgen voor identi-
teitsgebonden scholen.  Vraag van de heer Schutte (GPV): 
over afzien van de Planningwet, ais 
meer bevoegdheden worden gegeven 
aan gemeente en provincie 
Over de concept-Planningwet 
wordt op dit moment nog advies 
ingewonnen bij organisaties en bij 
andere overheden. Waar afstandelijk 
bestuur en nadrukkelijke aandacht 
voor specifieke regionale omstandig-
heden steeds weer opduiken als 
belangrijke grondslagen voor een 
aangepaste planningsystematiek, is 
een taak van de provincie misschien 
niet zo ondenkbaar als de geachte 
afgevaardigde meent. 
Vraag van de heren  Konings (PvdA), 
 Hermes (CDA),  Evenhuis (VVD) en 
 Ernsting (CPN) over WRR-advies 

Het tijdschema met betrekking tot 
het uitbrengen van het advies van de 
W W R en het regeringsstandpunt  daarbij ziet er als volgt uit: 
Het advies zal op 3 december a.s. 
door de WRR worden vastgesteld. 
Op 19 december zal het vervolgens 
aan de Minister-President en aan de 
minister van Onderwijs worden 
aangeboden, waarna het stuk 
openbaar zal kunnen worden 
gemaakt. 
Ten einde een zo breed mogelijke 
opinievorming te stimuleren zal 
omstreeks begin maart een congres 
worden belegd, waaraan door 
vertegenwoordigers vanuit het 
onderwijsveld, vertegenwoordigers 
van wetenschappelijke wereld, 
bedrijfsleven en andere maatschappe-
lijke groeperingen zal kunnen worden 
deelgenomen. Spoedig daarna, naar 
verwachting in de maand april zal via 
de gebruikelijke procedure van 
voorbereidingen een regeringsstand-
punt bij het advies worden geformu-
leerd, dat schriftelijk aan de Kamer 
wordt meegedeeld. 
Vraag van mevrouw Den Ouden-
 Dekkers (VVD) over NIVO-project; 
hardware en software 
Er is nog niet bepaald welke 
computers (merk en type) in het 
NIVO-project zullen worden gebruikt. 
Thans vindt overleg plaats over de 
specificaties die moeten leiden tot de 
bestelling van de computers die 
vervolgens in de praktijk getoetst 
zullen worden. 
Overeengekomen is dat de in het 
NIVO-project ontwikkelde software 
bruikbaar zal zijn op de computers 
die na dit project beschikbaar komen. 
Deze operationele compatibiliteit is 
vastgelegd in de overeenkomst met 
de drie betrokken bedrijven en de 
onderwijsorganisaties. 
Voor de ontwikkeling van software 
zal o.a. het facilitair bedrijf van de 
'Stichting' worden ingeschakeld. 
Echter, voorstellen voor te ontwikke-
len software zullen worden gedaan 
door de externe projectmanager 
(ondergebracht bij het COI) mede op 
basis van de programma-ontwerpen 
van het software ontwikkelpunt voor 
het algemeen voortgezet onderwijs. 
Uiteraard spelen de docenten een 
belangrijke rol bij het aanreiken van 
suggesties, het meewerken aan 
projecten van het ontwikkelpunt en 
het uittesten van produkten. Docenten 
kunnen met hun ideeën terecht bij 
de 28 regionale steunpunten die in 
de loop van 1985 zijn gevormd. 
Vraag van mevrouw Den Ouden-
 Dekkers (VVD) over Rol COI bij het 
NIVO-project 
Het COI ondersteunt de projectma-
nagers voor de infrastructuur, het 
basis- en speciaal onderwijs en het 
algemeen voortgezet onderwijs. Deze 
projectmanagers zijn ondergebracht 
bij het COI. Aldus staat de deskun-
digheid van het COI ter beschikking 
van de voorbereiding en de uitvoering 
van de desbetreffende INSP-projec~ 
ten. Bovendien verspreidt het COI op 
talrijke manieren kennis en informatie 
over toepassingen van informatie-
technologie in het onderwijs. Het COI 
vervult dus wel degelijk een nuttige 
functie in het kader van het NIVO-pro-
ject. 
Vraag van mevrouw Den Ouden-
 Dekkers (VVD) over NIVO-project; 
inschakeling bedrijfsleven bij 
nascholing 
Bedrijven nemen de nascholing 
niet over van de lerarenopleidingen, 
maar dragen op een bepaalde manier 
er aan bij. Vanuit bedrijven wordt de 
verdere professionalisering van een 
beperkt aantal ervaren opleiders 
binnen NLO's, MO-opleidlngen en 
NGOLB verzorgd. Het zijn de 
opleiders zelf die vervolgens de 
nascholing voor leerkrachten in het 
voortgezet onderwijs ter hand 
nemen. De onderwijskundige inbreng 
is daarmee gewaarborgd. Bedrijven 
werken, waar nodig, mee aan 
aanpassing van nascholingsmateriaal 
aan nieuwe apparatuur. 
Vraag van de heren  Konings (PvdA) 
en Hermes (CDA) over cognitieve 
vaardigheden 
Naar aanleiding van de opmerkin-
gen van de heren Konings en Hermes 
met betrekking tot een mogelijk te 
grote belangstelling voor de cognitie-
ve vaardigheden wordt verwezen 
naar het beleid ter bevordering van 
een erkende plaats van de beeldende 
vakken en muziek in het algemeen 
vormend onderwijs. Met dit beleid 
wordt ingespeeld op ontplooiing van 
niet-cognitieve vaardigheden van de 
leerlingen. 
Vraag van de heer  Konings (PvdA) 
over beleidsnotitie voorbereidend 
hoger onderwijs (VHO) 
De stand van zaken bij de voorbe-
reiding van de beleidsnotitie VHO is 
als volgt. 
Het overleg in OOVO en CCOO en 
het advies van de Onderwijsraad 
hebben ertoe geleid dat de oorspron 
kelijke conceptnotitie thans wordt 
bijgesteld. 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2323 

De bijgestelde versie wordt op dit 
moment gereed gemaakt voor 
verzending en zal zo spoedig 
mogelijk aan de Kamer worden 
aangeboden. 
Vraag van de heren  Ernsting (CPN) 
en Willems (PSP) over etnische 
minderheden 
Uit de laatste tellingen van het 
Centraal Bureau voor Statistiek kan 
het volgende overzicht van het aantal 
buitenlandse leerlingen in het 
voortgezet onderwijs worden  afgeleid: 
a.v.o. 17 229 
l.b.o. 19 252 
m.b.o. 2 206 
k.m.b.o. (volle tijd) 223 
k.m.b.o. (deel tijd) 1 146 
b.b.o. 1 311 
vormingswerk 1 257 
Uit dit overzicht blijkt dat het 
grootste deel van deze leerlingen 
zich in het m.a.v.o. en l.b.o. bevinden. 
De doorstroming naar h.a.v.o. en 
v.w.o. en ook naar het middelbaar en 
hoger beroepsonderwijs loopt achter 
ten opzichte van de Nederlandse 
leerlingen. 
Om het schoolsucces en de 
doorstroming te bevorderen is een  aantal maatregelen getroffen zoals: 
- Het jaarlijks ter beschikking 
stellen van extra taakeenheden. 
- In bepaalde gevallen kan met 
toepassing van artikel 25 of 26 van 
de WVO, scholen de mogelijkheid 
geboden worden af te wijken van de 
huidige lessentabel waardoor er 
zeker tegemoetgekomen wordt aan 
de onderwijskundige behoeften van 
deze leerlingen. 
- Wijziging van de examenbeslui-
ten v.w.o./h.a.v.o./m.a.v.o. en 
l.b.o./l.a.v.o. om een verlicht examen 
Nederlands mogelijk te maken voor 
niet-Nederlandstaligen. 
- Een voorstel tot wijziging van de 
WVO en de inrichtingsbesluiten ten 
einde onderwijs in de eigen taal 
mogelijk te maken. 
- Door de NLO's worden speciale 
her- en bijscholingscursussen voor 
docenten in het voortgezet onderwijs 
georganiseerd. 
- Om de kans op de arbeidsmarkt 
te vergroten worden voor oudere 
leerlingen uit de minderheidsgroepen 
speciale cursussen georganiseerd. 
Hierbij wordt gedacht aan de 
cursussen in het kader van het 
k.m.b.o., cursussen ingericht voor 
20-30-iarigen, de cursussen 1 6-jari-
gen en oudere anderstaligen die 
gericht zijn op een oriëntatie op de 
arbeidsmarkt en zo mogelijk schake-
len naar een beroepsopleiding. Het 
voornemen is te bezien welke 
mogelijkheden tot een kwalificerende 
beroepsopleiding vooral de oudere 
leerlingen uit minderheidsgroepen 
geboden kunnen worden bij verdere 
realisering van het kort-m.b.o. 
Op een aantal manieren wordt 
reeds aandacht aan deze zaak 
besteed. Binnenkort verwacht ik de 
oplevering van een door mij geënta-
meerd onderzoek naar 'De ieer- en 
vormingsbehoeften van 16- tot 20-
jarige jongeren uit etnische groepe-
ringen'. Ik verwacht daaruit het 
nodige materiaal te kunnen opdiepen 
om gerichter beleid te kunnen 
voeren. Ook bovengenoemde 
instellingen zuilen kunnen profiteren 
van de in het rapport vermelde 
bevindingen. 
In de landelijke ontwikkelingsactivi-
teiten rond het volle tijd kort-m.b.o., 
het deeltijd kort-m.b.o., het vormings-
werk en het beroepsbegeleidend 
onderwijs wordt momenteel veel 
aandacht besteed aan de (verdere) 
ontwikkeling van onder andere 
programma's en leer- en hulpmidde-
len. Daartoe zijn enige extra middelen 
aan de betrokken ondersteuningsor-
ganisaties ter beschikkking gesteld. 
Ten aanzien van de problemen die 
zich bij de theoretische examens met 
betrekking tot de beheersing van de 
vaktaal voordoen verwacht ik enig 
soulaas op grond van de concrete 
resultaten van het project 'Van 
school naar beroep' die onlangs naar 
buiten zijn gekomen. Ook van een 
gezamenlijk project van enige 
streekscholen en het NIL kan een 
bijdrage aan de oplossing van deze 
problematiek worden verwacht. 
Vraag van de heer Willems (PSP) 
over allochtone schooldecaan 
Het voortgezet onderwijs kent in 
de regeling en bekostigingssystema-
tiek de figuur van de schooldecaan 
niet. Scholen krijgen taakeenheden 
die zij ten behoeve van deze functie 
kunnen inzetten. 
Ten behoeve van culturele minder-
heden hebben scholen recht op extra 
taakeenheden. Daarenboven krijgen 
scholen die straks gaan deelnemen 
aan onderwijsvoorrangsgebieden 
faciliteiten die op basis van een 
gebiedsplan mede voor dit doel 
kunnen worden ingezet. In de huidige 
STOS-VO-projecten wordt nu reeds 
veel aandacht besteed aan de 
begeleiding van buitenlandse 
leerlingen en aan het contact met de 
ouders. 
Door de Nederlandse Vereniging 
van Schooldekanen is, met medewer-
king van het Ministerie van Onderwijs 
en Wetenschappen in maart jl. een 
congres georganiseerd met als  thema: Allochtonen in de relatie 
Onderwijs-Arbeid. Centraal hierin 
stond de begeleiding van de minder-
heden in het voortgezet onderwijs. 
Aan scholen met concentraties van 
leerlingen uit de minderheidsgroepen 
worden extra taakeenheden ter 
beschikking gesteld die onder andere 
gebruikt kunnen worden voor het 
aanstellen van tolk/leraren en school-
contactpersonen. Deze functionaris-
sen zijn veelal buitenlandse leerkrach-
ten, die onder andere tot taak 
hebben de nodige voorlichting aan 
leerlingen en ouders te verzorgen. 
Vraag van de heer  Lankhorst (PPR) 
over Fries in het voortgezet onderwijs 
Het voornemen is om in het begin 
van 1986 de beleidsnotitie 'Fries in 
het V.O.' aan de Kamer aan te 
bieden. Op basis daarvan kan worden 
overlegd over de in deze nota 
opgenomen uitgangspunten. 
Vooruitlopend op deze discussie is 
een bedrag van f2 0 0 . 0 0 0 in 1986 
uitgetrokken om enerzijds de 
ontwikkeling van leermiddelen 
mogelijk te maken, anderzijds ter 
stimulering van voorlichtingsactivitei-
ten op het gebied van het te geven 
onderwijs in de Friese taal binnen het 
v.o. 
Vraag van mevrouw Janmaat - Abee
(CDA) en de heren  Konings (PvdA) 
en Hermes (CDA) over huisvesting 
voortgezet onderwijs 
De huidige knelpunten bij de 
bouwproblematiek in het voortgezet 
onderwijs zijn het gevolg hoofdzakelijk 
van incidentele aanpassingen van het 
kasritme en slechts in geringe mate 
van bezuinigingen. Dit leidt tot een 
aantal verschuivingen in de uitvoering 
van nieuwe bouwprojecten. Dit geldt 
helaas ook voor het MDGO huisves-
tingsplan, waardoor de door mevr. 
Janmaat gesignaleerde vertragingen 
zijn ontstaan. Echter in 1987 en 
lagere jaren zal het budget zich 
herstellen en ontstaan er weer 
mogelijkheden om het MDGO-
huisvestingsplan verder in uitvoering 
te nemen. 
Het beleid richt zich vooral op een 
doelmatig gebruik van bestaande 
gebouwen. Er wordt een wetswijziging 
van de WBO en de WVO voorbereid 
waardoor integraal beheer van het 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2 3 2 4 

gebouwenbestand van het basis- en 
voortgezet onderwijs mogelijk wordt. 
Het wetsvoorstel zal nog deze 
Kabinetsperiode bij de Kamer 
worden ingediend. 
De heer Hermes heeft geïnformeerd 
naar een schets van het geïntegreerd 
beheer van gymnastiekaccomodaties 
voor het basis- en het voortgezet 
onderwijs. Dit geïntegreerde beheer 
vormt een onderdeel van het beleid 
dat is gericht op een integraal 
huisvestingsbeleid voor basis-, 
speciaal en voortgezet onderwijs. 
Deze aanzet voor een integraal 
beheer moet op termijn leiden tot 
een vermindering van administratieve 
werkzaamheden. Voorkomen wordt, 
dat er door het onderwijs wordt 
geïnvesteerd in gymnastiekaccommo-
daties terwijl er in de naaste omgeving 
voldoende capaciteit in de gemeen-
telijke sporthallen aanwezig is. Dit 
brengt mee, dat op dit moment 
nieuwbouwplannen voor vooral 
gymnastiekaccommodaties in het 
voortgezet onderwijs worden 
afgelast. 
Mevrouw Janmaat heeft vragen 
gesteld over de financieringssystema-
tiek van de huisvesting voor het 
voortgezet onderwijs. Momenteel 
vindt deze plaats volgens de systema-
tiek van het beschikbaar stellen van 
een subsidiebedrag ineens (a fonds 
perdu). De vraag wordt gesteld of dit 
kan worden vervangen door een 
financiering met leningen. Ook de 
heer Konings dacht in deze richting. 
De keuze tussen beide systemen 
heeft een principieel karakter dat 
nauw samenhangt met het vraagstuk 
van de budgettering van investerings-
uitgaven. In het kader van de reeds 
toegezegde discussienota over de 
herziening van het bekostigingsstelsel 
v.o. wordt deze problematiek nader 
aan de orde gesteld. 
Vraag van mevrouw Janmaat - Abee
(CDA) over specificatie (gehonoreer-
de) terugploegprojecten 
Wat betreft de vraag inzake de 
terugploegprojecten neem ik aan dat 
hier bedoeld worden de additionele 
werkgelegenheidsprojecten in het 
kader van hetz.g.f1 miljard-program-
ma 1983. 
Ten laste van het totaal voor 
Onderwijs en Wetenschappen 
beschikbare bedrag van f5 0 miljoen 
zijn zes projecten voor subsidiëring 
aangemeld en ook gehonoreerd. 
Deze projecten zijn de volgende. 
Ten behoeve van het w.o. zijn twee 
projecten van het Academisch  Ziekenhuis te Nijmegen opgevoerd: 
Gebouw Radiotherapie en renovatie 
wis- en natuurkundegebouw (f8,5 
miljoen, respectievelijkf1,5 miljoen). 
Bij het v.o. zijn uitgevoerd de bouw 
van streekscholen in Almelo (f 11,0 
miljoen), 's-Gravenhage (f 10,5 
miljoen) en Venlo (f3,5 miljoen), 
terwijl bij TNO (in Delft) de nieuwbouw 
van het Instituut Instrumenten werd 
gerealiseerd. 
Uit het bovenstaande blijkt dat 
aanvragen werden afgewezen; van 
een resterend bedrag kan dan ook 
niet worden gesproken. De criteria 
van de huidige terugploegprogram-
ma's zijn zodanig dat Onderwijs en 
Wetenschappen hiervan geen profijt 
kan hebben. 
Vraag van mevrouw Janmaat - Abee
(CDA) over examens buitenlandse 
jongeren 
Ten aanzien van het l.b.o. en het 
m.d.g.o. is met betrekking tot de 
examens voor buitenlandse jongeren 
geregeld dat een kandidaat die 
grotendeels buiten Nederland 
onderwijs heeft genoten, dan wel een 
kandidaat wiens moedertaal niet het 
Nederlands is, voor het vak Neder-
landse taal of enig ander vak waarbij 
het gebruik van de Nederlandse taal 
van overwegende betekenis is, op 
andere wijze examen kan afleggen, 
dan volgens het bepaalde in de 
desbetreffende eindexamenbesluiten 
(bij voorbeeld door het gebruik 
kunnen maken van woordenboeken). 
Voor de overige vormen van middel-
baar beroepsonderwijs is deze 
bepaling in een vergevorderd 
stadium van voorbereiding. 
Vraag van de heren Hermes (CDA) 
en  Evenhuis (VVD) over examencon-
ferentie 
De heren Hermes en Evenhuis 
stemmen in met de gedachte van 
een examenconferentie, maar 
wensen niet dat deze een nieuwe 
examenstructuur zal opleveren. Zij 
vragen wat mag worden verwacht 
van effecten met betrekking tot 
vergroting van de effectieve lestijd. 
De examenconferentie is ter 
bespreking van concrete knelpunten, 
met name de gang van zaken in het 
laatste leerjaar. Daaronder is ook 
begrepen het streven de effectieve 
lestijd in het laatste leerjaar te 
verhogen, en het beslag dat gelegd 
wordt op de managementcapaciteit 
van een school door de gecompli-
ceerdheid van de regelingen. 
Aan de Kamer zal worden medege-
deeld welke conclusies gebruikt 
worden. Het is niet de bedoeling dat 
de conferentie een nieuwe examen-
structuur oplevert.  Vraag van de heer Hermes (CDA): 
Rijst het aantal herkansingsmogelijk-
heden niet de pan uit? 
ledere kandidaat kan ten hoogste 
één keer in ten hoogste twee vakken 
herkansing van het centraal examen 
krijgen (in het m.d.g.o. in twee 
examenonderdelen). In het m.a.v.o. 
en l.b.o. bestaat ook voor reeds 
geslaagde kandidaten deze mogelijk-
heid, voor het v.w.o. en h.a.v.o. zal 
deze mogelijkheid bij de examens 
van 1986 ook worden geboden. Bij 
l.b.o. en m.a.v.o. blijkt per vak ca. 
10% van de kandidaten te herkansen, 
met als uitschieter wiskunde met 
25% herkansers bij het m.a.v.o. en 
1 7% bij l.b.o. Momenteel wordt 
bezien welke de effecten van de 
herkansing zijn wat betreft slagen/zak-
ken, profielverbetering respectievelijk 
cijferverbetering. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over CEVO 
Artikel 1 van de instellingsbeschik-
king van de CEVO d.d. 17 juli 1985  luidt: 
&quot;... een commissie die tot taak 
heeft ten aanzien van de centraal 
geregelde schriftelijke examens 
v.w.o., h.a.v.o., m.a.v.o. en l.b.o.; 
a. het vaststellen van de opgaven 
en het opstellen van bindende 
normen voor de beoordeling van het 
gemaakte examenwerk; 
b. het adviseren betreffende 
de produktie, vaststelling en norme-
ring van examenopgaven en de 
organisatie van de centraal geregelde 
examens; 
c. het stimuleren van de evaluatie 
van de examens en van studie en 
onderzoek op het gebied van 
examens.' 
Deze taak vloeit voort uit artikel 
24, eerste lid van het eindexamenbe-
sluit dagscholen v.w.o.-h.a.v.o.-
m.a.v.o., respectievelijk artikel 2 1 , 
eerste lid van het eindexamenbesluit  l.b.o., luidende: 
'Onze minister stelt een (centrale) 
examencommissie in, belast met de 
vaststelling van de opgaven (en de 
beoordelingsnormen) voor het 
(centraal) schriftelijk examen.' 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2325 

De CEVO handelt dus krachtens 
een eigen wettelijke bevoegdheid en 
treedt als zodanig niet namens de 
Minister of de Staatssecretaris van 
Onderwijs en Wetenschappen op. 
Vraag van de heer  Evenhuis (VVD) 
over analyse van het mavo . 
Aangenomen wordt dat wordt 
gedoeld op de positie van m.a.v.o.-
leerlingen die willen doorstromen 
naar het v.h.o. In de beleidsnotitie 
v.h.o. die binnenkort aan de Kamer 
zal worden aangeboden, zullen naar 
aanleiding van het over deze notitie 
gevoerde overleg, zodanige wijzigin-
gen worden aangebracht dat de 
doorstromingsfunctie van het 
m.a.v.o. naar het v.h.o. beter recht 
wordt gedaan. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over regeling m.a.v.o. C/D, l.b.o. C/D 
De examens op D-niveau in het 
m.a.v.o. en volgens een D-programma 
in het l.b.o. worden afgenomen 
volgens hetzelfde programma, met 
dezelfde opgaven, met dezelfde 
beoordelingsnormen, dezelfde 
procedures en dezelfde cesuren. 
Bij de C-examens verschilt de zaak 
van vak tot vak. Voor sommige 
vakken zijn opgaven en dergelijke 
verschillend, voor andere vakken 
gedeeltelijk gelijk en voor weer 
andere vakken geheel gelijk. Verder 
staan de C-examens in het l.b.o. niet 
en in het m.a.v.o. wel onder toezicht 
van gecommitteerden. 
Tussen m.a.v.o. en l.b.o. examen 
blijven belangrijke verschillen 
bestaan. Wel is het streven de C- en 
D-examens in m.a.v.o. en l.b.o. 
volgens dezelfde eindexamenpro-
gramma's en met dezelfde opgaven 
te examineren. De vakken waaruit 
gekozen kan dan wel moet worden 
blijven echter aanmerkelijk verschil-
len. Ook kan in het l.b.o. gekozen 
worden voor examen volgens een A-
of een B-programma. 
Verder had in 1983 ca 75% van de 
m.a.v.o. kandidaten 4 of meer 
D-vakken en van de l.b.o. kandidaten 
ca. 65% ten hoogste 3 C-vakken. Er 
is dus sprake van een zekere doublure 
maar niet van vermenging van de 
hoofdstromen in m.a.v.o. en l.b.o. 
Het m.a.v.o.-programma blijft als 
zodanig bestaan, waardoor de 
instroom vanuit het m.a.v.o. in het 
h.a.v.o. is gegarandeerd. 
Vraag van de heer  Evenhuis (VVD) 
over de wettelijke regeling van het 
Leerlingenstatuut 
Op 25 november jl. heeft Staatsse-
cretaris Ginjaar-Maas, een gesprek 
gevoerd met leden van het LAKS (het 
Landelijk Aktie Komitee Scholieren). 
In dit gesprek zijn de volgende  toezeggingen gedaan: 
a. De harmonisatie van bestaande 
inrichtings- en eindexamenbesluiten 
op grond van de Wet op het voorgezet 
onderwijs inzake rechten van 
leerlingen zal worden uitgevoerd. 
Daarbij gaat het met namen om de 
daarin opgenomen voorschriften 
betreffende toelating, schorsing en 
verwijdering alsmede bedrog en 
andere onregelmatigheden. 
b. De bereidheid is aanwezig om 
een leerlingenstatuut (of een stelsel 
van regels ingepast in het reglement 
rijksscholen) voor de rijksscholen te 
realiseren. Hiervoor zal nader overleg 
worden gevoerd met de betrokken 
rijksscholen. 
c. Nagegaan zal worden of er 
mogelijkheden zijn om een leerlingen-
statuut verplicht te stellen door 
middel van een wetswijziging. 
d. De eerder aangekondigde 
voorlichtingsbrochure aan leerlingen 
zal zo spoedig mogelijk worden 
afgerond. 
Vraag van de heren  Leerling (RPF) 
en  Evenhuis (VVD) over tijdstip 
verschijnen beleidsnotitie Schoolver-
zuim 
De concept-beleidsnotitie 'School-
verzuim in het voortgezet onderwijs' 
is in juli 1985 ter kennisneming aan 
de Kamer gezonden. 
Inmiddels is het overleg over de 
concept-beleidsnotitie afgerond en 
wordt de notitie bijgesteld op grond 
van de resultaten van het overleg. 
In december zal de definitieve 
notitie aan de Kamer worden 
aangeboden. 
Vraag van de heer  Lankhorst (PPR) 
over controle leerlingaantallen 
Naar aanleiding van een opmerking 
van de heer Lankhorst deel ik mee 
dat scholen door mij niet zijn 
beschuldigd van fraude door middel 
van onjuiste opgaven van leerlingen-
aantallen. 
De scholen zijn door mij niet 
beschuldigd. 
Ik heb in januari 1982 aan de 
scholen gemeld dat in het vervolg 
eerder tot aangifte bij de Officier van 
Justitie zou worden overgegaan, 
wanneer bij onjuiste van 
leerlingenaantallen sprake zou zijn 
van een vermoeden van opzet of van 
grove nalatigheid. Ik heb dat gedaan 
omdat artikel 162 van het wetboek 
van strafvordering dat vereist en 
omdat onder meer door de Algeme 
Rekenkamer op gecoördineerd 
handelen is aangedrongen. VervoL 
gens zijn instructies verstrekt aan de 
leden van de onderwijsinspectie en 
afspraken gemaakt met het Openbaar 
Ministerie over de handelwijze van de 
inspectie wanneer bij steekproefsge-
wijze controle onregelmatigheden 
worden gesignaleerd. 
Ik heb in januari 1984 in deze 
Kamer mij op dit punt terughoudend 
opgesteld en gezegd, ik citeer de  Handelingen ( blz. 2784).: 'Ik weet 
(..) niet of de omvang van de dekkin-
gen die in het amendement (nl. van 
de regeringsfracties) is voorzien, 
reëel is. Daarover kan ik geen 
uitspraak doen. 
Ik kan alleen maar herhalen wat ik  in de eerste termijn al heb gezegd: 
wij zijn met deze zaken bezig en 
misschien kan het, misschien kan het 
niet. Dat moeten wij afwachten'. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over financiële middelen afdelingen 
h.a.v.o./m.b.o. 
Voor de evaluatie van het experi-
ment met de afdelingen h.a.v.o./ 
m.b.o. is in het evaluatieplan afdelin-
gen h.a.v.o./m.b.o. (aan de Kamer ter 
kennisneming aangeboden bij brief 
VO/VB-7566 d.d. 20 maart 1985) 
melding gemaakt van een bedrag van 
ten hoogste f4 8 0 . 0 0 0 , over 4 jaar te 
besteden. Financiering vindt plaats 
uit het 40% overheidsgebonden 
gedeelte van de SVO-begroting. 
De afdelingen worden voor wat 
betreft de bekostiging zelve aange-
merkt als afdelingen h.a.v.o. (het 
experimentele karakter vloeit voort 
uit toegestane afwijkingen van het 
inrichtings- en examenbesluit ex 
artikel 25 en 29.7 WVO). Er zijn geen 
additionele middelen aan deze 
afdelingen h.a.v.o./m.b.o. boven de 
23 WPO-eenheden voor onderwijs-
kundige taken en 20 klokuren voor 
administratieve taken, toegekend. 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2326 

Vraag van de heer  Evenhuis (VVD) 
over terugloop leerlingenaantallen in 
het l.b.o., met name in het l.t.o. 
De geachte afgevaardigde de heer 
Evenhuis signaleert zorgelijke 
geluiden over de drastische terugloop 
van leerlingenaantallen in het l.b.o., 
waarbij met name het l.t.o. forse 
klappen zou krijgen. 
In de nota naar aanleiding van het 
verslag ter voorbereiding van de 
begrotingsbehandeling is een staatje 
opgenomen (antwoord op vraag 
127), waaruit de relatieve deelname 
aan de diverse soorten l.b.o. en het 
m.a.v.o. blijkt. Daaruit is te conclude-
ren dat er inderdaad minder leerlingen 
voor het l.b.o. opteren dan op grond 
van demografische ontwikkeling mag 
worden verwacht. Daaruit valt echter 
niet af te leiden, dat het l.t.o. 
relatief minder zou worden bezocht 
dan de overige soorten l.b.o. Om tot 
versterking van het gehele l.b.o. te 
komen, zijn maatregelen in voorberei-
ding. Daarbij zal vooral worden 
gestreefd naar een grotere maat-
schappelijke herkenbaarheid. 
Vraag van mevrouw Janmaat - Abee
(CDA) over LHNO-notitie 
Mevrouw Janmaat heeft geconsta-
teerd dat de notitie 'Van LHNO tot 
LDGO' tot bezorgde reacties aanlei-
ding geeft. 
Voor zover er sprake is van 
bezorgdheid in het LHNO veld ten 
aanzien van in de LHNO-notitie 
voorgestelde maatregelen richt deze 
zich vooral op het invoeren van de 
afdelingsstructuur in relatie tot de 
HEF/VO. 
Gevreesd zou worden dat het 
invoeren van die afdelingsstructuur 
tot een tweede herschikking zal 
leiden. Dit is geenszins de bedoeling. 
Met de afdelingsstructuur binnen het 
LHNO wordt juist een verder behoud 
en versterking van het LHNO-onder-
wijsaanbod beoogd. 
Vraag van de heer Willems (PSP) 
over vrouwen in het v.o. (I.d.g.o.) 
De heer Willems vraagt zich af of 
bij de totstandkoming van het 
I.d.g.o. dezelfde problematiek ten 
aanzien van de benoeming van 
vrouwen tot directeuren zich zal 
voordoen als is opgetreden bij de 
totstandkoming van het basisonder-
wijs. Dit is niet uitgesloten. Ook hier 
moet ik er echter op wijzen dat de 
benoemingen tot de bevoegdheid 
van de schoolbesturen behoren. 
Overigens is de keuze voor het 
I.d.g.o. uitdrukkelijk gedaan met het 
oog op emancipatie voor meisjes. 
Vraag van mevrouw Janmaat - Abee
(CDA) over evaluatie jaarwerkplannen 
m.d.g.o. 
In principe kan de inspectie een 
bijdrage leveren aan de evaluatie van 
de jaarwerkplannen m.d.g.o. Deze 
evaluatie en conclusies kunnen nog 
maar beperkt en voorlopig zijn, 
gezien het stadium van de invoerings  fase: nog slechts 1 jaar van de 
vier-jarige invoeringsfase is gepas-
seerd. 
Het eerste definitieve schoolwerk-
plan en activiteitenplan komt in 
1988. 
De verschillende thema's vragen 
een eigen tijdpad in verband met 
prioriteiten van de inspectie bij de 
verplichte toetsing van ingestuurde 
documenten, zoals het thema 
voorzieningen (huisvesting, outillage) 
waarover overigens op korte termijn 
een bijdrage zal worden geleverd. 
Vraag van de heer Mik (D'66) over 
inventarislijst m.d.g.o. en formatie 
docenten en directie m.d.g.o. 
Ik ben bereid snel de basis-inven-
tarislijst vast te stellen, maar wijs er 
nadrukkelijk op, dat de vaststelling 
van de basis-inventarislijst niets 
afdoet aan de noodzaak van een 
planmatige en fasegewijze toewijzing 
van de noodzakelijke inventarisartike-
len. De formaties voor docenten en 
directie zijn mijns inziens, in vergelij-
king met andere vormen van m.b.o., 
zeker niet te krap bemeten. Wel kan 
in de invoeringsfase waarin het 
m.d.g.o. verkeert sprake zijn van 
extra druk op de scholen. Daar staat 
weer tegenover dat er ook sprake is 
van boventallige docenten. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over m.d.g.o./Grondwet 
In de nota van toelichting bij de 
a.m.v.b. die de rechtspositionele 
gevolgen regelt van de invoering van 
het m.d.g.o. (Stb. 500 van dit jaar) 
wordt uitvoering ingegaan op de  relatie met de Grondwet. In het kort: 
de a.m.v.b. gaat uit van de vergoeding 
van een zgn. interimformatie. Wil een 
bevoegd gezag meer personeel 
benoemen dan ontstaat aanspraak 
op vergoeding indien dit personeel 
tot de boventalligen behoort, of 
indien het in redelijkheid niet 
mogelijk is een boventallige in dienst 
te nemen. Het bevoegd gezag is dus 
niet verplicht personeel van andere 
scholen over te nemen. Overigens 
blijft ook bij de beslissing over de 
aanspraak op vergoeding van 
personeel boven de interimformatie 
de vrijheid van richting overeind. 
Als een bevoegd gezag aantoont 
dat het in redelijkheid heeft kunnen 
besluiten geen boventallige in dienst 
te nemen, dan kan het ander personeel 
in dienst nemen, mits de minister de 
conclusie van het bevoegd gezag 
deelt. Daarbij wordt uiteraard de 
vrijheid van richting in acht genomen. 
Een en ander is conform het 
Besluit met betrekking tot de 
opleiding leraren basisonderwijs. 
Ook van de zijde van de Raad van 
State zijn op dit punt geen opmerkin-
gen gemaakt. 
Vraag van de heer  Evenhuis (VVD) 
en mevrouw Janmaat - Abee (CDA)  over overzicht m.d.g.o.: a. wat is er 
gebeurd? b. wat gaat nog gebeuren?  Aspecten: 
1. Herstructurering m.h.n.o./ 
m.s.p.o. invoering m.d.g.o. 
2. Huisvesting 
3. Inventarissen 
4. Personeel. 
Ad 1 
a. - Projectfase van de herstructu-
rering ( 1 9 7 8 - 1 9 8 4 ) investering 
±f150 min.; 
± f4 5 min. hiervan opgebracht 
door het veld door verhoging 
groepsgemiddelde van 16-17? 
- facilitering van ondersteuning 
van de invoering van het m.d.g.o. in 
de cursusjaren '84/'85 en ' 8 5 / ' 8 6 . 
Investering ±f10 min.; 
- nascholingsaanbod, waarbij 
constatering dat inschrijving niet 
altijd voldoende is. 
b. - Nascholingsaanbod wordt 
gecontinueerd, 
afstemming aanbod op de behoefte 
van de m.d.g.o .docenten ; 
- ontwikkeling van de afdeling 
Uiterlijke Verzorging wordt voortge 
zet; 
- ontwikkeling van de afdeling 
Verpleging wordt voortgezet. 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2327 

De afspraak is dat, indien binnen 
het budget van het sociaal pian 
m.d.g.o. (zie onder punt 4) ruimte 
zou ontstaan, die ruimte kan worden 
aangewend voor de financiering van 
extra faciliteiten voor de ondersteu-
ning 1986/1987. Die ruimte is er 
echter niet. 
Ad. 2 
a. Bij de invoering van het m.d.g.o. 
is een huisvestingsplan opgesteld dat 
in 10 jaar, gefaseerd zou worden 
uitgevoerd. Aan de hand van diverse 
criteria is een urgentie per school 
vastgesteld, die bepalend is voor de 
volgorde van uitvoering van dit plan. 
Investering ±f120 min. In 1984 is 
uitgegeven aan beperkte en definitie-
ve voorzieningen ±f32 min. In 
1985 ±f120 min. en plannen voor 
1986 ±f18,5 min. 
b. Voor 1987 wordt de rest van 
het huisvestingsplan geactualiseerd 
en zal daarna aan de hand van het 
dan beschikbaar budget tot realisatie 
worden overgegaan. Een gedetail-
leerd overzicht van een en ander is 
de Tweede Kamer toegezonden bij 
brief VO/BZ-518105 d.d. 2 1 - 0 6 -
1985. 
Ad. 3 
a. In 1984 heeft inventarisatie bij 
alle m.d.g.o.-scholen plaats gevonden 
met betrekking tot de aanwezige 
inventaris. Van de zgn. Cimbo-inven-
tarislijsten zijn voorgestructureerde 
aanvraagformulieren gemaakt. De 
scholen hebben kunnen aangeven 
welke inventarisartikelen voor de 
aanschaf de hoogste prioriteit 
hadden. De prioriteit beliep een 
bedrag van ±f51 min. Op basis van 
de aanvragen, de adviezen van de 
inspectie en het beschikbare budget 
is in 1984 en 1985 samen verstrekt 
voor een bedrag van ± f2 8 , 5 min. 
Hierin is niet begrepen wat aan 
informatica-apparatuur is verstrekt. 
b. Op basis van de inventarislijsten 
en van de door de scholen verstrekte 
opgave van de per vaklokaal aange-
schafte artikelen zal op basis van het 
ter beschikking staande budget 
worden bezien wat nog kan worden 
verstrekt. Gefaseerd in 1986 en in 
1987. 
Het streven is dat wanneer op 1 
augustus 1987 het m.d.g.o. volledig 
is ingevoerd, alle vaklokalen volledig 
ingericht zullen zijn op basis van de 
onderwijskundige uitgangspunten. 
Ad. 4 
a. De herstructurering m.h.n.o./ 
m.s.p.o. en de invoering m.d.g.o. 
hebben ontkoppelings- en fusiepro-
cessen op gang gebracht. Maatrege 
len zijn getroffen om gedwongen 
ontslagen te voorkomen. In het kader 
van het sociaal plan m.d.g.o. is 
voorts rekening gehouden met 
bekostiging van een boventalligheid  (berekend per 1 augustus 1984: 189 
arbeidsplaatsen). De plaatsing van de 
boventalligen is bevorderd door 
middel van het zgn. gentlemen's 
agreement tussen besturen, vakbon-
den en mij. De op het ministerie 
opgezette boventalligen/vacature-
bank heeft echter - niet optimaal 
kunnen functioneren. Uiteindelijk 
bleek een wettelijke maatregel per 
1-8-1985, noodzakelijk. Voorde
realisering van het sociaal plan 
m.d.g.o., voor de periode van 
1-8-1984 tot 31-7-1985 is een 
budget van f3 0 min. uitgetrokken. In 
het schooljaar ' 8 4 / ' 8 5 is daarvan 
±f10 min. besteed. 
b. Van alle door de scholen 
gemelde boventalligheid zal - na mij 
door de scholen de opgave is 
verstrekt - een totaaloverzicht aan de 
scholen worden gezonden. Van de 
boventalligheid die op 1 augustus 
1986 nog aanwezig zal zijn zal van 
geval tot geval worden bezien of 
bekostiging tot uiterlijk 1 augustus 
1987 zal plaatsvinden. De desbetref -
fende boventallige zal moeten 
aantonen, dat alles in het werk is 
gesteld (binnen de periode 1-8-1984 
tot 1-8-1986) een passende betrek-
king te vinden. 
Met mevrouw Janmaat-Abee heb 
ik wel begrip voor de zorgen uit het 
m.d.g.o.-veld, maar ik vind de 
periode sedert de invoering nog te 
kort om nu reeds een oordeel uit te 
spreken. Bovendien vind ik, dat te 
zeer wordt voorbij gegaan aan de 
positieve aspecten, waarvan evenzeer 
sprake is. 
Een evaluatie inzake het invoerings-
programma is zo kort na de invoe-
ringsdatum van het m.d.g.o. weinig 
zinvol. In de invoeringsfase werken 
de scholen (nog) niet met een 
schoolwerkplan maar met een 
schoolinvoeringsplan (s.i.p.). Ik geef 
er dan ook de voorkeur aan na een 
voltooide eerste cyclus van het 
m.d.g.o. te evalueren. Ook tijdens het 
invoeringsproces zal hier de vinger 
aan de pols worden gehouden. 
Van de f2 5 miljoen extra van 1986 
voor vervanging en vernieuwing van 
inventaris in het beroepsonderwijs 
(nota van wijziging, 19 200 nr. 16), 
zalf5 miljoen ten behoeve van het 
m.d.g.o. worden besteed. 
Vraag van mevrouw Janmaat - Abee
(CDA) en de heer Willems (PSP) 
over techniek en verzorging 
Het wordt thans nog te vroeg 
geacht een besluit te nemen over een 
integrale invoering van Verzorging 
als verplicht vak, omdat er onvoldoen-
de inzicht is op de inhoud van dit vak. 
LBO-scholen die dat willen zijn 
echter in de gelegenheid om dit vak 
al dan niet te geven (i.c. nul-vak in de 
tabel). Een besluit over de integrale 
invoering van Verzorging zal in een 
latere fase genomen worden. 
Voor Techniek wordt de situatie 
thans rijp geacht om tot integrale 
invoering als verplicht vak te besluiten. 
Voor Verzorging zal een beslissing 
worden genomen nadat een daartoe 
ingestelde werkgroep advies heeft 
uitgebracht over een mogelijke 
invulling van dit vak. Tevens zal het 
dan beschikbaar zijnde WRR-advies 
over de gewenste basisvorming een 
rol spelen bij deze besluitvorming. 
Vraag van de heer Willems (PSP) 
over heroverweging partiële leerplicht 
Het kabinet zal binnenkort zijn 
standpunt inzake het rapport over de 
heroverweging van de partiële 
leerplicht bekend maken. 
Vraag van mevrouw Janmaat - Abee
(CDA) over percentage deelnemende 
meisjes aan het Instroomproject en 
Schoolverlaters lnformatiseringsbe-
roepen (ISI) 
Uit het eerste verslag van het 
PCBB, de projectmanager van het 
I Sl-project, blijkt dat in de beginfase 
24% van de ruim 1000 deelnemers  vrouw is: 765 mannelijke en 243 
vrouwelijke cursisten. Het streefper-
centage van 50% is dus, helaas, niet 
gehaald. Vergeleken met de verdeling 
bij andere informatica-opleidingen is 
dit resultaat echter een stap in de 
goede richting. De actieve werving 
van meisjes door diverse regionale 
stichtingen heeft een positief effect 
gehad. 
Het PCBB heeft opdracht gekregen 
om een onderzoek te verrichten naar 
de achterblijvende deelname van 
meisjes/vrouwen aan informatica-op-
leidingen en om naar aanleiding 
daarvan oplossingsmogelijkheden 
aan te dragen. 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2328 

	
Vraag van de heer Mik (D'66) over 
computerpracticum b.b.o.-k.m.b.o. 
Het voor b.b.o. en k.m.b.o. scholen 
beschikbare type computers is 
geadviseerd door het Rijksinkoopbu-
reau aan de hand van een programma 
van eisen waaraan de apparatuur 
moet voldoen. Door het RIB is 
prijsopgave gevraagd aan 3 firma's 
waarvan Philips de laagste bleek. 
Daarop is in het kader van het INSP 
(Informatica-Stimuleringsplan) 
binnen het kader van een centrale, 
gecoördineerde aanpak geadviseerd 
tot de aanschaf van de P 3 8 0 0 
(master) + 8 werkstations P 3100 
die als 'stand alone' kunnen worden 
gebruikt). Kosten inclusief BTW 
f 9 9 . 9 6 0 per practicum. Het gaat 
overigens niet - zoals de heer Mik 
suggereert - om 'burger-informatica'. 
De desbetreffende apparatuur is 
bedoeld voor de opleidingen in de 
economisch-administratieve beroe-
pen-categorie. Daarvoor is uiteraard 
professionele apparatuur nodig. De 
opgeleiden zullen daarmee immers in 
de praktijk moeten werken. 
Vraag van mevrouw Janmaat - Abee
(CDA) over relatie onderwijs-arbeid 
uitbreiding leerlingwezen bij overheid 
Om aan de verdubbeling van het 
leerlingwezen bij de overheid 
gestalte te geven, heeft de minister 
van binnenlandse zaken een project-
team 'uitbreiding leerlingwezen bij de 
overheid' ingesteld. 
In dit projectteam zijn vertegen- woordigd: 
- het Ministerie van Binnenlandse 
Zaken, 
- het Ministerie van Onderwijs en 
Wetenschappen, 
- het Ministerie van Landbouw en 
Visserij, 
- De Vereniging Nederlandse 
Gemeenten, 
- het Interprovinciaal Overleg. 
Het projectteam heeft tijdens een 
op 15 mei jl. gehouden congres 
voorlichting gegeven aan circa 700 
vertegenwoordigers van overheids-
werkgevers. 
Een volledig beeld van de afgesloten 
leerarbeidsovereenkomsten zal begin 
1986 beschikbaar komen. Wel is er 
inmiddels een evaluatierapport 
verschenen, opgesteld door het 
genoemde projectteam 'uitbreiding 
leerlingwezen bij de overheid'. Dit 
rapport geeft een overzicht van de 
binnengekomen aanvragen voorde 
subsidieregeling voor zgn. 'bovenfcr-
matieve' leerlingwerknemers. Het 
projectteam raamt op basis van die 
aanvragen en de nog te verwachten 
aanvragen het totale aantal leer-
arbeidsplaatsen in 1985 op 1600. 
De procentuele verdeling van de 
reeds binnengekomen aanvragen 
naar soort overhiedswerkgever ziet er  als volgt uit: 
gemeenten 62.6 
departementen 13.9 
universiteiten 9.1 
provinciale bedr. 7.5 
provincies 2.7 
bejaarden-/ 
verzorgingstehuizen 1.9 
overig 2.3 
100 
Voor de economisch administratie-
ve beroepencategorie is een nieuwe 
opleiding administratief medewerker 
overheid ontwikkeld. Binnen het voor 
de economisch administratieve 
beroepencategorie werkzame 
landelijk orgaan Ecabo is een 
bestuurssectie overheid gevormd 
waarin o.a. zitting hebben werkgevers 
(BIZA, VNG, Interprovinciaal overleg, 
Unie van Wetenschappen), de 
centrales van overheidspersoneel en 
het Centraal Instituut Vorming en 
Opleiding bestuursdienst. Deze 
nieuwe opleiding zal eind november 
beginnen. Het definitieve aantal 
cursusplaatsen is nog niet bekend. 
Het zijn er waarschijnlijk 14. 

Ook aan het instroomproject 
schoolverlaters informatiseringsbe-
roepen wordt door de overheid als 
werkgever deelgenomen. Van het 
totale aantal beschikbaar gestelde 
praktijkopleidingsplaatsen tot nu toe 
23,3% afkomstig van overheidsinstel-
lingen. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over kasbeperking universiteiten, 
hogescholen en academische 
ziekenhuizen 
Met de kasbeperking wordt 
beoogd enige beperking aan te 
brengen in de liquiditeitspositie van 
de instellingen. De maatregel leidt 
niet tot een beperking van activiteiten. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) en 
mevrouw Den Ouden - Dekkers 
(VVD) over bezuiniging studenten-
voorzieningen w.o. 
Tijdens de UCV op 28 oktober jl. 
met betrekking tot het AFS universi-
teiten hogescholen heb ik duidelijk 
toegezegd niet in budgettaire zin 
vooruit te lopen op de behandeling 
van de notitie Studentenvoorzienin-
gen. Dit betekent dat voorshands de 
noodzakelijke versterking van de 
studentenvoorzieningen in het h.b.o. 
achterwege zal moeten blijven. 
Vraag van mevrouw Den ouden-
 Dekkers (VVD) en de heer Schutte 
(GPV) over kennisoverdracht 
Met betrekking tot kennisover-
dracht zeg ik toe te gelegener tijd de 
Kamer nader in te lichten over de 
ontwikkeling van deze taak bij de 
instellingen. 
Op wie vraag wie de kosten van de 
 draagt valt 
geen ondubbelzinnig antwoord te 
geven. Allereerst omdat er geen 
duidelijke grenzen zijn tussen 
kennisvergaring, kennistransformatie 
en kennisoverdracht. Daarnaast 
speelt ook de spin-off naar de 
universitaire hoofdtaken een rol bij 
de vraag of en in hoeverre de 
instellingen dit soort kosten doorbe-
rekenen. 
Vraag van mevrouw Den Ouden -
 Dekkers (VVD) over deeltijd-h.b.o. 
Zowel in beeldend kunstonderwijs 
als in het theateronderwijs is sprake 
van deeltijd-onderwijs. Wat de 
laatste sector betreft kan worden 
gewezen op de deeltijd-opleiding tot 
docent dramatische vorming. 
Vraag van mevrouw Den Ouden -
 Dekkers (VVD) over taakverdeling 
en concentratie h.t.s.-en 
Er vindt in het kader van de 
STC-operatie reeds een zekere 
concentratie plaats binnen het h.t.o. 
door middel van fusies van verschei-
denen h.t.s.-en tot één technische 
afdeling binnen een multisectorale 
instelling of tot één zelfstandige hts. 
Verdere taakverdeling moet vorm 
gaan krijgen volgens procedures zoals 
die zijn vastgesteld in de WHBO. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over achterstand h.t.o.-h.e.a.o. op 
wetenschappelijk onderwijs 
De Colleges van Bestuur van de 
universiteiten en hogescholen bieden 
in december hun standpunt aan over 
het SURF-rapport (betr. informatica-
voorzieningen in het h.o). Op 4 
december biedt de HBO-Raad een 
rapport aan over dezelfde materie, 
iweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2329 

specifiek over het h.b.o. Ik streef 
ernaar over deze rapporten in 
samenhang een regeringsstandpunt 
te doen uitbrengen. 
Vraag van mevrouw Den Ouden-
 Dekkers (VVD) over positie acade-
mies expressie door woord en gebaar 
Genoemde academies vallen sinds 
enige tijd qua bekostiging onder de 
sector Kunstonderwijs, met uitzonde-
ring van de materiële voorzieningen. 
Dit laatste zal worden geregeld bij 
invoering WHBO. 
Vraag van mevrouw Den Ouden-
 Dekkers (VVD) over getalenteerd-
heid 
Het begrip getalenteerdheid is 
moeilijk te omschrijven, omdat vele 
aspecten hierbij een rol spelen. Ik elk 
geval komt daarbij de breedte van 
het beheerste terrein en de diepte 
van de beheersing aan de orde. 
Bij de aanstelling van assistenten 
in opleidingen zullen de instellingen 
zelf in de sollicitatieprocedure inhoud 
aan dit begrip geven op basis van de 
ervaringen die zij of collega-instellin-
gen hebben opgedaan met de 
sollicitanten toen deze nog student 
waren. Het lijkt mij vanzelfsprekend 
dat daarbij niet uitsluitend naar de 
snelheid, waarmee het doctoraalexa-
men is behaald, maar ook naar de 
inhoudelijke kwaliteit van dat examen 
wordt gekeken. 
Vraag van mevrouw Den Ouden -
 Dekkers (VVD) over problemen bij 
overgangsregeling van de humanisti-
sche opleidingen 
Bij brief van 1 november jl . heeft 
het Humanistisch Verbond een 
verzoekschrift ingediend om een 
overigens nog op te richten Humanis-
tische Universiteit te erkennen 
krachtens artikel 1 18 W W O . Het 
Humanistisch Verbond merkt daarbij 
op dat het verzoek nog verre van 
volledig is (een aantal wettelijk 
voorgeschreven documenten 
ontbreken). In zoverre is er sprake 
van een inhoudelijk probleem. 
Eventuele overgangsconstructies en 
financiële problemen zijn natuurlijk 
pas te beoordelen als het eindpunt is 
bepaald. Wat de financiële problemen 
betreft merk ik nog op dat in mijn 
reactie op het STC-rapport al is 
bepaald dat het Humanistisch 
Opleidings Instituut ontheffing zal 
worden verleend met betrekking tot 
de omvangsnorm van 600 studenten.  Vraag van de heer Schutte : (GPV) 
over informatica-universiteit 
Ten aanzien van de informatica-uni 
versiteit verwijs ik naar de aan de 
Tweede Kamer gezonden brief d.d. 
25 november 1985, nr. 19212, nr. 4. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over afronding standpunt positie 
Academische Ziekenhuizen 
De staatssecretaris van welzijn, 
volksgezondheid en cultuur en ik 
hebben de Project Organisatie 
Academische Ziekenhuizen bij brief 
van 18 september 1984 laten weten 
dat het eindadvies van de POAZ 
medio 1986 gereed dient te zijn. Kort 
daarop zullen de staatssecretaris en 
ik ons standpunt over dit eindadvies 
bekendmaken. 
Vraag van mevrouw Den Ouden -
 Dekkers (VVD) over vrouwen in 
Colleges van Bestuur HBO 
De benoeming van directeuren, 
respectievelijk leden van college van 
bestuur van HBO-instellingen 
behoort onder de WHBO niet tot de 
bevoegdheid van de minister van 
onderwijs en wetenschappen. 
Vraag van mevrouw Den Ouden -
 Dekkers (VVD) over vrouwen op 
posten van universitaire hoofddocen-
ten (UHD) 
De operatie van inpassing van het 
zittend wetenschappelijk personeel in 
de nieuwe functies van UD respectie-
velijk UHD is thans in volle gang. Op 
de uitkomsten daarvan kan ik nu niet 
vooruitlopen. Als randvoorwaarden 
voor de operatie heb ik aangegeven 
dat wetenschappelijke hoofdmede-
werkers noch ander wetenschappelijk 
personeel aanspraak kunnen maken 
op een UHD-plaats. Wel zullen zij 
mogen verwachten dat hun kandida-
tuur in ernstige en zorgvuldige 
overweging wordt genomen en dat 
het bevoegd gezag, in dit geval de 
colleges van bestuur, voorziet in een 
aparte besluitvormingsprocedure die 
zoveel mogelijk objectiviteit waar-
borgt. Daarnaast gelden de normale 
regels van goed personeelsbeleid 
uiteraard onverkort. Staand - en 
bekend - beleid is dat de bevoegde 
gezagsorganen de relatieve onderbe-
zetting van vrouwen in hogere 
functies ten volle betrekken in hun 
wervings- en selectiebeleid. Daar-
naast geldt de eis dat de meest 
bekwame en geschikte persoon op 
de UHD-post terecht hoort te komen. 
Vraag van de heer Schutte (GPV) 
over flexibeler personeelsbeleid 
Voorstellen voor een flexibeler 
personeelsbeleid zijn reeds vervat in 
diverse discussienota's en zullen zijn 
verwerkt in de nieuwe rechtspositie-
reglementen voor w.o. en h.b.o. 
Vraag van de heer Hermes (CDA)  over arbeidsduurverkorting: plicht of 
recht? 
In de Regeling inzake verlof in het 
kader van arbeidsduurverkorting 
(ADV-verlof onderwijsgevend 
personeel), circulaire DI/AB 85-15 
van 30 mei 1985, is over het verplicht 
karakter van ADV het volgende  opgemerkt: 
'Het ADV-verlof is een
 verlof hetgeen 
inhoudt dat voor de toekenning van 
het onderhavige verlof geen afzonder-
lijke beslissing/handeling van zowel 
het bestuur als de belanghebbende 
noodzakelijk is. Uit het 'van rechtswe-
ge'-karakter vloeit tevens voort dat 
het ADV-verlof voor zoveel het 
bevoegd gezag als de belanghebben-
de als een verplichting geldt'. 
Uiteraard is het hiermee ook een 
recht voor het individuele personeels-
lid, hetgeen overigens niet betekent 
dat de individuele leraar, indien hij/zij 
dit wil of noodzakelijk acht, gedurende 
de ADV-tijd niet op school aanwezig 
kan zijn. 
Vraag van de heer Evenhuis(VVD) 
over arbeidsduurverkorting 
Naar aanleiding van de opmerking 
van de heer Evenhuis over het 
standpunt van de centrales over 
arbeidsduurverkorting en werkgele-
genheid - ('de centrales hebben niet 
altijd voor werkgelegenheid geko-
zen') - kan de volgende aantekening 
worden geplaatst. Bij de invulling van 
maatregelen voor arbeidsduurverkor-
ting voor onderwijzend personeel 
heb ik als uitgangspunt gekozen dat 
deze maatregelen tot een maximaal 
positief effect op de werkgelegenheid 
in het onderwijs moesten leiden, 
waarbij specifiek aandacht diende te 
worden besteed aan de positie van 
het oudere onderwijspersoneel. 
Ik acht het een gelukkige zaak dat 
na langdurig en uitgebreid georgani-
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2330 

	

seerd overleg drie van de vier 
centrales hebben ingestemd met de 
door mij voorgestelde maatregelen, 
die inhielden dat 100% van de 
daartoe bestemde gelden voor 
werkgelegenheid zijn benut. 
Vraag van de heren Willems (PSP) 
en  Lankhorst (PPR) en mevrouw 
 Ubels - Veen (EVP) over arbeidsduur-
verkorting 
De inmiddels in het onderwijs 
ingevoerde arbeidsduurverkorting  heeft twee algemene uitgangspunten: 
- het bewerkstelligen van een 
maximaal positief effect op de 
werkgelegenheid in het onderwijs; 
- het bereiken van reële taakver-
lichting voor oudere docenten (dat 
wil zeggen dat ADV wordt verkregen 
vanaf een bepaalde leeftijd en een 
grotere omvang van de ADV wordt 
bereikt naarmate de docent een 
hogere leeftijd heeft). 
In het kader van ADV is voor het 
onderwijspersoneel (zowel in 
fulltimeals part-time dienstverband) 
voorts de mogelijkheid van vervroeg-
de uittreding vanaf de 59-jarige 
leeftijd ingevoerd. Noch in de 
ADV-maatregel noch in de VUT-rege 
ling wordt een onderscheid gemaakt 
tussen categorieën van onderwijsge-
vend personeel, zodat ook ETC-docen-
ten niet worden onderscheiden. 
Zoals ook reeds in de schriftelijke 
beantwoording op vraag 35 uit de 
nota naar aanleiding van het verslag 
is aangegeven, is dit voorjaar in het 
georganiseerd overleg over de 
arbeidsduurverkorting overeengeko-
men dat bij toekomstige verdergaande 
arbeidsduurverkorting als uitgangs-
punt wordt gekozen dat de normbe-
trekking in het onderwijs wordt 
verlaagd. Dit betekent dat dan 
- anders dan nu - ook voor alle 
deeltijders, naar evenredigheid, een 
arbeidsduurverkorting zal worden 
gerealiseerd. Ook dan zal er overigens 
naar worden gestreefd een uitwerking 
te kiezen waarin het zgn. weglekeffect 
zo klein mogelijk zal zijn. Verdergaan-
de arbeidsduurverkorting in de 
toekomst zal alleen mogelijk zijn als 
er extra middelen ter beschikking 
komen, hetgeen afhankelijk is van 
ontwikkelingen in de particuliere 
sector en van ontwikkelingen voor 
het overheidspersoneel. 
Aan het overleg tussen vakbonden 
en het departement over de werkge-
legenheid in het onderwijs zijn 
overigens geen beperkende condities 
verbonden. 
Vraag van de heer  Konings (PvdA), 
of HOS leidt tot tekorten aan leraren 
bv. economie/recht 
De heer Konings heeft een opmer-
king gemaakt over tekorten aan 
leraren in bijvoorbeeld de vakken 
economie en recht en daarbij een 
relatie gelegd met het HOS-akkoord, 
waar hij overigens lof voor heeft. 
Een wezenlijk onderdeel van het 
HOS-systeem is het verlaten van 
leeftijdsbezoldiging waardoor het 
thans mogelijk is van buiten het 
onderwijs komende leraren in te 
schalen op basis van het laatst 
verdiende salaris. Hiervan mag een 
duidelijk positief effect op de 
wervingspositie van het onderwijs 
worden verwacht, dat zich in de 
komende jaren zal realiseren. 
Daarnaast is het zo dat categorieën 
personeel die in het algemeen 
moeilijk te werven zijn, ook voor het 
onderwijs problemen geven. Dit staat  los van het HOS-akkoord: de 
beschikbaarheid op de arbeidsmarkt 
in het algemeen wordt uiteraard door 
het HOS-akkoord in het geheel niet 
beïnvloed. Voor het overige zij 
verwezen naar het antwoord op 
vraag 205 van de schriftelijke 
voorbereiding. 
Vraag van de heer  Konings (PvdA) 
over schaarste leerkrachten (H)BO 
Met de HBO-Raad is afgesproken 
dat de Raad uiterlijk half december 
een notitie over deze problematiek 
zal uitbrengen. Deze notitie zal in 
januari in de HBO-kamer worden 
behandeld. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over cijfers werkloosheid in het 
onderwijs 
Uit de registratie van de Geweste-
lijke Arbeidsbureaus blijkt dat ultimo 
september 1985 als werkzoekend 
waren ingeschreven 13300 personen 
voor het basisonderwijs en 13200 
voor het voortgezet en hoger beroeps-
onderwijs. Uit de cijfers van de 
GAB's kan worden afgeleid dat deze 
aantallen rond de 5% lager liggen 
dan vorig jaar op dezelfde datum. 
Hierbij moet wel worden aangetekend 
dat de Gewestelijke Arbeidsbureaus 
een aanzienlijke 'bestandsvervuiling 
hebben geconstateerd. Of de 
feitelijke aantallen werkzoekende 
hoger dan wel lager zijn dan de 
geregistreerde is niet aan te geven. 
Zoals bekend, zijn bovendien bij de 
werkzoekende in veel gevallen ook de 
zogenaamde positieverbeteraars 
(degenen die al een baan hebben, 
maar naar een andere betrekking 
uitzien) begrepen. 
Vraag van mevrouw  Den Ouden-
 Dekkers (VVD) over bevoegdheids-
regeling voor docenten informatica 
Er is geen uniforme bevoegdheids-
regeling voor lessen informatica. 
Degenen die dit onderwijs verzorgen 
doen dat op grond van 
a. zgn. artikel 114-verklaring 
(gebaseerd op overgangswet WVO), 
voor schoolsoorten waar informatica 
een afzonderlijk vak is (h.t.o., 
h.e.a.o., m.d.g.o., m.e.a.o.) 
of 
b. een bevoegdheidsverklaring 
voor een ander vak omdat informati-
ca/computerkunde als onderdeel van 
andere, soms verwante vakken, aan 
de orde komt. 
De bekwaamheid die hiervoor 
nodig is, kan zijn verkregen door 
zelfstudie, nascholing of scholing. 
Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over evaluatie WPO 
Evaluatie van de WPO is om een  aantal redenen zinvol: 
1. Via kwantitatieve evaluatie 
moet worden bezien in hoeverre het 
ter beschikking gestelde bedrag van 
4 7 0 miljoen voldoende was. Onder-
zocht moet worden in hoeverre zich 
besparingen op wachtgelden en 
andere uitkeringen hebben voorge-
daan. 
2. Kwalitatieve evaluatie waarin 
wordt onderzocht op welke wijze de 
projecten zijn ingevuld is wenselijk. 
Uit een oogpunt van het streven naar 
goed overheidsbeleid dient de 
overheid zich waar mogelijk ervan te 
overtuigen of genomen maatregel 
succesvol zijn geweest. In dit kader 
dient de vraag te worden beantwoord 
of inderdaad langdurige jeugdige 
• werklozen met een onderwijsbe-
voegdheid een grotere startkans 
werd gegeven en of zij inderdaad 
doorstromen naar een reguliere 
betrekking. 
N.B. Het sub 1 en 2 bedoelde 
onderzoek zal niet meer gaan kosten 
danf180.000. 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2331 

Vraag van de heer Hermes (CDA) 
over invoering Arbowet 
De stand van zaken met betrekking 
tot de invoering van de Arbowet voor 
onderwijs is als volgt. De concept-be-
leidsnotitie Arbowet en de concept-
A MvB die de invoering van die wet 
voor het onderwijs regelt, zijn op dit 
ogenblik nog onderwerp van interde-
partementaal overleg. Dit overleg zal 
zeer binnenkort worden voltooid. Ook 
de financiële problematiek zal dan 
afdoend moeten worden geregeld. Ik 
streef ernaar het overleg over de 
beleidsnotitie en de concept-AmvB 
met de personeels- en besturenorga-
nisaties in ieder geval in januari 1986 
te beginnen. Uiteraard zullen de 
resultaten van dit overleg en van het 
eveneens vereiste overleg in de 
Commissie Arbowet voor de Openba-
re Diensten en Bijzondere groepen 
en de Arboraad moeten worden 
afgewacht voordat de Arbowet 
feitelijk in het onderwijs kan worden 
ingevoerd. 
Vraag van de heer  Leerling (RPF) 
over eerste oordeel van de minister 
over resultaten van het onderzoek 
van de Erasmus Universiteit ('burn-
hout' en demotivatie van oudere 
leraren) 
Het resultaat van het onderzoek 
van de Erasmus Universiteit heb ik 
nog slechts enkele dagen in mijn 
bezit. Mijn eerste indruk is dat het 
zodanige interessante gegevens 
behelst dat een zorgvuldige bestude-
ring geboden is. Het komt mij voor 
dat de aard van het onderzoek ook 
een zorgvuldige benadering verlangt. 
Ik acht het dan ook te vroeg om nu al 
een verantwoorde reactie te geven. 
Vraag van de heren  Evenhuis (VVD), 
 Schutte (GPV) en  Leerling (RPF) 
over ziekteverzuim in het onderwijs 
Er is door de heren Evenhuis, 
Schutte en Leerling vanuit verschillen-
de invalshoeken aandacht gevraagd 
voor het ziekteverzuim van het 
onderwijspersoneel. 
Ik kanuverzekeren dat ik niet 
alleen maar kennis heb genomen van 
de ziekteverzuimcijfers uit mijn 
onderzoek of van andere publikaties 
in die sfeer, zoals het onderzoek naar 
'burn out' van de Erasmusuniversiteit. 
De verzuimcijfers en de andere 
gegevens over de positie van oudere 
leraren in hun arbeidssituatie zijn 
voor mij mede aanleiding geweest 
om ADV-maatregelen voor te stellen 
waardoor ouderen in de gelegenheid 
worden gesteld hun betrekking 
geheel of gedeeltelijk op te geven. Ik 
wijs op de specifieke invulling van de 
ADV-maatregelen waarin onderwijs 
als enige onderwijssector heeft 
gekozen voor VUT vanaf de leeftijd 
van 59 jaar en daarnet voor de 
substantiële taakvermindering voor 
ouderen. 
Ik verwijs voorts naar de notitie 
'Ziekteverzuim en invalidering' die ik 
binnenkort zal publiceren en waarin 
ik mijn visie geef om de problematiek 
en verdere beleidsmaatregelen 
aankondig. Eén van de hoofdzaken 
van die notitie gaat over de bedrijfs-
gezondheidszorg voor onderwijsper-
soneel. Hiervan geef ikueen korte 
schets. In beginsel ben ik van mening 
dat de ARBO-wet, in het bijzonder de 
bedrijfsgezondheidszorg moet 
worden ingevoerd. Ik stel daaraan 
echter wel de voorwaarden dat 
aangetoond moet zijn dat bedrijfsge-
zondheidszorg bijdraagt aan daling 
van het verzuim- en het invaliditeits-
niveau èn dat voor de financiële 
gevolgen een bevredigende oplossing 
wordt gevonden. Deze uitgangs-
punten zijn verwoord in mijn notitie 
over 'ziekteverzuim en invalidering' 
die ik binnenkort aan de Tweede 
Kamer zal aanbieden. 
Vraag van de heer  Evenhuis (VVD) 
over tijdpad onderzoek taak en 
organisatie 
Met uitvoering van het Onderzoek 
Taak en Organisatie is op 1 augustus 
1985 begonnen via het sturen van de 
vragenlijst en het dagboek naar de 
eerste groep leraren. Dit lerarenon-
derzoek zal het schooljaar 1 985/86 
doorgaan. De sc/700/enquête zal naar 
verwachting in januari of februari 
1 986 aan alle scholen voor a.v.o., 
I.b.o. en m.b.o. worden verstuurd. 
Inmiddels worden door het onder-
zoeksbureau voorbereidingen 
getroffen voor enkele scenario's in 
verband met mogelijke ontwikkelin-
gen in het v.o. Daarbij zullen uiteraard 
ook de uitkomsten van zowel het 
lerarenonderzoek als het schoolon-
derzoek worden betrokken. Het is de 
bedoeling dat het eindrapport 
- bevattende het onderzoeksverslag 
en de beleidsscenario's - op 1 
januari 1987 zal verschijnen. 
.Vraag van de heer Mik (C'66) over 
schoolbegeleidingsdiensten 
De heer Mik heeft een opmerking 
gemaakt over het 50% bekostigings-
model van de schoolbegeleidings-
diensten. Dit model zou naar zijn 
oordeel niet ingevoerd dienen te 
worden op basis van de taakstelling 
van de schoolbegeleidingsdiensten. 
Deze aangelegenheid zal zeker aan 
de orde komen bij de behandeling 
van het ontwerp van wet op de 
Onderwijsverzorging. 
Vraag van de heren Mik (D'66) en 
 Evenhuis (VVD) over onderwijsver-
zorging en regionale onderwijscentra 
Dit onderwerp kan nader aan de 
orde komen bij de behandeling van 
het ontwerp van wet op de Onderwijs-
verzorging. In het kader van de 
discussie over lesplaatsen PABO heb 
ik dit wat betreft de relatie schoolbe-
geleidingsdiensten en opleidingen 
reeds toegezegd. 
Vraag van de heer Schutte (GPV) 
over formatiesleutel PABO's 
De aandacht die wordt gevraagd 
voor de (hoogte van de) formatiesleu-
tel voor de PABO's zal ik betrekken 
bij het binnenkort te voeren overleg 
in de HBO-kamer inzake de bekosti-
gingssystematiek. 
Vraag van de heer Willems (PSP) 
over toelating noodmaatregel 
Marokkaanse leraren 
De noodmaatregel heeft tot doel 
om in Nederland verblijvende 
Marokkanen, die geen onderwijsbe-
voegdheid hebben, maar wel een 
middelbare schoolopleiding op 
h.a.v.o./v.w.o.-niveau hier in korte 
tijd op te leiden tot ETC-leraar. 
Marokkanen die aan dit vereiste 
voldoen, dienen de Nederlandse taal 
te beheersen. De opleiding, die 
slechts vijf maanden duurt, wordt 
voor een belangrijk deel, namelijk 
waar het de didactische vaardigheden 
betreft, gegeven voor Nederlandse 
docenten. Wanneer cursisten het 
Nederlands onvoldoende beheersen, 
dreigt het gevaar dat de cursist de 
aangereikte kennis en vaardigheden 
niet kan overnemen. In dat geval 
heeft de opleiding geen resultaat. Dit 
Tweede Kamer 
12 december 1985 
Noten 
2332 

acht ik met het oog op de kwaliteit 
van het onderwijs in de Marokaanse 
taal en cultuur onverantwoord. In 
overleg met het CITO, dat de 
taalbeheersing toetst, heb ik
eisen vastgesteld. Uit de rapportage 
over de uitvoering van deze maatregel 
in het vorige cursusjaar is gebleken, 
dat ondanks de toets een aantal 
cursisten het Nederlands onvoldoen-
de beheerst. Dit is aanleiding om de 
gestelde eisen in elk geval op dat 
punt niet te verlagen. De vergelijking 
met de derdegraads opleiding is niet  op zijn plaats: deze opleiding duurt 
namelijk drie jaar en biedt dus veel 
mogelijkheden om eventueel bestaan-
de taalproblemen op te lossen. 
Vraag van de heer Wiliems (PSP) 
over tekort aantal Marokkaanse 
leerkrachten 
Uit voorlopige prognosecijfers 
blijkt dat het tekort van het aantal 
Marokkaanse leerkrachten de 
komende tijd nog zal toenemen. 
Zoals toegezegd tijdens de behande-
ling van de Culturele Overeenkomst 
met Marokko, zal ik de Kamer 
binnenkort informeren over het 
exacte tekort aan Marokkaanse 
leerkrachten op dit moment. 
Vraag van de heer  Konings (PvdA) 
over bezuiniging deeltijdopleidingen 
NGOLB 
De wijziging in het budget voor de 
deeltijdopleidingen NGOLB